F E E S T Z A N G

TER GELEGENHEID DER VIERING VAN HET VIJFTIG HOOGLEERAARSAMBT VAN

M r. D. J. V A N L E N N E P.

   De jubelstonde sloeg! De beker, opgeheven,
bracht aan ’t bedwongen hart het sein zich lucht te geven.
Zoo ge immer vanhet mijn de tolken zijt geweest,
mengt, zilvren snaren! mengt uw weêrgalm aan het feest!

   Bekoorlijk langs den arm der pas ontboeide stroomen
en opwaart tot de spits de blanke popelboomen,
is lente! uw lachend groen, het beeld van hoop en jeugd,
van eedlen mannenroem en reine levensvreugd!
Maar schoon ook, over ’t vlak der kaalgeschoren velden,
wier schatten, ingebracht, des landmans zweet vergelden,
is ’t oogverblindend blank van ’t sneeuwveld zonder vlek,
waaronder, ’t zij de beek zich met een ijskorst dekk’,
of aan het gure zwerk de winterstormen loeien,
een nieuwe lente rijpt en nieuwe herfsten broeien!
En schoon vooral, de twee vereenigd: sneeuw en groen, —
van Noordschen den of spar een altijd versch plantsoen,
uitkomend op een veld in zwanendons herschapen;
of — om de in ’t perk van eer met wit bestrooide slapen
een breede lauwerkroon, die afvalt noch verdooft,
gelijk Uw grijsheid ons die voorstelt, achtbaar hoofd!
Neen! wie zich van den druk der grijsheid moog beklagen,
gy niet! wiens vlug gemoed, bij ’t lengen uwer dagen,
niet daalt maar opziet, en, by kalmte, niet verkoudt.
Uw groen behield zijn gloed, uw zilver, zie! werd goud.

   De jubelstonde sloeg! De beker, opgeheven,
bracht aan ’t bedwongen hart het sein zich lucht te geven!
Zoo ge immer van het mijn de tolken zijt geweest,
voegt, gouden snaren! ook uw trilling by dit feest!

   ’t zijn vijftig jaren dan, sints met beschroomde stoutheid
uw jonkheid zich omgorde, om de eêlste vrucht der oudheid
aan d’ Amstel gâ te slaaan met zijner zonen bloem.
ja, buit te maken voor den schat van Neêlands roem!
Sints smolt de helft der Eeuw! Een wereld om u henen
veranderde niet slechts, maar is, of ’t waar, verdwenen
in schuddingen der aard by ’t woên van dwinglandij
en oproer, — straks, nog meer, by vredes heerschappij,
in nieuwe scheppingen en staêge wisselingen,
waar de oude vastigheên by schokten of vergingen.

   Doch dankbaar looft uw hart! Te midden van een loop
van jaren hachlijk vaak voor Neêrland, voor Euroop,
wat stroom van weldaân u van Boven toegevloten:
in huis met gade en kroost, en kroost van kroost genoten!
In ’t perk van wetenschap, van kunst en poëzy!
Als vaderlander mede en voedsterzoon van ’t IJ!
Gy zaagt dat vaderland, verslonden en verloren,
na bangellende en druk als uit het graf herboren!
Gy zaagt de Vrijheidsmaagd geboeit, getrapt in ’t slijk,
de nieuwe Republiek, straks Hollandsch koninkrijk,
in ’t keizerrijk vergaan met Hamburg en met Roomen!
Oud Neêrland door het schuim van slaven ingenomen!
Te ’s Hage en Amsterdam de Celles en Stassart
de moeders folteren en wroetn in het hart!
Maar eindlijk in het Noord ’t verlossingsuur geslagen,
uit Spanje en England Oranje reddend dagen,
als voor de aloude leus aan Neêrlands volk zoo dier,
de doodschrik in het hart, Prefect en Douanier
verzwond, als op de stem en ’t sein der Hogendorpen
met daverend gejuich het jok werd afgeworpen,
als onder schrikgerucht van Woerdens sombre vlam
gy mede uw post betrokt aan ’t roer van Amsterdam!
En later, toen de toorn der opgeruide Belgen
zich vleide, een oogenblik, ons Neêrland te verdelgen,
verlaten op dat pas van ’s werelds Mogenheên,
ontzag uw grijsheid niet gewapend op te treên
voor de eer van ’t Vaderland en van de Oranjevanen,
de leeuw van uw geslacht vast schuddende zijn manen,
als denkende aan de schand, door ’t Hollandsch voorgeslacht
aan Vlaamschen overmoed by ’t Manpad toegebracht.

   De jubelstonde sloeg! Van staats- en oorlogszaken
te veel reeds! ’k Wensch van nu een andren toon te slaken!
Zoo ge immer van mijn zucht de tolken zijt geweest,
zingt, gouden snaren! zingt van dichtkunst op dit feest!

