Het huis Honselaarsdijk in 1638/Het afscheid

Hoe zich voor Diederik de toestand ontwikkelt HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638 (1886) door A. L. G. Bosboom-Toussaint

Het afscheid

Een terugblik op het verledene en eene afwijking naar het Fransche hof
Uitgegeven in 's-Gravenhage door Charles Ewings (bij drukkerij Thieme, Nijmegen).

[ 272 ]

XVI.
Het afscheid.




Ondanks den ernstigen wil om zijn vader te volgen, was het afscheid nemen van Honthorst voor Diedrik meer een voorwendsel om zijn verblijf te rekken, dan eene volstrekte noodzakelijkheid, en te minder, daar hij Honthorst bij de Koningin wist, en het niet zeker was, dat hij hem nog zou kunnen wederzien. Maar er was iets dat hem dreef nog eene uitvlucht te zoeken, hij hoopte Lucienne d’Arcy te zien, en haar een woord te kunnen zeggen tot vaarwel. Een onderhoud durfde hij haar wel niet vragen, omdat hij haar eigenlijk niets had mede te deelen, dat voor haar belangrijk was, want hij durfde niet hopen dat hij hare belangstelling zou wekken, zoo hij haar zeide in welke mate zij de zijne opwekte, hoe vooral haar moedige geloofsijver hem getroffen had, en hoezeer het pijnlijke van haar toestand zijne deelneming wekte. Maar zonder een onderhoud te durven vragen, hoopte hij toch onbestemd op eene ontmoeting; in dit huis was hem reeds zooveel gebeurd, waarop hij niet had kunnen rekenen; de korte dagen van zijn verblijf waren bijna eene aaneenschakeling geweest van ongedachte avonturen en toevallige samenkomsten, als men nauwelijks door afspraak dus had kunnen daarstellen; hij was nu eenmaal in den tooverkring der illusiën, hij kon ook deze hoop niet van zich weren, en zeker om tot hare vervulling iets aan te wenden, begaf hij zich naar zijn ouden post in de gaanderij der schilderijen, die hem, als wij ons herinneren, alle bedenkelijke kansen bood om te slagen. Als Lucienne zich moest begeven naar het tegenover liggende paviljoen tot het onderhoud met den Prins, kon zij geen an[ 273 ]deren weg nemen, dan dezen, tenzij uit de zalen der Koningin, en was zij nog niet derwaarts vertrokken, dan kon zijne berekening nauwelijks falen. Wat hij haar zeggen zou, wist hij zelf niet; maar hij rekende op de ingeving van ’t oogenblik, en dat was zeker het verstandigste wat hij doen kon. Ook Honthorst, zoo de Koningin hem ontsloeg, zou dezen weg nemen, en niemand kon het hem dus ten kwade duiden, dat hij hier zijn beschermer bleef wachten.

Dit wachten duurde intusschen veel korter dan hij zich had kunnen voorstellen, want nauwelijks trad hij de eene deur in, of de groote vleugeldeuren aan het tegenovergestelde eind der gaanderij werden geopend, en Honthorst kwam, Lucienne d’Arcy hoffelijk bij de hand leidende. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek, waarvan wij den inhoud mogen hooren.

— Ik kan u niet genoeg danken, Mijnheer Honthorst! sprak Lucienne, voor de goedhartige intentie, daarmede gij uit den weg hebt geruimd, wat u dacht dat mij hinderen kon.

— Het was niets meer dan mijn schuldige plicht, zoodra het mij inviel, dat hier de adder school, daarmede men u wonden wilde, en daar ’t grootste gevaar nu voorbij is, vindt ge goed, dat ik de cantiques in hunne oude plaats zal terugbrengen?…

— Veel dank, dat is onnoodig, te lang reeds hebben zij hunne plaats gehad tusschen de litanieën, waartegen ze ijverden. Ook zoo ik tot hiertoe deze soort van dubbelheid heb geoefend, was het uit volgzaamheid aan den wil van Monsignore Fabroni, die het vergde in ’t belang van de Koningin, wier heftige en openlijke tegenstand in deze zaak hij vreesde, dat zich en tegen mij, en tegen haar zelve zou keeren; maar nu met de bescherming van den Prins, en ’t ontzag dat deze haar inboezemt, de verplichting die zij aan hem heeft, is er geen nood meer.

