Da Costa/De Chaos en het licht

D E C H A O S E N H E T L I C H T

EEN HALVE-EEUWS-LIED.

Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid
des Heeren gaat over u op. Want ziet, de duisternis zal de aarde bedekken,
en de donkerheid de volken; doch over u zal de Heer opgaan, en Zijne
heerlijkheid zal over u gezien worden.
— Jesaja LX: 1, 2

   De herpen trillen reeds. De wondereeuw eerlang,
half pralend half bedeesd, viert jubel, eischt een zang!
Het lied des Wachters, dra verwezenlijkt, ging onder
in vlam van volksgeweld, in damp van schutgedonder.
Een zang, op nieuw, een zang des tijds, in ons vertell’
zijn teeknen, die hun loop als op de maat verzell’!
Geef, Dichter! geef ons dien. Neen! geef Uw’ dienstknecht woorden
van trouwe waarheid, Heer! in zuivre dichtakkoorden.

   De storm ging liggen. By een waterbleeke zon
(die vuurrood aan de kim haar trotschen gang begon!)
vertoont het oppervlak der nog ontroerde golven,
vertoont de vastegrond, nog half in zee bedolven,
de wrakken wijd en zijd des Staatsorkaans, — door één
geworpen kroonen en eerwaarde vastigheên,
naast kunst- by kunstgewrocht, en honderd welvaartsboomen
ontworteld of geknakt; — en op dezelfde stroomen
het recht der grooten en der kleinen weggespoeld,
met menig vrijheid, in verheevner zin bedoeld,
dan om den logengod van ’t Volksgezag te dienen,
toch tusschen zee en rots verpletterd. Ach! ruïnen
alom voor scheppingen! een baaiert, by wiens poel
ontwakend zelfbedrog met vruchtloos pijngevoel
zihc beurt om beurt verwijt in ’t ondoordachte streven
te ver gegaan — of neen! te rug te zijn gebleven.
   Van op zijn zegekoets, aan enkel lofgegalm,
vergoding allerwege en wolken wierookwalm
gewoon, ziet de Eeuwgeest, zelf by ’t treurtooneel verbleekend
op aangezichten thands maar al te zeer welsprekend,
wie blik (als waar’ ’t een stem) hem ’t: wreed te loorgesteld!
verwijt, — straks even nog, terwijl hy voorwaarts snelt,
een blos jaagt op ’t gelaat met de enkele vraag: waarhenen?
Wat weet hy ’t? — en beschaamd wendt hy den blik met éénen
naar elders, en verdrinkt der volken jammerkreet
in plassen van muzijk en Meijerbeers Propheet!
   Toch laat hem, hoe ook wuft, en onbedacht, en grillig.
dat snijdend woord: „waarheen?” niet altoos onverschillig; —
wat Macht, kan ’t wezen voor de toekomst, die haar beidt?
En de Eeuwgeest is een Macht, een hooge Mogendheid! —
Welaan! indien by ’t feest der volle vijftig jaren
ook deze koning van zijn troon de wichelaren
van Oud-Chaldeën riep, en vroeg ze naar het lot
dier werken, waar hy hoog, gelijk een scheppend god,
op roem draagt, — naar de vrucht van zoo veel kennisplanten,
vervoerd van dag tot dag, verbeid naar alle kanten, —
van zoo veel boeken, zoo veel bladen, vol van merg
en moedwil,- naar den top van dien verheven berg:
volmaking, — naar het eind dier trotsche samenhooping
van wondren, vruchtbaar steeds in nieuwe wondren… „Sloping!
„zou ’t antwoord wezen (roept een stem), of zaagt ge niet
„de hand reeds aan den muur, die ’t Europeesch gebied
„ten prooi vervallen schreef aan ’t oude Vandalisme.
„als Meed en Pers vereend met bloedig Communisme?
