Constitutie voor het Koningrijk Holland (1806)/2

ALGEMEENE BEPALINGEN Constitutie voor het Koningrijk Holland (1806) (1806) door Rijksoverheid

VAN DEN KONING

VAN DE WET
Uitgegeven in 's Gravenhage door Algemeene Lands-drukkerij.
[ 9 ]
 


TWEEDE AFDEELING.


Van den Koning.


Art. 19.

De Kroon van Holland behoort aan Zijne Majesteit [ 10 ]


Lodewijk Napoleon, ten einde bekleed te worden door hem, en door zijne natuurlijke, wettige en mannelijke afstammelingen, bij orde van eerstgeboorte, bij altoosdurende uitsluiting der Vrouwen en van derzelver afstammelingen.


Art. 20.

De Persoon des Konings is onschendbaar.


Art. 21.

De Kronen van Frankrijk en Holland kunnen nimmer op het zelfde Hoofd vereenigd worden .


Art. 22.

De Koning van Holland zal altoosdurend Groot Dignitaris van het Keizerrijk zijn , onder den Titel van Connetable.


Art. 23.

Ingeval van minderjarigheid, behoort het Regentschap van regtswege aan de Koningin. Bij ontstentenis van Hoogstdezelve, wordt de Regent van het Koningrijk door den Keizer der Franschen, in hoedanigheid van altoosdurend Opperhoofd der Keizerlijke Famille, benoemd uit de Prinsen van den Bloede, en bij ontstentenis uit de Nationalen. De minderjarigheid der Koningen eindigt met den vollen ouderdom van achttien jaren. [ 11 ]


Art. 24.

De Regent zal voorzien zijn van eenen Raad van Nationalen, waarvan de zamenstelling en attributen bij eene bijzondere Wet zullen worden bepaald.

De Regent zal niet persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de daden van zijn Bestuur.


Art. 25.

Bij den dood des Konings zal het toevoorzigt over de Persoon van den minderjarigen Koning steeds toebetrouwd zijn aan de Koninginne Moeder, en, bij ontstentenis, aan zoodanig Perfoon, als daar toe door den Keizer der Franschen zal worden aangewezen.


Art. 26.

De Koning heeft, bij uitsluiting en zonder restrictie, de volle uitoefening der Regering en van alle de Magt, benoodigd om de uitvoering der Wetten van den Staat te verzekeren, en dezelve te doen eerbiedigen.


Art. 27.

Het Generaal Bestuur des Koningrijks is onder het onmiddelijk toevoorzigt van Ministers van Staat : de Koning benoemt dezelve, en bepaalt hun getal en werkzaamheden.


Art. 28.

De Koning heeft de aanstelling en benoeming der Groot Officieren van het Rijk : Hij regelt hun rang, getal en attributen. [ 12 ]

Art. 29.

De Koning benoemt een Staatsraad ; de Ministers hebben rang, zitting en delibererende stem in den Staatsraad.


Art. 30.

De Ministers van Staat, en de Leden van den Staatsraad moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebbende, geboren in het Rijk, of in een der Koloniën van den Staat, en in het Rijk gedurende de laatste zes jaren vóór de verkiezing hebben gewoond; het vereischte van inwoning fluit niet uit de zoodanigen, die Reipublica causa zijn afwezig geweest.


Art. 31.

De Koning vraagt van den Staatsraad deszelfs consideratiën en advis over alle zoodanige zaken, als hij zal goedvinden.

Hij neemt geen Besluit tot Voordragt eener Wet aan de Vergadering van Hun Hoog Mogende, dan na alvorens den Staats-Raad, omtrent het ontwerp dier Wet, te hebben gehoord.


Art. 32.

De Koning is het Opperhoofd van de Vloten en Legers. De militaire rangen worden door Hem bepaald en toegewezen.


Art. 33.

De Koning heeft de aanstelling van alle Buitenlandsche Ministers, alle Zee- en Land-Officieren, alle Nationale Ambtenaren van den Staat, alle de Officieren van [ 13 ]Justitie, en eindelijk van alle de Leden van Regtbanken, tot de zaken van het Algemeen Bestuur behoorende.

De Leden van de Nationale Rekenkamer en van het Nationaal Geregtshof, mitsgaders de Procureurs-Generaal bij dit Geregtshof en bij de Departementale Geregtshoven, worden gekozen op den voet, bij Art. 45 en 72 bepaald.


Art. 34.

De Koning zorgt voor de veiligheid en de waardigheid van den Staat, voor de handhaving en naarkoming der Wetten, voor de ongeftoorde administratie der Justitie , als mede voor de Hooge Politie, zoo wel in Burgerlijke als Kerkelijke Zaken.


Art. 35.

De Koning bekrachtigt alle Tractaten en Overeenkomsten met vreemde Mogendheden. — Dezelve worden als Wetten afgekondigd , na door den Koning aan de Vergadering van Hun Hoog Mogende te zijn mede gedeeld.