— Geen nood meer! Jonkvrouw! zeg dat niet al te onbedacht, en betrouw u veel meer op het laatste dan op de eerste…

— Hoe de Prins van Oranje zou mij geen woord houden?

— Dat zegge ik niet, in werkelijke ongelegenheid zal hij u bijstaan; maar vór het daartoe gekomen is, zal hij willen middelen, schikken, wijzigen, half te uwen gevalle, half ter wille Van de Koningin, en als ik wel heb, zou dit eindigen met [ 274 ]u in den valschen toestand te laten, daarin gij zoo lang reeds hebt verkeerd.

— En die de kwelling is van mijn leven, die mij de ziele verteert van onrust.

— Dat voele ik voor u, en de Prins is geen man om in dit geval streng door te zetten tegen den wil eener Koningin, die hij zelf de hoffelijkste onderdanigheid toont uit edelmoedige gastvrijheid; daarom is ’t uwe zake voor u zelve te zorgen, en het nu onverwijld door te zetten zooals gij ’t verstaat. Bij uw gesprek met den Prins zult gij alles van hem verkrijgen, wat gij wilt; maak dus uwe conditiën goed en vast, en zorg dat hetgeen gij verkregen hebt zonder verwijl geëecuteerd worde.

— Ik begrijp al het wijze van uw raad, ach! licht mij nog beter in, en zeg mij wat zal ik bedingen?

— Eerstelijk beantwoord mij ééne vraag. Hoe is ’t dus toegekomen, dat juist de Waalsche predikant Heijdanus, die tot Leiden staat, uw Godsdienstleeraar is?

— Dat deel ik u volgaarne mede. Monsignore Fabroni, ziende dat ik niet van mijne religieuse opiniën was af te brengen, mogelijk vreezende dat ik nu eenmaal in een Protestantsch land mij bevindende, licht op eigene wijze trachten zou tot mijn doel te komen, en zeker ook geleid door de uitzichten, die zich voor hem en mij verbinden aan mijn huwelijk met een Franschen Protestantschen Prins, dat sinds lang onderhandeld wordt, is geëindigd met zich ganschelijk te voegen naar mijn wensch, en heeft zich geïnformeerd naar geheime middelen, om dien te vervullen. Nu geviel ’t, sinds wij hier op Honselaarsdijk zijn, dat zich de Weleerwaarde Heer Heijdanus op ’t huis te Heenvliet onthield bij den Heer van Heenvliet, die een vroom gereformeerd edelman en een groot geleerde is.

— Daarvan is maar een roep, Polyander! op die beide stukken kent hem ieder.

— Monsignore Fabroni is met hem welvertrouwd, dus gaf hij hem opening van mijne zaken, en er werd tusschen die beiden afgesproken, dat ik onderwijs in den godsdienst zoude erlangen van den Eerwaarden gast, die ’t goedwillig toestond; doch daar alles in ’t heimelijk gaan moest uit aanzien van de Koningin, vreesden wij dat die geregelde oefeningen in ’t oog [ 275 ]mochten loopen, en ten laatste den lust tot bespieding wekken, die zeer licht tot ontdekking kon leiden, welke niets brengen kon, dan moeite en verdeeldheid in onzen kleinen kring. Daarin gaf Mijnheer Polyander raad, en deed ons een middel aan de hand. Monsignore Fabroni zelf leidde mij buiten ’t kasteel op heimelijke wijze en…

— Dit weet ik.

— Van Mevrouw de Sourdiac?

— Neen toch, van iemand die getuige was van een uwer geheime uittochten.

— Wij waren dan toch verraden?

— Neen! want die het zag was een trouwen discreet persoon, die u nog voor meer gevaar heeft geveiligd.

— De jonge Hollander! viel zij in met zekere levendigheid, of gis ik valsch?