„Zaagt gy den vinger niet by ’t feestbanket, die aan
„den vier en twintigsten der Februarijmaan
„het sein tot oopning gaf der sluizen? En beneden
„uit d’ afgrond spoten ze op om nooit te rug te treden,
„de waatren van dien vloed, slechts voor een wijl gesust!…
„’t Is met beschaving uit en wereldorde en rust,
„bedreigd, neen! thands niet meer door ridderhafte Gothen,
„of ruites uit de heup van Ismaël gesproten,
„als in vervlogen eeuw de aard overstroomden maar
„ververschten; de eeuw des lichts kent doodlijker gevaar
„voor heel die maatschappij, in voorspoed lang volprezen,
„voor ’t afgeleefde Euroop, wien zijn verwoesters rezen
„uit eigen schuim en slijk, uit eigen bastaardzaad,
„de vrucht, de schand, de straf, van zonder en eigenbaat.
   „Neen! geen geschapen Macht kan ’t dreigend onheil wenden
„de kern verbrijzelend dier steeds herteelde benden,
„waartegen schrootvuur en bebloede bajonet
„slechts voor een dag vermag, geen menschelijke wet
„is opgewassen, ja geen Godsdienst zelf bestand is,
„gelijk ze aan dweepzucht, hier, dáár ’t Heidendom verwant is,
„dáár ’t Godswoord onderdrukt, en hier, in eigen schoot
„dat Pantheïsme voedt, der gruwlen bondgenoot.
   „De Maatschappij vergaat? Zult gy den storm bezweeren,
„groot Frankrijk! of den slag van eigen schedel weeren?
„Gy, voor Euroops oog Chiméraas beeld gelijk,
„van voren Republiek, van achter Keizerrijk,
„in ’t midden Anarchie, — in ’t binnenst zat van stoffen,
„gereed op d’ eersten vonk met helsch geknal te ontploffen
en ’t hoofd te treffen van den man Napoleon,
„uw pas gerezen en reeds ondergaande zon!
   „Zal ’t Duitschland, door het zwaard van zijn Radetsky’s machtig?
„tweedrachtig overal, en meer dan ooit tweeslachtig,
„sints de éénheid, hoog geloofd,van al wat Duitscher heet,
„in leus van moord verkeerd, die bloedzee ruischen deed,
„uit de aderen gestroomd van burgers en soldaten,
„onnoozle dweepers of verleidene onverlaten,
„op ’t slagveld neêrlegd, ter slachtbank heengesleurd.
„De band der Staten als der stammen is verscheurd.
„De vete kankert voort, die, tusschen Israëller
„en Duitscher eeuwenoud, in vlammen zoo feller
„hervoortbrak by den kamp van dezen jongsten tijd.
„De tusschen oud en nieuw ter dood bedoelde strijd,
„dien Overmacht vergeefs zich sterk dacht te bedwingen,
„woelt in de diepte voort, door duizend zendelingen
„gekweekt en aangehitst, tot dat de dag verrijst,
„die aan ’t verschrikt Euroop met nieuw geweld bewijst
„wat sombre dweeperij uit nakroost van Germanen
„nog schrikbrer Seïds vormt den Frankrijk Bergtitanen!
„En waan niet, allerweeg bestookte Maatschappij!
„dat England, in dien dag, een Pella voor u zij,
„door hoe veel golven ook en onverwinbre vloten,
„by d’ Europeeschen brand, omheind en afgesloten, —
„door welk een geestkracht nog, terwijl de driften woên,
„in staat aan d’ eisch des volks èn vorstlijk te voldoen
„èn manlijk weêr te biên. Maar de eens gezette tijden
„vermag geen hoogheid zelfs van Brittenland te ontmijden,
„al stond geen Ierland haar ter zijde, al wierp geen rots
„van binnenlandsch schuld, van Palmerstonschen trots,
„van volks- en Staatsvergrijp, geboekstaafd door historie,
„een schaduw over ’t licht ook van des Luipaarts glorie,
„zijn opgerichten hoorn, zijn nooit vermoeid geluk!
„De paalworm knaagt in ’t end de hechtste balken stuk.
„De pest ontziet geen klove of grenstol tusschen volken,
„maar overschrijdt de zee, of kiest den weg der wolken.
„Neen! in d’ ontbreidelden Omwentlingsoceaan
zal heel de maatschappij, moet England meê vergaan; —
„vergaan beschaving, licht, en kust, en wetenschappen,
„schoon vordrend dag aan dag by louter reuzenstappen,
„schoon door begoochlingen, vertalrijkt uur aan uur,
„het menschdom vleiend met een eindeloozen duur.
„Helaas! als de zon, die Babels doodsnacht vóórging,
„met minder schittring toen het spoor den heemlen doorging.
