Eli Heimans (1906) - Met kijker en bus/36

XXXV.
Zomerochtend
Met kijker en bus: schetsen uit het leven van planten en dieren (1906) door Eli Heimans

XXXVI. Wat de jonge Herten moeten weten. I.

XXXVII.
Jonge herten II.
Met kijker en bus is een boekje, waarin stukken van Heimans in De Groene Amsterdammer zijn gebundeld. Het werd gepubliceerd in 1906 te Amsterdam bij Van Holkema en Warendorf. Dit werk is in het publieke domein.
[ 227 ]
 

XXXVI.

Wat de jonge herten moeten weten. I.


 

Dit is een hoofdstuk uit William Long's School of the Woods. En wel een, dat mij 't meest van alle interesseerde, omdat het bijna uitsluitend van dieren spreekt, die wij bij ons ook in 't wild kunnen aantreffen; daardoor kan ik Long's waarnemingen—nu, nog wel niet toetsen naar de echtheid en de waarde, dat zou oneerbiedig en verwaand zijn; maar toch wel vergelijken met die van andere schrijvers en met mijn eigene.

De opmerkingen en waarnemingen, welke er in voorkomen over de Noord-Amerikaansche dieren, die ik zelf alleen bij naam ken, zal ik vrijmoedig overslaan, voor zoover ze met het eigenlijk onderwerp niets te maken hebben. Ook de meeste Indiaansche namen en enkele andere bijzonderheden, die aan het boek stellig een voor Canadeezen aangenaam aroma moeten geven, laat ik weg; daar ze mij voor ons onbegrijpelijk lijken en zij in plaats van indruk te maken, storend zouden werken. Long's eigenaardigen schrijftrant juist weergeven kan ik ook niet; maar ik zal, hetzij dan op mijn manier, nauwgezet navertellen.

„Nog altijd begrijp ik niet hoe ik ze in 't oog heb kunnen krijgen, zoo volmaakt waren ze verborgen.

Ik volgde een beek, die mij door zijn ruischen mee lokte tot in het diepst van het groote dichte woud. Een dikke [ 228 ]boom lag dwars over mijn pad en had door zijn val een natuurlijke brug over 't stroompje geslagen.

Nu is een brug 'n ding, dat bijzonder geschikt is om een water te passeeren, dat begrijpt de domste van de boschbewoners; daarom ging ik zitten op den bemosten stam, om eens te kijken, wat voor buren ik wel had en wat voor pootjes den boom werkelijk als brug gebruikten.

Vlak naast mijn zitplaats zijn de indrukken merkbaar van groote klauwen. Niemand anders dan een beer kan zulke diepe prenten drukken in de zachte schors. En zie daar is 't mos los gescheurd en afgegleden onder zijn gewicht.

Aan de andere zijde ligt een hoopje schubben van een pijnappel, dat zijn de krullen van een eekhoornwerkplaats, in 't rond gestrooid alsof de eekhoorn ze in der haast van zijn roode voorschoot had gestreken, om naar beeroom te kijken, die net voorbijkwam. Daarnaast loopt een bunsingspoor; duidelijk is de plek te onderscheiden, waar 't dier een aantal kikkers digereerde. En hier, aan een knoest, die mijn elleboog raakt, hangt een lang krullerig haar, dat vertelt mij hoe ook de vos [ 229 ]van den omgevallen boom gebruik maakt, als hij geen lust heeft natte voeten te krijgen.

Juist vóór mij was een andere boom bijna evenwijdig met het riviertje neergevallen. Hij lag dicht bij den rand, en zoo, dat ik niet begreep, waarom hij er niet inviel. De wortels vormden een groote donkere naar mij toegekeerde holte, waarover sparretakken als draperieën neerhingen.

"Wat een heerlijk plekje voor een hol," dacht ik, "niemand zou je daar binnen kunnen zien." Maar—alsof 't was om mijn gedachten tegen te spreken—net vindt een zonnestraal de plek en brengt er vreemde heldere glimmeringen van licht en schaduw in, die spelen en dansen om de wortels en stambrokken.

"Prachtig", riep ik uit, toen 't licht op het bruine molm viel en dit bestippelde met wit en geel. De zonnestraal ging weg, maar scheen wat van zijn licht achtergelaten te hebben, want daar zag ik nog altijd dat goudbruine molm met de witte en gele vlekjes er op.

Ik hurkte neer om er dieper in te kunnen kijken, strekte mijn hand uit en toen veranderde het molm opeens in zacht pelshaar; de witte en gele glimlichten op het bruine molm bleken de gestippelde velletjes te zijn van twee jonge hertjes [ 230 ]die daar heel stil en rustig ineengedoken lagen, precies zooals hun moeder ze verstopt had, voordat ze heenging.

Ze waren nog maar een paar dagen oud. Beide hadden hun kinderjurkje aan en beide hadden bovendien hun toovermanteltje om, want ze behoefden maar plat neer te gaan liggen, om zich onzichtbaar te maken. De vreemde stippelteekening, net het effect van licht en schaduw als de zon door het loof kijkt, verborg de hertekalfjes volkomen; tenminste, zoolang ze zich onbeweeglijk hielden en het zonlicht op zich lieten spelen.

Hun kleine kopjes waren een heerlijke studie voor een schilder; teer, mooi van lijn, bevallig van vorm en fijn van tint, en dan die groote zachte oogen vol nieuwsgierige onschuld; als ze je aankijken gaat het recht door naar je hart. Er leeft in de bosschen geen enkel schepsel, dat je zoo gauw en zoo sterk voor zich weet in te nemen, als een jong hertje.