— Zeer juist, Jonkvrouw! en zie, daar staat in de verte de persoon zelf; beter dan ik mag hij u zeggen, met wat goede intentie hij zich belastte met hetgeen Mevrouw de Sourdiac hem opdroeg.

Lucienne zag in de richting, die hij aanwees, en kleurde even toen zij Diedrik zag staan, die aarzelde te naderen, omdat hij hen niet wilde storen in een vertrouwelijk gesprek als hij zag, dat ze samen hielden.

Toen wilde Lucienne tot hem komen, maar Honthorst hield haar nog even staande, en zeide:

— Nu ik dit weet, Jonkvrouwe! hoor mijn raad. en ’t zal u niet kwalijk bekomen er naar te handelen. Vraag van den Prins dit: dat hij voor u de vergunning verkrijge, eenige dagen op het kasteel van Heenvliet te vertoeven. Laat Mijnheer Fabroni of iemand anders u derwaarts geleiden; kon ’t wezen vertrek nog heden, en doe daar dan wat uw gemoed en overtuiging u ingeven. ’t Zal licht zonder veel opspraak zijn in eene kleine dorpskerk, en is ’t geschied, dan ken ik onzen Frederik Hendrik er voor, om u te veiligen en te behoeden voor de wraak der Koningin, of de moeite die zij u zou willen aandoen.

— Ik zal dien raad zeker volgen, en nu laat mij een woord van dank spreken met dezen jonkman.

Zij was reeds dicht bij Diedrik genaderd, toen zij dit sprak, [ 276 ]en deze had dus verstaan wat zij zeide; andere inleiding had hij nu niet noodig, zij zelve had hem de gedwongenheid van eene voorstelling bespaard; zij sprak tot hem met goedheid, met dankbaarheid, met een zichtbaar welgevallen zelfs in zijne antwoorden, doch niet op den toon der gelijkheid en met de goedwilligheid eener meerdere, die tracht af te dalen tot een mindere.

Diedrik was te fijnvoelend om dien toon niet te onderkennen en er niet een weinig door gekwetst te zijn; en hoe hij ook smeekend naar Honthorst opzag, deze sprak geen woord, dankbaar uit hare dwaling konde helpen en tot meer gemeenzaambeid en vertrouwen stemmen.

Ten laatste toen hij zeide, dat dit een afscheid was en dat hij Honselaarsdijk verlaten ging, had hij niet eens den moed er bij te voegen, dat het was om zijn vader te volgen, en zij, na eene wijle te hebben nagedacht, zeide:

— Dan zou ik u toch zoo gaarne een aandenken geven van den dienst en bovenal van de trouw, die gij mij hebt bewezen, en zij haalde een keurig bewerkt gouden doosje uit haar arm taschje en wilde het hem aanbieden.

Maar Diedrik werd vuurrood van verdriet en ergernis; hij had het kostbaar foudraal herkend, waarin zijn vader hem het oorsierraad aan de Koningin had laten terugbrengen.

— Dat ik u bidde, Mejonkvrouw! behoud dit zelve, het was eene kleine hoffelijkheid van mijn vader aan de Koningin.

— Het is waar van deze heb ik het ontvangen; maar… wie zijt gij dan — wie is uw vader?

— Mijn vader is Geurt Adriaansz., Amsterdamsch koopman en bewindhebber van de Oost-Indische compagnie, sprak Diedrik, en daarop boog hij zich diep, drukte Honthorst even hand, en vertrok haastig, nu met de zelfbewustheid, dat zijn aftocht geene nederlaag was.!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

In haar onderhoud met den Prins van Oranje, richtte zich Lucienne werkelijk naar de raadgevingen van den schilder verkreeg alles wat zij wilde, gelijk der Koningin geene keu overbleef dan toestemmen in hetgeen Frederik Hendrik haar door Fabroni liet verzoeken. Ook geleidde de Vicomte haar nog [ 277 ]in den avond van dien dag naar het kasteel van Heenvliet, en hoewel met voorkennis van Mevrouw Fabroni, toch zeker eenigszins in ’t geheim; want hij gebruikte een zeer eenvoudig karosken, en geene hofkoets, zooals de Vicomte doorgaans gewoon was als hij uitreed.