„En Babel viel, en op den bodem, waar zy stond,
„daar huilen wolven thands en hupplen satyrs rond!
„Zie daar uw beeld,Euroop! Barbaren en Vandalen,
„van alle kant gereed uw hoogten om te halen!
„Dat schittrend werelddeel, waar heel onze oovrige aard
„zich in verbazing, eerbied, siddring, blind op staart, —
„die bodem, overdekt van zoo veel wonderheden,
„(Gewrochten dezer eeuw of erfnis van ’t voorleden!)
„waar Keulen met zijn dom zijn faam heft tot den trans,
„Versailles zalen nog den naam van Orléans
„weêrgalmen, Alberts wenkvoor al de nijverheden
„der aarde een renbaan schept in Englands stad der steden,—
„’t moet al geëffend tot één barre woestenij,
„één bouwval, waar geen kunst, geen wetenschap meer zij,
,geen licht, geen geest, geen God, — maar roode Communisten
„elkaêr de laatste buit, de laatste beet betwisten!

   „Neen! (spreekt een kalmer stem ten antwoord) voor dien vloed
„van Staatsomkeering, Volksverbijstering, hoe verwoed,
„zal ’t diep gegrondvest werk van eeuwen niet bezwijken.
„Alleen men wake en sta! en wapene de dijken
„met nieuwe kracht van glooiing’, en bewijz’
„dat weêrstand mooglijk is voor ’t minst, noch geef’ zich prijs
„aan ingebeeld gevaar, aan panische verschrikking,
„noch trede met den geest der woestaardij in schikking,
die wat hem heden half verleend werd, morgen gantsch
„als ’t zijne vordert! hy, door blooten naam en glans,
„door louter zelfroem sterk en waanzin, niet in ’t wezen,
„maar zeker sterk het meest voor wie zijn sterkten vreezen,
„Wat schuwt men tegen hem den aanvalskreet: Te rug!
„als roekloos en barbaarsch, terwijl hy, stout en vlug,
„met elken nieuwen stap tot nieuwe rechtsverkrachting,
„tot nieuwe gruwlen voert van plundering en slachting,
„vernieling, algeweld? Wat dempt men van dat vuur,
„geboet met rampen reeds van onafzienbren duur,
„’t bedrieglijke licht, de valsche warmtestoving,
„door kracht van waatren niet, te onherroepbre doving?
„Wat schaamt zich ons geslacht naar ’t voorbeeld om te zien
„van dagen minder groot van schitterschoon misschien,
„maar eerbiedwaard voor ’t minst door eerbied voor de banden
„van orde, herkomst, recht, die vastigheên der landen?
„Onschatbre schatten, niet te duur gekocht (kon ’t zijn)
„voor dezer tijden roem op ijdlen vrijheidsschijn
„of (zij’t) oprechten glans van kennis en verlichting, —
„neen, niet te duur zelfs voor mislukte vrijheidsstichting
„by diep beklaagden Pool of eedlen Madgyaar, —
„zelfs voor die vrijheên niet, de vrucht van tachtig jaar
„van worstling, met den Leeuw der gouden Nassaustanders
„verwinnend doorgestaan door ’t Volk der Nederlanders, —
„ja, voor geen voorrecht (moet het zijn!), aan heel deze aard
„by ’t licht van Drukpers en Hervorming eens gebaard! —
„Ach! aan de uitsporigheên der zinnelooste factie,
„onze aard verwoestend door Omwenteling en Reactie
„(twee beulen, even hard, van vrijheid, rust en recht,
„by beurten), wordt vergeefs ons ’t einde toegezegd
„door Constituties, nauw verschenen aan de kimmen
„of weêr in ’t niet gedaald als weezenlooze schimmen.
„Ééne uitkomst bleef ons slechts, één toevlucht in ’t verschiet;
„de aloude rotssteen der alleenregeering. — Ziet!
„een Noorderlicht gelijk, dat met zijn purpren vlammen
„den nacht in dag verkeert, op honderden van stammen
„de kroonglans stralende van Ruslands Opperheer!
„Voor dezen, dezen slechts slaat Opstand de oogen neêr.
„Zie daar u ’t ideaal, Euroop! van volksbeheering,
„de haven des behouds, het eind der Staatsomkeering!