Eerst waren ze schuw en bleven ze liggen, zonder beweging hoegenaamd. Het instinct van gehoorzaamheid—het voornaamste en sterkste instinct van elk schepsel in de wildernis—deed ze trouw opvolgen, wat moeder hun had bevolen: ""Blijf waar je bent en houd je onbeweeglijk tot ik terugkom.""

Eventjes na de ontdekking, schoof ik zachtjes het scheerlinggordijn op zijde; mijn oogen zagen ze en mijn hand raakte ze aan; ze hielden hun kopjes plat tegen den grond gedrukt en ze beweerden, dat ze een deel uitmaakten van den bruinen boschgrond en dat de vlekken op hun velletjes heusch niets anders waren dan plekjes heldere zomerzonneschijn.

Ik gevoelde, dat ik een gevaarlijke indringer was, dat ik dadelijk weg behoorde te gaan en de diertjes verder ongemoeid moest laten; maar de teere schepseltjes waren zoo mooi zooals ze daar lagen in dat wonderlijk hol. Eerst keken beurtelings [ 231 ]angst en verwondering uit de donkere glanzige oogen; toen begonnen die oogen nieuwsgierig en speelsch te doen als van een kindje dat kiekeboe met je wil spelen.

Lastig toch; wij ontwikkelde menschen kunnen nooit iets schoons zien zonder de begeerte te voelen opkomen er heel dicht bij te gaan, het aan te raken, het te bezitten, zoo mogelijk.

En hier straalde een schoonheid zooals ik zelden had gezien; al voelde ik dat het verkeerd van mij was, dat het ook niet goed was voor de mooie dieren, ik kon er niet vandaan.

De groote menschenhand, die hen aanraakte, bracht de dieren nog niet op de gedachte van gevaar. Ik tastte naar de plek achter de ooren, waar herten zoo gaarne gekrauwd worden, mijn vingers gleden over de ruggen met een zacht liefkoozend golvend bewegen, mijn palm sloot zachtjes om hun vochtig snuitje en zij staken hun tong uit en likten; het spoor van zoutigheid aan een menschenhand smaakte hun. Op eens hieven ze den kop op. Ze vergaten hun eerste les: [ 232 ]dat ze één waren en moesten blijven met den bodem; keerden zich om, zagen naar mij op met hun groote onschuldige vraagoogen.

Het was vreemd: ik ontroerde, was ontdaan. Als 't noodig was geweest, had ik op dat moment mijn leven gewaagd om ze te beschermen.

Toen ik eindelijk, na ze naar hartelust geaaid en gestreeld te hebben, opstond en heen wilde gaan, strompelden ze op de been en kwamen buiten hun huisje. Moeder had ze beduid, dat ze liggen moesten blijven; maar nu was er een ander aardig dier bij ze gekomen, dat heel lief en vriendelijk voor ze was en dat ze vertrouwden, net zoo goed als hun moeder. De gedachte in hun kopjes was leesbaar in de oogen, en telkens als ze mijn hand likten, kon je zien, dat dit 't lekkerste was, dat ze tot nu toe hadden geproefd. Als ik wegging, liepen zij me na; met een klaagtoontje riepen zij mij terug. Als ik stilstond kwamen ze dicht bij mij; drukten, vleiden zich tegen mij aan; aan elken kant één en zij staken hun kopjes omhoog om weer gestreeld en gekrauwd te worden.

Zooals ze daar stonden, drukdoend, een en al verwondering, boden ze een prachtige gelegenheid, om bij een levend schepsel het effect van zijn eerste indrukken van de wereld te bestudeeren. Hun ooren hadden reeds al de gewoonten van het hert: dat zenuwachtig trillen en ronddraaien, dat spitsen en trompetmaken bij elk geluid. Een blad ritselt, een twijgje schuift op zij; de beek ruischt iets sterker, nu een tak beklemt raakt in de strooming; op dat alles reageeren mijn hertjes onmiddellijk. Oogen, ooren, neuzen, alles vraagt naar de oorzaak van het verschijnsel. Dan kijken hun oogen vol levenslust weer naar mij op, en zeggen: "Is dat geen rare wereld? Het groote bosch is vol muziek, wij weten nog niets, toe zeg ons wat."

[ 233 ]Dan legde ik zachtjes mijn hand liefkoozend op hun nek, om hun hals, rondom het snuitje; dadelijk waren het bosch en zijn geluiden en de vragen uit hun oogen weggevaagd, de beweeglijke tongen kwamen voor den dag; de dieren vergaten alles door die nieuwe gewaarwording, door die vreemde lekkere smaak in de handpalm van een mensch. Ze waren nog bezig, toen ver achter ons, heel zacht, een takje kraakje.

Nu is 't kraken van een tak iets van heel veel beteekenis, het geeft duidelijk aan wie er gaat door het woud. Geen twee dieren doen op dezelfde wijze takken kraken bij het loopen. Als een beer het doet geeft het een doffe, lange, ongegeneerde kraak; de hoef van een eland vermorselt den twijg en verdooft het geluid, vóór het duidelijk zijn boodschap kan zeggen. Als een takje spreekt onder den voet van een hert op zijn weg door 't bosch, is de klank kort, scherp, klankrijk als van een zware regendrop, die valt in het stille meer. Het geluidje, dat wij gehoord hadden, liet geen misverstand toe, het was de moeder die naderde, de moeder van mijn beide onnoozele hertjes."