Wat er verder wichtigs was behandeld tusschen den Prins en den trouwen Staatsdienaar der Koningin, weet men niet, maar het had zeker invloed op de handelingen der laatste, die nu in overleg met Fabroni de Engelsche brieven beantwoordde en toestond dat hij zelf de draden harer Fransche intriguen afbrak; of het voor altijd is geweest, durven wij niet uitmaken.

De l’Espine moest eene ernstige ondervraging doorstaan van den Prins; maar hetzij behendigheid, hetzij de belangen, die hij diende dezelfde waren met de staatkunde van den Stadhouder. het gehoor eindigde in de beste verstandhouding, en met eene uitnoodiging van den laatste om te ’s Hage ten hove te komen; en daar de Koningin, op aanraden van Fabroni, den Ridder de l’Espine deed aanzeggen, dat zij hem niet meer konde considereeren als te behooren tot haar hofstoet, vertrok hij spoedig naar den Haag, waar hij zijn verblijf vestigde.

Toen Geurt Adriaansz. zijne zaken met den Ridder had afgedaan, vond hij zijn zoon hem wachtende, in diep gepeins geleund tegen eene der zuilen van de opene gaanderij der binnenplaats. Hij nam zijn arm, en welhaast voegde Honthorst zich bij hen, die de verstandhouding tusschen vader en zoon eene te gewenschte vond, om haar door eene onvoorzichtige vraag te storen. Hij was overgelukkig, toen hij eindelijk Diedrik uitleidde buiten de groote hofpoort en stelde voor hen te vergezellen tot aan ’t dorp Wateringen, waar Geurt Adriaansz. zijn wagen had besteld. De oude man beknorde hem in ’t vriendelijke over zijne inschikkelijkheid tegenover Diedrik, maar roemde zoo ijverig en zoo uitvoerig het dusgenoemde offer van zijn zoon, dat de schilder geene andere ophelderingen noodig achtte. Maar toen ze de ophaalbrug over waren gegaan, en Diedrik de allerlaatste schrede moest doen op het grondgebied van ’t huis Honselaarsdijk, zag hij hem wankelen en verbleeken, terwijl hij nog eenmaal omzag, om dat vorstelijk verblijf te groeten met een laatsten blik. En toch Maria de Medicis [ 278 ]kon hij niet betreuren, want hij had haar leeren minachten; Lucienne kon niets voor hem zijn, want hij zelf was met zekere trotsche bitterheid van haar gegaan.

— Wat deert u, mijn jonge vriend? vroeg de schilder, terwijl hij deelnemend zijn arm nam.

— Niets, mij deert niets… of liever, mij deert… wat ik niet weet uit te spreken. ’t Is mij of dat huis daar zoo aanstonds in puin achter mij neer zou vallen, en banger kon ’t mij niet zijn dan nu, al gebeurde het… ’t Is mij of alle vreugd des levens mij op eenmaal ontvaart.

— ’t Is omdat de wereld der verbeelding u ontvaart, arme jonkman! sprak Honthorst zacht; die wereld op uw leeftijd zoo ruim en zoo rijk, dat gij haar bevolken kunt met al de rooskleurige tooverbeelden die gij wilt, maar die alle zich in nevelen oplossen, zoo haast de deugdelijke werkelijkheid haar met den top van den vinger beroert. Niet het kasteel zal achter u in puin storten, mijn arme jonge vriend! maar wel de luchtkasteelen, die gij zelf daarin hebt opgebouwd…

— En dat is goed ook, sprak de oude Geurt Adriaansz., die de laatste woorden had verstaan; want als we vijf jaar verder zijn en hij zijne drie kruisjes heeft, zal een goed steenen huis op de Prinsengracht en een kantoor, daarvan de firma in de vier werelddeelen zoo goed crediet heeft, als de Compagnie zelf, hem vrij wat beter te stade komen, dan zulke bontverwige en onvaste tooverpaleizen, als zich door ’t penseel op het doek laten scheppen. En ik houd, dat mijn zoon de wijsste partij heeft gekozen.