„Één heerscher, één gezag voor wereld en altaar!
„Één Godsdienst, in de trouw belichaamd aan den Czaar!
„En in de schaduw van dien schepter, zoo ontzettend,
„voor ’t wangedrocht des tijds, zoo dreigend, zoo verplettend,
„verdiensten, koninklijk erkend, — eens Keizers gunst
„verzekerd aan ’t belang van Wetenschap en Kunst; —
„Siberiës woestijn, met al zijn koude en kommer,
„en waar de schoonste naam zich oplost in een nommer,
„ten hel gesteld (o ja!) voor wie met wenk of woord
„de wet schendt des gezags, de rust des rijks verstoort;-
„maar, waar zich verder ’t oog des onderzoekers wende,
„beschaving, vordrend en bevorderd, — voor de ellende
van allen, ’t meêlij van een Vaderlijke macht, —
„een Staatkunst, die niet licht der zwakken recht verkracht,
„maar rustig, waardig en rechtvaardig, in ’t Verleden
„haar vasten waarborg heeft voor ’t glorierijke Heden,
„ja voor een toekomst van nog grooter heerlijkheid,
„die ’t rijk van Peter, ’t huis van Nicolaas, verbeidt! —
„Dat de aarde, zoo zy hijgt naar vrede en heil en orde,
„òf Ruslands evenbeeld of òf Ruslands erfdeel worde!”

   Een stem op nieuw, de stem, in Neêrland wel bekend,
dier wijsheid die de paân van ’t midden houdt: „Hoe ’t end
„uit zoo veel streven ons beschoren. Anarchisme?
„Hoe de eenge redding uit die klaauwen, Despotisme?
„’t Zy ver! Geen tijd van schijn- of wezenlijken nood
„geeft tot die uitspraak recht, een vonnis tot der dood
„gelijk! Onze aarde schudde, en dat haar slingeringen
„zelfs d’ onverschrokkensten een kreet van angst ontwringen!
„Ook van den felsten schok herstelt zich ras de grond.
„De vuurberg koke, en brake uit d’ opgesparden mond,
„terwijl de hemel loeit, des afgronds holen ronken,
„die zee van gloeiend slijk, waar steden in verzonken,
„met haar bevolkingen tot asch of steen vergaan…
„eerlang! en lachend ziet de zon die voren aan,
„door ’t bergvuur zelf bevrucht, dat over de akkers holde,
„straks in zijn vaart gestuit, tot gouden meststof stolde.
„Der zee, die ’t menschdom draagt op ’t schijnbaar wrakke hout
„zij onder zoo veel angst de toekomst aanbetrouwd!
„Zy voert ons, wat ook dreig’, de lang begeerd boorden
„naby, de haven in, al spookt het uit den Noorden
„by beurten en te rug, al loeit het even zwaar
„uit Oost en West om strijd al worstlen met elkaêr
„orkanen om ons hoofd. Wy hoe het vaartuig slinger’,
„wy blijven naar pool met onverwirkbren vinger
„het menschdom wijzen! wy, wat bloed er stroomen moog,
„wat onrust onze rust gestaâg te storen poog’,
„wat onspoed onzen spoed, — wy streven zonder zwichten
„steeds voorwaarts, vinden uit, verbeteren, verlichten.
„Wy richten niet alleen het scherp gewapend oog
„op duizend werelden, aan onzen hemelboog
„haar dansen mengend naar door ons berekende orden,
„of in de diepten van den Melkweg nog aan ’t worden; —
„wy domplen niet alleen in ’t binnenste der aard
„om uit te vorschen in wat beenders, daar vergaârd,
„een ouder eeuwvak spreekt dan ’t vroegst ontstaan vn menschen:
„wy streefden niet alleen de stoutst gestemde wenschen
„naar nieuwe wonderheên te boven, in de gaaf
„van stoom, van spoor en van dien toovertelegraaf,
„onzichtbaar langs zijn draad door lucht- en zeestroom borend
„en de evenrdigheên van tijd en plaats verstorend
„met de onweêrstaanbre vaart des bliksems, hem verwant;-
„maar we oefnen ook den geest en spannen ons verstand
„om ’t overtalrijk heir de ondermaansche ellenden
„te ontwaapnen, te verslaan, te mindren, af te wenden.