   Hoe ruischst hier in ons oor de nagalm van die zangen,
met daavrend handgeklap sints vijftig jaren ontvangen,
in ’t rijke Nederlandsch, in ’t statelijk Latijn,
wedijvrend wie van beide u grooter lof zal zijn,
Van Lennep! ’t zij uw stem met huivrend welbehagen
de schim van Hannibal uit de Alpen op deed dagen,
dat de echo van dien naam vervulde berg en dal,
en ’t Sparen op zijn beurt weêrgalmde, Hannibal*;
’t zij ’t bloed, dat Waterloo voor Neêrland zal vergieten,
met zooveel sterker stroom uw feestzang* uit deed schieten;
’t ziij rijper leeftijd u dat lied gaf in ’t gemoed,
door zooveel lielijkheên in Hollandsche ooren zoet,
dat duinlied*, in wiens maat of ’t waar de nachtegalen
van Floris Vooglenzang de zielsgeneugten malen
des vaderlanders by den aanblik van zijn land,
verdedigd en gevoed door golvend stuifzeezand.
Straks werd, hoog in die lucht, op nieuw een galm vernomen, -
het lied des grijzaarts aan de lommerrijke boomen
zijns erfgronds* in een taal, voor meer dan zestig jaar
door ’t knaapjen afgezien aan Romes dichtrenschaar, —
het lied des grijsaarts nog niet zal van levensdagen,
toch met een zacht gevoel van vrede en welbehagen
met zacht gebogen hoofd, by ’t leunen op zijn staf,
zijn weg bewandelend den blik gericht naar ’t graf!
Zegt, Manpads eiken, Manpads beuken, Manpads linden!
Zegt! is er voor dees dag met d’ adem van de winden
geen lichtglans in uw loof verkwikkend afgestraald?
Geen fluistrend antwoord in uw toppen neêrgedaald,
die, weêrgalm op zijn lied, daar ’t hart en ooren boeide,
den Dichter dankte voor den toon die hem ontvloeide.
en, na drie vierden van een eeuwkring, sprak van rust,
als ook den wakkre voegt, zich-zelv’ den tijd bewust?
Maar neen! van hooger af is ’t antwoord neêrgekomen,
van hooger dan de wind die ritselt door de boomen. —
Dat, zilvren snaren! u een andre toon vervang’!
De jubelstonde sloeg. Ik hoog bazuingeklang!

   Als in Palestinaas steden, onder ’t volk uit Abraham,
van de zeven Sabbathweken ’t jongste jaar zijn aanvang nam,
vierde ’t land en zijn bewoner voor Jehovaas aangezicht
een verheven, buiten Isrel ongekende, hoogtijdsplicht.
Heel het zespaar zijner stammen hoorde ’t loeien der bazuin,
op wiens wonderdoende slagen eens de Palmstad viel in puin.
Heel het zespaar onzner stammen, dien dag, vernam een toon,
als op Sinai eenmaal vóórging de overgaaf der Wetgeboôn!
Maar geen wet op niew der werken, wet van zwaren last op last,
in de dagen dier bedeeling d’Israëller opgetast,
lag by ’t feest der vijftig jaren in die schallende trompet.
Blijder ruimer, voller, zaalger, was het doel der jubelwet.
’t Was bevrijding, ’t was ontheffing, ’t was herleving, ’t was herstel,
wat de beeldspraak hield besloten van het Godlijk feestbevel.
’t Was aan de oude voorgeslachten d’ Evangelieklank gespeld,
die gevangen vrijheid predikt en verlossing van ’t geweld, —
die den levendigen troost brengt en het leven aan de doôn,
by ’t bazuinen des Archangels en ’t verschijnen van Gods Zoon!

   Heil den zondaar, in wiens ooren deze toonval lieflijk klinkt:
heil den sterveling, in wiens boezem deze boodschap binnendringt.
Wie op tollenaarsgenade zich den Redder overgaf,
wie behagen leerde voelen in Zijn Herdersstok en staf;
wie voor ’t aangezicht der wereld Hem als Heer en God belijdt,
wie met bevend zielsverlangen zich aan Hem wenscht toegewijd:
grooter voorrecht is hem wachtend dan een kalme levensrust:
andre zaligheên dan de eêlste, dan de teêrste levenslust,
in het koninkrijk diens Heilands, die, ten dage van zijn strijd,
van zich-zelv’ als van zijn Vader heeft getuigd: Ik werk altijd.

   Achtbre Grijzaart, met wiens lessen in uw mannelijke jeugd
mijnnog ongewisse jonkheid als met kinderlijke vreugd
d’ eersten indruk mocht ontfangen van de waarheid van dat woord,
dat uit Isrel door de volken van heel de aarde werd gehoord; -
de eerste zelfbewustheid voelde van de roeping van mijn stam;
de eerste trekking (licht!) mijns harten tot den God van Abraham.
o! By ’t woord dier hoogste waarheid, zielsverlichting, heilgenâ,
op wier nooding ten leven ook Uw ziel zegt: Amen, ja!
By den nagalm van een feeststond, die van ’t eeuwig jubelfeest
u het voorbeeld, u de voorsmaak, u de waarborg zij geweest!
Wandel lang nog aan de zijde van een ongezienen God,
onder Manpads eikenlommer, Hem den nazaat en diens lot,
Hem uw eigen geest bevelend, en, het oog op kroon en kruis,
Hem verbeidend in de voorhof, tot gy ingaat in het Huis.

         19 november 1849.



VOETNOTEN:

  • De Herder op ’t Slagveld van Cannae.
  • Nederland hersteld, 1814.
  • Duinzang.
  • Ad arbores villae Manpadicae.