Diedrik antwoordde niet, hij zag nog eenmaal om, en hij zuchtte.

Hij had gedroomd, en hij had nog geen blijdschap ontwaakt te zijn.

En nu sluit zich het vorstelijk lusthuis Honselaarsdijk voor ons als voor hen, die het middel waren, waardoor wij er binnentraden; maar nog niet over alles is toch uwe nieuwsgierigheid bevredigd, als ik hope, en om die te voldoen, volg mij eene wijle bij: [ 279 ]

XVII.
Een terugblik op het verledene en eene afwijking naar het Fransche hof.




Het is de Ridder de l’Espine, die het ons zal mededeelen, ten overstaan van Honthorst en van Diedrik, die te dier tijd, wanneer kantoorzaken hem vrijheid gunden, zich nog weleens een uitstapje naar ’s Hage veroorloofde, en dan den schilder opzocht in zijn atelier, zeker nog meer gedreven door de behoefte, om over het verledene te spreken, dan door vurige zucht voor de kunst. De l’Espine ook scheen zijn eersten toorn tegen den schilder vergeten, en daar hij hem nooit meer diensten vroeg bij de Prinses Louise van Bohemen, vond Honthorst, die gewoon was allerlei menschen bij zijn werk te zien af- en aanloopen, den Ridder een vrij dragelijk personaadje, met wien hij gaarne een woordje wisselde over buitenlandsche kunst, en wien hij liefst hoorde vertellen van de kostbare kunstwerken van het Luxembourg, en in ’t Palais Cardinal, tot welks verheerlijking Richelieu zijne macht en zijne schatten besteedde.

Voordat die soort van vriendschap tusschen hen werd aangeknoopt, hadden zij nog een paar woorden gewisseld over de wijze, waarop Honthorst hem had gediend bij zijne geliefde, wel eerlijk, maar toch omzichtig; want terwijl hij stipt had uitgevoerd wat van hem gevorderd was, had hij tegelijk de jonge Prinses een geheim onderhoud gevraagd voor zich zelven; en toen haar met vasten ernst opmerkzaam gemaakt op de gevaren van haar toestand, op de onwaarschijnlijkheid dat de Ridder iets anders voor haar zou kunnen zijn dan een minnaar, en op [ 280 ]de mogelijkheid, dat hij trouwelooze was, of kon worden. De Prinses was te jong, te onervaren, om den trouwen vermaner niet ongelijk te geven in ’t harte en ook slechs te gelooven aan zijne duistere vermoedens; maar zij was ook te jong en te zacht van gemoed, om anders dan door tranen hare innerlijke tegenspraak te uiten, en bewoog door beloften en verzekeringen van overweging en bedachtzaamheid haar goeden Honthorst voor ditmaal te zwijgen van deze geheimzinnige betrekking. Volmaakt trouw aan zijn raad bleef zij echter niet, als men denken kan; maar de l’Espine vroeg nooit naar de diensten van den schilder; hij had ze dan ook niet meer noodig; ten hove ontvangen door Frederik Hendrik, zoo niet met onderscheiding behandeld, toch met zekere gevalligheid geduld, had hij welhaast zijne intrede in het huis der Koningin van Bohemen, en wij moeten onderstellen, dat hij werkeIijk gebruik heeft gemaakt van den pijnlijken financieelen toestand, waarin zich die Vorstin doorgaans bevond, om omkooping op zoo ruime schaal te oefenen, dat hij welhaast een zekeren invloed kreeg op de Koningin en hare omgeving, Niet zoo haast had Honthorst dit opgemerkt, of zijn eerlijk gemoed perste hem, om de moeder onder de zachtste vormen oplettend te maken op de gevaren, waaraan zij hare jeugdige dochter blootstelde; maat de Koningin had wat strak en wat hoog geantwoord, en hem teruggewezen op eene wijze, die tot geene tweede waarschuwing de vrijheid liet.