„Men dreig’ ons menschen vrij een kerker of een graf,
„wy schaffen slavernij, wy krijg en wreedheid af.
Ons, vrij van weifling of oneedle moedverzaking,
blijft zelfontwikkling, zelfregeering, zelfvolmaking
„der volken, hoop en doel. Mag ’t in geen rechte lijn
„onafgebroken steeds en zonder buiging zijn?
„Spiraalsgewijze dan en na miljoenen bochten, —
„zoo slechts de zege des vooruitgangs blijft bevochten!”

   Dus streeft in gissingen, uit blikken diep en waar,
en — droomen saamgesteld, voorts strijdig met elkaêr
naar de onderscheidenheid van stelsel, vrees, vertrouwen,
het menschdom t’ aller tijd zijn toekomst te doorschouwen.
Vergeefs en buiten ’t perk, den stervling toegestaan?
Of, als een kenmerk nog van hooge roeping, aan
den zondaar, eens het beeld zijns Scheppers, bijgebleven?
Ja Gy hebt onze ziel dien grondtrek ingeweven,
hoe diep verbasterd ook, ontheiligd en verkracht,
zoo vaak Gy-zelf, o God! aan ’t boetende geslacht
uit Adam ’t vergezicht der eeuwen niet ontvouwdet,
en ’t woord der toekomst aan geen Zienders toebetrouwdet,
als die, wier naam, wier schrift, in Israël bewaard,
met Isrels ballingen nog meêtrekt over de aard.
Ontsluit u, Godlijk woord! Propheten van de ouden
maar nooit veròuden dag, op wie de Apostlen bouwden!
Verlicht ons, maar door hulp die valsche Wetenschap
(hoe hoog verheerlijkt) niet, wier waan by elken stap,
terwijl zy ’t Ongeloof met nieuwe flaauwheên huldigt,
zich-zelven nieuwen lof en lauwren meent verschuldigd; —
dier doode kennis niet, die ja! maar al te wèl
met ijskoud oog en hand en scherp gewet scalpel,
gelijk m’ een lijk ontleedt, in ’t Godswoord weet te wroeten
maar dan ook in dat woord geen polsslag zal ontmoeten,
geen levensadem meer, geen hemelharmony
van waarheên, geen geheel volbouwd uit prophecy.
Bestraal Gy-zelf ons, Geest van waarheid en van leven!
die in den aanvang over d’ afgrond wildet zweven
en broeden, tot weldra, op ’t machtwoord van Gods mond,
van uit de duisternis ’t bezielend licht ontstond, —
en geef ons oogen voor de roeping van het Heden,
de hoop der Toekomst en de raadsels van ’t Voorleden.

   God schiep Zijn eersten mensch, rechtvaardig, vlekloos, goed;
maar met de vrijheid in het ongekrenkt gemoed
om tusschen Gods gebod en Satans stem te kiezen.
Hy koos. Gods uitspraak volgde. Ach! weinig was ’t verliezen
van Edens dreven en niet uit te spreken lust,
en heerschappij der aard in onverstoorde rust, —
by ’t onafschudbre juk der eens ontfangen zonde,
by ’t rustloos dreigen van dien dood, dien God verkondde
’t weêrspannig menschdom tot bezoldiging en loon,
en Adam ’t eerst doorstónd in ’t sterven van een zoon.
Van die weêrspannig, die schuld, uit één tot allen
gekomen, van dien doem op al wat leeft gevallen,
ellende, tranen, dood, door alle tijden heen,
is zonder onderscheid het wezen, de oorzaak, één.