De geheime Artikelen zijn onder deze mededeling niet begrepen ; zij mogen echter niet strijdig zijn met de openbare Artikelen.


Art. 36.

De bestiering der Koloniën, en van alles wat derzelver innerlijke Regering betreft, behoort bij uitsluiting aan den Koning.


Art. 37.

De Munten van Staat worden met de Beeldtenis van den Koning geslagen. [ 14 ]


Art. 38.

De Koning heeft het regt van gratie, abolitie of remissie van straffen, bij Regterlijke Vonnissen opgelegd. Niet te min vermag Hij dat regt niet oefenen, dan na alvorens de Leden van het Nationaal Geregtshof in geheimen Rade te hebben gehoord.


Art. 39.

De Koning opent en sluit de zittingen van het Wetgevend Ligchaam.


Art. 40.

De Koning begeeft zich in Perfoon naar de Vergadering van Hun Hoog Mogende, zoo dikwijls hij zulks zal goedvinden.

De functiën van President der Vergadering houden op gedurende den tijd, dat de Koning zich in dezelve bevindt.

De Vergadering van Hun Hoog Mogende raadpleegt nimmer in tegenwoordigheid des Konings.

De Concept-Wetten worden namens den Koning bij deze Vergadering ingediend, door eene Commissie uit den Staats-Raad.


Art. 41.

De Koning heeft het opperbestuur van de Nationale Geld-middelen. Hij bepaalt de vaste Jaarwedden der Nationale Ambtenaren.


Art. 42.

De Koning beschikt niet anders over de Geld-middelen van den Staat, dan overeenkomstig de Wet. [ 15 ]

Art. 43 .

De Koning verleent Pensioenen, volgens de bepalingen daar omtrent door de Wet gemaakt.


Art. 44.

In het begin van elke gewone Zitting, levert de Koning aan het Wetgevend Ligchaam in, eene algemeene en uitgewerkte Begrooting van Staatsbehoeften over het volgend Jaar. De Vergadering van Hun Hoog Mogende kan daar in geene verandering maken ; dezelve bewilligt daar in, of verwerpt deze algemeene Begrooting.


Art. 45.

Er zal eene Nationale Rekenkamer zijn ; bij vacature zendt de Vergadering van Hun Hoog Mogende aan den Koning eene Nominatie van zes Perfonen, welke door den Koning tot op de helft wordt verminderd, waaruit de Vergadering van Hun Hoog Mogende de verkiezing doet.


Art. 46.

De Koning heeft de bestelling van de Regering der Plaats, alwaar het Gouvernement refideert.


Art. 47.

Het Domein van de Kroon zal bestaan :

In de eerste plaats : uit een Paleis in den Haag, het geen tot verblijf van het Koninklijk Huis bestemd zal zijn. [ 16 ]

In de tweede plaats: uit het Paleis in het Haagsche Bosch.

In de derde plaats: uit het Domein van Soestdijk.

In de vierde plaats: uit een Inkomen van vijfmaal honderd duizend Guldens in vaste Goederen.

De Wet van den Staat verzekert daar en boven aan den Koning, eene Jaarlijksche Somme van vijftien maal honderd duizend Guldens Hollandsch Courant Geld, iedere Maand bij twaalfde gedeelten te betalen.


Art. 48.

Het Lijftogtgoed der Koningin zal bij Huwelijksche Voorwaarden bepaald worden; voor ditmaal is overeengekomen, dat het zelve eene Jaarlijksche Somme van tweemaal honderd en vijftig duizend Guldens zal bedragen, welke uit het Domein van de Kroon opgebragt zal worden. Na aftrek van deze Somme, zal de helft van de overblijvende Inkomsten van de Kroon dienen tot bekostiging van het onderhoud van het Huis van den minderjarigen Koning, terwijl de andere helft voor de onkosten van het Regentschap zal bestemd zijn.


Art. 49.

De Koning geniet in zijne Paleizen, mitsgaders in alle Plaatsen alwaar Hij resideren zal, de vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst. [ 17 ]

Art. 50.

De Eed des Konings luidt aldus :

„ Ik zwere, dat ik de Constitutie van het Koning-
„ rijk zal achtervolgen; dat ik de integriteit van
„ deszelfs Grondgebied zal handhaven ; dat ik zal
„ eerbiedigen en doen eerbiedigen de Vrijheid van
„ Godsdienst, de gelijkheid van Regten, en de
„ ‬Staatkundige en Burgerlijke Vrijheid ; dat ik
„ geene Belastingen zal opleggen , dan uit krachte
„ der Wet, en dat ik in mijne Regering geen an-
„ doel zal hebben, dan eeniglijk de bevorde-
„ ring van het Belang, de Welvaart, en de Roem
„ der Natie".