Toen had de eerlijke schilder de schouders opgetrokken, en er, zooals hij ’t noemde, de handen af gewasschen, hij had zijn plicht gedaan; hij was te veel man van oordeel om niet te zien, dat men zich een zoeten waan niet wilde laten ontnemen, dat men tot op zekere hoogte een tijd lang bedrogen wilde zijn. Maar die ondervinding had Honthorst nog niet gehad op den dag, waarvan wij spreken willen, toen de Ridder de l’Espine; eens zijn atelier binnentrad en er Diedrik vond, want dat was in de tweede week nadat deze het huis Honselaarsdijk zoo smartelijk vaarwel had gezegd, Den jongen Amsterdammer ziende, begon de Ridder te glimlachen, en zeide tegen Honthorst:

— Als ik den jonkman aanzie, gedenk ik hoe ge mij toch [ 281 ]eens een boozen trek hebt willen spelen, eene echte hovelingsvondst; dat ge vernuft hadt, die uit te denken, sprak wel vanzelf; maar wat u bewogen heeft die uit te voeren… dat is mij nog niet duidelijk…

— Wat mij daartoe bewogen heeft, wel, Heer Ridder! dat zal ik u zeggen: Ik mistrouwde uwe betrekking op de Demoiselle d’Arcy; ik geloofde, dat de arme jonge dame, of de… andere dame, die gij weet… eene van beiden of wel allebei, vergeef mij de goedronde oprechtheid! door u werden misleid, en dat, bij ’t zien van ’t portret, het tusschen u en die jonge dames of althans hare beschermers tol verklaringen en ophelderingen zoude komen, die… ik hoog noodig achtte, om de quaestie zuiver af te doen,

— Maar gij hadt mij trouwe beloofd, en gij hadt mij door deze ontrouw in last en lijden kunnen brengen.

— Als uwe zaak zuiver was, had dat geen nood; als het tegendeel bleek, hadt gij dan minder verdiend? en de trouwe die ik beloofd had, heb ik gehouden; terwijl gij mij geen woord hebt gehouden, want naar belofte hadt gij mij niet ingelicht van uwe relatiën met Jonkvrouwe Lucienne d’Arcy.

— Ik ook zou zoo graag meer van deze weten, voegde Diedrik er bij, beschroomd en aarzelend, als bad hij het hem af. De l’Espine zag hem aan met zijn scherpen en doordringenden blik, haalde toen even de schouders op en zeide:

— Nog altijd dezelfde! maar ik wil u in die nieuwe illusie niet voeden, mijn arme jonge man! en daar we nu toch dus rustig te zamen zijn, wil ik u beider nieuwsgierigheid bevredigen, en te eerder, sinds ik geene redenen meer heb om de personen te sparen, die in deze zaak betrokken zijn.

— Luister: Eens heeft de Koningin Maria de Medicis eene vriendin gehad.

— O, ja! Eleonora Galigai, sprak Honthorst.

— Neen, dat was eene gunstelinge; eene vriendin, dat is wat anders, dat is een juweel, dat uiterst zeldzaam gevonden wordt in de tresoren der Vorsten, en dat nog veel zeldzamer volkomen door deze wordt gewaardeerd, Koning Hendrik IV had er een in Sully en hij wist het te schatten. Koningin Maria heeft er ook eene gehad en zij wist haar te gebruiken, het was Me[ 282 ]vrouw de Barones d’Arcy, echtgenoote van Lucien François, Baron d’Arcy, een van die strengen en dapperen uit het laatste tijdperk der afgeloopen eeuw, die in de oorlogen van de Ligue altijd zijne banier had vastgehecht aan den standaard der Huguenoten, en die alleen dan niet aan de zijde van Koning Hendrik had gestaan, als deze, van politiek wisselend, zich aan de Katholieke hofpartij aansloot. Hij was van denzelfden leeftijd als de Koning, en dus zeer veel de oudere van zijne gemalin, die op denzelfden dag geboren was als Maria de Medicis; of het dit was, de overtuiging, dat zij onder hetzelfde gesternte geboren waren, dat de beide jeugdige vrouwen aan elkander hechtte, of iets anders, dat zou ik niet kunnen zeggen; zeker is het, dat men bij ons nogal veel gelooft aan astrologische influenties, zonderling de dames en bovenal de Koninginnen, die dat van Katharina de Medicis hebben overgeërfd, met waarheid alleen kan ik dit zeggen, dat de Barones d’Arcy, juist om die gelijkheid, op den eersten verjaardag van den geboortedag der Koningin in Frankrijk aan deze als hare staatsdame werd voorgesteld, en verder haar niet weer heeft verlaten, dan in het tijdperk, waarvan ik spreken ga, en dat er tusschen haar eene innige gehechtheid bestond, die van de zijde der Koningin, zeker uit kieschheid, zich niet uitte door gunstbewijzen, maar door vertrouwen, dat door de Barones werd betaald met eene onbegrensde liefde en vaardigheid tot ieder offer.