’t Is de onverzaakte trek by alle stervelingen
naar onafhankelijkheid van die hen schiep te dingen,
en, met of zonder God, ons-zelven, hoe ’t ook zij,
ten God te zijn. Van daar, in heel de maatschappij
als in den enklen zoon van Adam, die wanorden,
die tegenstrijdigheên, steeds strijdiger geworden,
naar dat het menschelijk kroost zich veroneindigde of
ontwikkelde over de aard: Onkennis,ruw en grof,
of, in verfijndr vorm, nog schuldiger onteering,
van de Almacht, van Zijn wet en wezen en regeering,
by ’t beeld, het maaksel van Zijn Geest. — Geschiedenis
der volken! daag, daag op! zeg gy het, wat er is
geworden van Gods beeld, waar ’t God geldt en Zijn kennis
het eerst! het zij de Griek, in vrome heiligschennis
zijn hoogen schoonheidszin, zijn ongelijkbre kunst
aan schepslendienst verpandt, afsmeekende de gunst
en zingende den lof van schendige godinnen
en goddelooze goôn, de slaven hunner zinnen;
het zij de Egiptenaar zijn wijsheid, hoog vereerd,
in dwaasheids toppunt, ja waanzinnigheid verkeert,
kniebuigend voor een os en voor een huiskat vastend,
’t zij voor zijn Godsdienstzin naar hooger voorwerp tasten,
de Perser uitziet naar de werken der natuur,
zijn tempel;s afbreekt en aanbidder wordt van ’t vuur,
terwijl Chaldeën rookt voor sterren en planeten,
’t zij Israël (o God! Uw Israel)! Propheten
en vaderen ten hoon, den nabuur één voor één
zijn Astaroths benijdt of Thammuz vuilogheên, —
’t zij straks de Christenheid, in Isrels plaats getreden,
ook zy dien God ontrouw, haar bijgeloovigheden,
verval en afval, beeld- en zelfdienst, ja! in ’t end
haar Algodisterij, der afgoôn afgod, kent.
   Zie daar dan, — de eeuwen door van mensch- en volkshistorie,
met hoe veel glansen ook van allerhande glorie
omwoeld, — die ééne kwaal, in talloosheden van
verschijnslen, beide mensch en menschlijkheid ten ban:
des menschen scheiding van zijn God, des menschdoms zonde
Wat zoeken wy dan nog voor de onverheelbre wonde
van de in haar smerten half bezweken maatschappij
in heulsap, die slechts dooft, genezende artsenij?
Voor zelfontwikkeling, zelfregeering, zelfvolmaking,
(ach holle galmen voor steeds nieuwe Godsverzaking!)
was nooit de redding van òf mensch òf menschdom veil.
Hereeniging met God! dáár slechts is beider heil.
   God wil ze. Ja, Hy sprak van vrede, van verzoening.
Zijn wijsheid in den weg van volle rechtsvoldoening
vond voor Zijn liefde een werk, waarvoor by beurten stijgt
of van bewondring en aanbidding zwichtend zwijgt
der Englen loflied in den tempelhof Daarboven!
Gods Eden hoorde reeds dien Menschenzoon beloven,
der menschheid Wreker en Verlosser, die de wet
van zonde en dood ontbindt en Satans kop verplet, —
dat zaad van Abraham, door al de nageslachten
uit Adam als hun Licht en Zaligheid te wachten, —
dien spruit uit Juda, Rijske uit Jesse, Heer en Zoon
van David, afgebeeld in Isrels wetgeboôn
door offerdienst en bloed en in voorspiegelingen
van hooge, reeds volbrachte en nog aanstaande, dingen, —
dien Heiland, uitgedrukt in ’t Goddelijk akkoord
van aller Zienders en Psalmisten waarheidswoord,
als Leeraar, die Gods wet vervullen komt en leeren,
als Koning, door Zijn dood bestemd te triomfeeren,
als Hoogepriester, die met eigen smetloos bloed
voor de ongerechtigheid van heel een wereld boet.
Hosanna den Propheet uit Nazareth! den Koning
op ’t jong der ezelin in stille machtbetooning!
Hosanna ’t Gods-Lam, dat Zijn haters niet verklaagt,
maar voor Zijn moorders bidt, en hunne zonden draagt!
Ja! ook ons Pascha is geslacht! kom, volk der Joden!
en vier het met ons mede in de ongezuurde brooden
van vrede in waarheid. Dat ons feest zich aan het uw,
uw Paaschvreugd zich aan de onze in dankbre aanbidding huw’!
het beiderlei verbond, alle onze erinneringen,
van wederzijde elkaêr omhelzen en doordringen!
Neen, wy vergeten niet, hoe met een sterke hand
en uitgestrekten arm God uit Egipteland
u uitvoerde en door ’t pad van zee en wildernissen
in Jacobs erfland bracht naar Zijn beloftenissen.
