Constitutie voor het Koningrijk Holland (1806)/3

[ 17 ]
 
 

DERDE AFDEELING.

Van de Wet.


Art. 51.

De Wet wordt in Holland vastgesteld door zamenstemming van den Koning en het Wetgevend Ligchaam.

De Koning kan in sommige gevallen door de Wet speciaal worden geautorifeerd, om het Wetgevend gezag, zonder de medewerking der Vergadering van Hun Hoog Mogende, uit te oefenen. [ 18 ]


Art. 52.

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogende moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebbende, geboren binnen het Koningrijk, of in de Koloniën of Bezittingen van den Staat, en binnen dat Departement, van wegens het welk zij benoemd worden, gedurende de laatste zes jaren vóór hunne benoeming hebbende gewoond ; zij mogen elkanderen niet bestaan tot in den derden graad van Bloedverwantschap of Zwagerschap, dat is de betrekking tusschen de Man en zijner Vrouwe Bloedverwanten.

Het vereischte van inwoning sluit niet uit de zoodanigen, die Reipublicæ causa zijn afwezig geweest.


Art. 53.

De Leden van Hun Hoog Mogende mogen te gelijker tijd, noch Ministers van Staat, noch effective Leden van den Staatsraad, noch van eenig Nationaal Collegie, noch Leden van een Departementaal Bestuur, Raad van Finantiën of eenig Geregtshof zijn, noch te gelijker tijd een der voorname comptabele of andere hooge Ambten bekleeden.


Art. 54.

Dadelijk na de opening van elke Zitting, zal de Vergadering van Hun Hoog Mogende overgaan tot de benoeming van een President, gekozen uit de Leden der Vergadering. [ 19 ]

Art. 55.

Het Wetgevend Ligchaam vergadert gewoonlijk eenmaal in het jaar, en wel bepaaldelijk op den derden Dingsdag in de maand November ; de Vergadering blijft twee maanden bij elkander.

De Vergadering kan door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen, zoo dikwerf Zijne Majesteit zulks zal goedvinden.

Op den eersten dag van 6 iedere gewone Zitting treedt het oudste vijfde gedeelte der Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogende af.

De eerste aftreding zal in 1807 plaats hebben, en wordt door het Lot bepaald.

De aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.


Art. 56.

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogende brengen hoofdelijk hunne stem uit, en stemmen, zonder eenigen last, van wie het ook zij, te ontvangen.


Art. 57.

De Vergadering van Hun Hoog Mogende beraadslaagt over geene andere onderwerpen, dan over de zoodanige, welke haar door den Koning worden voorgedragen.

Dezelve vereenigt zich met de Voordragt, of verwerpt dezelve, zonder daarin eenige verandering of wijziging te maken.

Art. 58.

Hun Hoog Mogende, de voorgedragene Wet hebbende [ 20 ]goedgekeurd, geven daarvan onmiddelijk kennis aan den Koning, welke met de promulgatie en executie daarvan belast is. — Wanneer Hun Hoog Mogende de voorgedragene Wet verwerpen, geven zij daarvan, met opgave der redenen van weigering, kennis aan den Koning, welke alsdan hetzelfde Ontwerp, nader gemotiveerd of met eenige verandering, andermaal kan voordragen.


Art. 59.

Alle Besluiten van de Vergadering van Hun Hoog Mogende worden geteekend door den President, en gecontrasigneerd door den Griffier hunner Vergadering.


Art. 60.

Het Wetgevend Ligchaam zal buiten deszelfs midden een Griffier met meerderheid van ftemmen benoemen.


Art. 61.

Er kan geene Oorlogsverklaring plaats hebben, dan na een voorafgaand Befluit van Hun Hoog Mogende, op Voordragt van den Koning genomen.