En ziehier nu het onderscheid tusschen de gunstelinge Eleonora Galigai en de vriendin; de eerste, met gunsten en schatten overladen, gebruikte beide op zulk eene wijze, dat zij op de beschermster de allervreemdste verdenking wierp; en de andere vroeg de liefde en het vertrouwen van de Koningin niet anders, dan als middel om haar te beter te dienen, en wierp er edelmoedig den sluier der geheimzinnigheid overheen, opdat de afgunst geen laster zou wekken, en de onschuldige vreugde der vriendschap verstoren; ook is de levensloop der gunstelinge een historisch feit geworden, waarvan de ergerlijke ruchtbaarheid voor eeuwig op Maria’s naam blijft kleven; terwijl de vriendin, vergeten door de wereld, geene plaats heeft in de geschiedenis, en toch van het hoofd der Vorstin zooveel schande heeft afgeweerd, als het eener zwakke vrouw mogelijk is geweest. [ 283 ]

De Baron d’Arcy kwam zelden aan het hof, waar hij al te veel politieke tegenstanders vond, en bovenal te veel vijanden van zijne religie en waarvan de toon en de zeden strijdig waren met zijne strenge begrippen; maar zijner jeugdige vrouw gunde hij zonder wantrouwen dat verblijf, zeker van hare deugd, van hare trouwen van de vastheid harer beginselen. Drie jaren na den dood van den Koning, zag men toch zijne strakke en ernstige gestalte in de hofzalen van de Louvre en van de Tuileriën verschijnen, — en het scheen sommigen eene verschijning, zoo weinig scheen de oude Hugenootsche krijger, die op het slagveld van Ivry en bij de blokkade van Parijs beter thuis was dan op de banketten en balletten, eene figuur, die niet tot het weeke, toen levende geslacht behoorde. Een ijzeren Ridder, van eene graftombe opgestaan en wandelend tusschen de rijen der woelende hovelingen, had er zich niet meer misplaatst kunnen vinden, dan de Baron d’Arcy, die zich nog altijd niet had kunnen scheiden van den ringkraag, den maliënkolder en de armstukken, waarmede hij voormaals de pertuisanen der Ligueurs had getrotseerd.

— Ja, en blijkens Uw kostuum, Heer Ridder! waren die toenmaals verworpen voor kanten, satijn en zilverlint, die wel blinken en sierlijk staan, maar die, vergeef mij toch, van wat weekheid en wulpschheid getuigen, daarmee men het in den krijg niet ver brengen mag.

— Ik geef het toe: onze zeden zijn gansch andere en juist geene betere; maar men moet meegaan met zijn tijd; Bassompierre zelf droeg zijden rozen op de schoenen met diamanten er op, die de Koningin in haar bruidschat uit Florence had meegebracht; maar dat er onze kleinere moed of mindere dapperheid uit blijken zou, ontken ik; het bewijst veeleer het tegendeel: ziet men er één tweegevecht minder om, nu onze borst slechts door Kamerijksch dundoek wordt beschermd tegen de punten van den degen der partij? en hoewel onze gevulde satijnen wambuizen niet zoo goede borstwering zijn tegen kogels en rapierhouwen, als de ijzeren borstharnassen of de kolders van vernist leder, hebben nog geen edellieden ooit om die redenen zich van den strijd onthouden, of gepoogd ter zijde uit te wijken, als het voorwaarts geboden was… Ja, ik zie kans onzen moed te bewijzen boven den hunnen. [ 284 ]

— Wij nemen aan zonder verder betoog, sprak Diedrik, die verlangend was naar het verdere.