Gy dan, ai! ken dien Heer, naar ’t vleesch uw Stamverwant,
den Goël, dien gy wacht! Aanschouw die sterke hand,
ach! die zoo menigmaal herstel gebood en leven,
ter naagling aan het kruis den Heidnen prijs gegeven!
dien arm, zoo onvermoeid tot zondaars uitgestrekt
in liefde, om dees Zijn liefde aan ’t vloekhout uitgerekt!
Waan niet, dat in dat kruis de kroon van uw Messias, —
die kroon met zoo veel glans in ’t lied der Jesaïas,
den psalm der Ethans u getoond — zy opgegaan. (Psalm LXXXIX)

Neen! Smadelijk gedood, maar vorstlijk opgestaan,
wacht Hem de Christenheid, naar ’t woord van Zijn getuigen,
ten dage, die ten laatste u rouwend zal zien buigen, (Zacherias XII : 10 - 14)
straks jubelzingen, voor den glorierijke troon
van d’ over Sions berg ten Vorst gezalfden Zoon
van d’ over alle vleesch van dáár beloofden Koning,
ten dage van zijn komst in hemelkrachtbetooning
om de aard te zuivren van haar ban en van haar wee,
en ’t rijk te vestigen der onverstoorbre vreê!

   Hoort, volkeren der aard! hoor, nakroost der Hebreeuwen
’t gezicht door Daniël voor zes en twintig eeuwen
vernomen en verklaard aan de oevers van d’ Euphraat: (Daniël II en Daniël VII,).
der Wèreldmachten lot en volgreeks naar den raad
des Allerhoogsten! tot de dag zal zijn voldragen
dier vijfde Monarchij, waaraan geen eind van dagen
en heerlijkheid zal zijn, ’t Rijk van den Menschenzoon,
die de aard ten voetbank en de wolken heeft ten troon!
   Het groote Babel sliep of zwelgde, als in zijn droomen
een schrikgestalte door den Koning werd vernomen:
een beeld, het menschenbeeld gelijk, groot, forsch gebouwd,
en schoon, — het ederl hoofd van uitgelezen goud,
de borst en armen van rein zilver, de ijzren beenen,
die ’t koper van den buik en dijen steun verleenen,
op voeten rustend deels van ijzer, deels van aard.
En ’t bleef, tot dat een steen, als in de lucht gebaard,
op eenmaal nederkwam om ’t alles te vermalen
tot verr’ verstuivend kaf: het beeld, zijn vier metalen
en kleistof! maar de steen, gehouwen zonder hadn,
werd over de aard een berg, voor de eeuwigheid bestand.
   De koning zag den droom. De Geest de Godspropheten
deed Zijn verheven zin aan die Hem vreezen weten.
Dat hoofd, van goud gewrocht, en schittrend als de zon,
was Nimrods erfrijk-zelf, ’t ontzachlijk Babylon.
Het zilver was de macht der Persen en der Meden,
met minderenden glans in Babels plaats getreden,
dien nacht van Beltsasars verschrikking, toen de Euphraat
door Coresch en zijn heir verrast werd en doorwaad.
Maar ook dat zilvren rijk moest wijken voor een ander
(het koopren) door het zwaard gesticht van Alexander,
wiens Monarchij, weldra ontbonden en verdeeld,
voor Rome ruimte maakte, in ’t ijzer afgebeeld,
als ijzer sterk en hard, — sints, voor een deel verdwenen,
doch voor een ander deel voortlevende in — (de teenen
van ’t beeld!) — ons oud, ons nieuw, ons tusschen vrees en hoop
by ’t stormen dezes tijds reeds waggelend Euroop.
Maar de afgehouwen steen, die ze allen zal verpletten,
die over ’t aardrijk onbegrensd zich uit zal zetten,
wie is, wie kon die zijn, dan gy, gezegend Hoofd!
der wereld uit een Maagd, geen zaad eens mand, beloofd
van ouds! — dan Gy, de steen, die door de tempelbouwers
verworpen by ’t gejuich der hemelsche beschouwers,
uit al uw smaadheên van de kribbe tot aan ’t kruis
gezet werdt tot den Hoofd- en gevelsteen van ’t Huis! —
dan Gy, die (’t is Uw woord!) eerlang zult nederdalen,
der zonde heerlijkheên tot stuivend stof vermalen,
en heerschen met Uw volk op heel dit wereldrond,
den op den Heldraak met Uw bloed herwonnen grond.

   En nu! de Toekomst sprak, de raadsels van ’t Verleden
onthulden zich! zeg ons de roeping van het Heden,
o Dichter! geef een woord, dat in de duisterheên
der vragen van den dag een leidraad onzer schreên,
een vastigheid moog’ zijn by zoo veel slingeringen,
waar duizend volks- en Staats- en heilsbelangen dringen
om antwoord op ’t gebied van handeling en plicht…
   Me te allen tijd het oog op ’t Godlijk vergezicht,
Zich door geen Tijdgeest en zijn dwaallicht laten leiden,
doch van den Tijdgeest steeds den tijdloop onderscheiden!
Met dezen aan Gods hand vertrouwend medegaan,
maar d’ andren in Gods kracht weêrspreken en weêrstaan!
En voorts! daar is een stem voor die Zijn rijk verbeiden,
een roeping om den weg des Konings te bereiden.
In ’t allerbinnenste des harten allereerst!
(Zijn komst is welkom slechts, waar Zijn genade heerscht.)
Van daar dan welgemoed naar buiten uitgetreden!
Eens Heilands naam en woord verkondigd en beleden!
Betuigd van ver en van naby, het woord van God:
Aan Neger en Javaan, Bramien en Hottentot,
aan die ten leven uit de dooden uitverkoornen,
thands afgedreeven nog, gevangenen, verloornen!
Gord, Christen! gord u! ja, schiet ijzervleugels aan
om, op uws Heeren stem, naar de einden op te gaan
der aarde, of met uw hart, uw schatten, uw gebeden,
den dienstknecht van uw Heer in liefde op zij’ te treden,
te dienen, ja, of ’t waar, van verr’ naby te zijn, —
’t zij ’t kroost, van Zinzendorf uit Groenlands ijswoestijn
naar ’t heet Guiana trekt, om zielen te bevrijden
ook dáár, en aan den slaaf zijn vrijheid toe te wijden, —
’t zij Gutzlaff, ongedeerd door moord- en zeegevaar,
zich wegen opent tot Japanner en Tartaar.
en inrukt met Gods woord op Chinaas millioenen,
des Tarsers bede in ’t hart: „laat u met God verzoenen!”— 2 Corinthiërs V : 20
’t zij elders Casalis, bezield door Pinkstergloed,
zijn tent bouwt in ’t bereik van brullend roofgebroed,
en de Afrikaansche kaap op ’t hart van kannibalen
het woord des kruises, dat Hy sprak, ziet zegepralen!
Of wilt gy naderby? betoon aan Jacobs zaad
uw uitzicht op de Hoop zijns voorgeslachts, en laat,
vernomen uit uw mond, het onderscheid der tijden
van zijn Messias rijk, van zijn Messias lijden,
klaar worden voor zijn oog! — Gun aandacht aan de stem.
van Wichern uitgegaan met de onmiskenbre klem
dier herderliefde, die in holen en in hoeken,
nog nooit bezocht misschien, ’t verdwaalde schaap gaat zoeken -
Bouw scholen, in wier schoot het Evangeliezout
uit By- en Ongeloof een dierbre jeugd behoud’!
Aan ’t roer van Staat, in Staats- en Raadsvergaderingen
geroepen, in de rij van die den troon omringen
geplaatst, of op de baan van wetenschap en kunst,
verloochen voor Gods zaak der menschen lof of gunst
Ontdekt ’t ongoddelijk en onhistorisch woelen
van wie, met half verward of reeds bestemd boedelen,
de bron verplaatsende van Recht en Majesteit,
Gods ordning omkeert en de natiën verleidt.
Op alle hoogten, alle sterkten, alle bergen,
wier stoutheid in onze eeuw den hemel schijnt te tergen,
plant, op geen voorrecht meer dan Christus smaadheid fier,
met onbezweken trouw alom Zijn heilbanier!
   Schenk ons, onmachtigen, o God van Alvermogen!
de krachten des geloofs, Uw geest van uit den hoogen,
by ’t daavren van de stem, terwijl Uw rijk genaakt:
„Ontwaakt, gy slapenden! en, reeds onwaakten! waakt.”

         1850.