— Op mijn woord! gij kunt dit gerust. — De Baron d’Arcy dan scheen volstrekt niet op te merken, hoe weinig hij meer aan dit hof paste; koel en vast en zonder de minste oplettendheid te geven aan het glimlachen en de schimpscheuten der jonge hovelingen, noch iets te antwoorden op de vragen en uitroepen zijner tijdgenooten, die zich lichter op den stroom, der hofgewoonten hadden laten voortdrijven, bleef hij stand houden in de rijen der hovelingen, en was van ieder feest, iedere. jachtpartij, van iederen wandelrid, van ieder buitentoertje der Koningin. Buiten hem waren er maar twee personen aan het geheele hof, die niet schenen te begrijpen, dat de oude edelman hier niet meer thuis hoorde: zijne eigene vrouwen de Koningin. De eerste scheen volkomen gelukkig met en volstrekt niet belemmerd door de tegenwoordigheid van haar echtgenoot, betoonde hem eene aanhankelijkheid en een eerbied, die ondanks alle lasterzucht der hofdames vrij bleef van verdenking en de hoogachting vermeerderde, die men gedwongen was voor haar te gevoelen. De Koningin was toen Regentes en regeerde in den vollen zin des woords, ten minste in zooverre zij door hare gunstelingen regeerde; ze was in den vollen bloei der schoonheid, en had juist die brandende zucht: naar de genietingen des levens van eene vrouw, die voelt dat zij in het laatste tijdperk is, waarin zij ze kan voldoen. Nu meesteresse van zich zelve (men versta dit niet in den zin van zelfbeheersching), en met de macht om al hare wenschen en luimen in te willigen, gaf zij er zich aan over met eene drift en eene zorgeloosheid, die voor eene andere dan eene Koningin-Regentesse uiterst gevaarlijk zou geweest zijn, doch die onder den algemeenen tuimel en de bedwelming van aller hoofden niet al te hard werd beoordeeld. Vreemd scheen het dus dat onder dit alles de strenge, ernstige gemaal harer vriendin zoo plotseling haar innigste en vertrouwdste raadsman was geworden, en toch dat was zoo: van ’t oogenblik zijner aankomst af, had de Koningin met hem en zijne gade in ’t geheim kabinet langdurige raadplegingen gehouden, waarvan de Maréchal d’Ancre en Bassompierre zelve waren uitgesloten en waar[ 285 ]van zij tevergeefs trachtten de aanleiding of het doel te doorzien. Hun werd zelfs niet het flauwste lichtstraaltje gegund, en iedere poging om het op te vangen werd door de Koningin met zoo dreigende terugwijzing gestraft, en door d’Arcy met zooveel stoïcijnsche koelheid verijdeld, dat zij, hoewel inwendig gloeiend van naijver op den nieuwen gunsteling (als zij dachten), van de onderneming afzagen.

Toch had er even voor de komst van den Baron d’Arcy eene omstandigheid plaats gevonden, die men met deze komst in verband had kunnen brengen, zoo men onder de menigte avonturen en misdrijven, die er toenmaals aan ’t hof voorvielen, dit van bijzondere beteekenis had gerekend. De bouw van het Luxembourg was nog pas aangevangen, en de Koningin hield intusschen bij voorkeur haar verblijf te St. Germain-en-Laye. Eens op een vroegen ochtend, na eene groote hofpartij, vond men daar op het terras van ’t kasteel, juist onder de vensters van de vertrekken, door de Koningin en de hofdames bewoond, het lijk van een jong mensch, die blijkbaar door dolksteken was omgebracht. Hij droeg een masker; maar zelfs toen dat afgenomen was, had niemand hem herkend, noch uit zijne trekken kunnen opmaken tot welke familie hij behoorde; ook in zijne kleeding, hoewel die rijk en smaakvol was, vond men geene aanwijzing op dit punt; wapens op handschoenen, of een cijfer op den bandelier, waren vermeden; alleen vond men bij hem, behalve eene beurs en eenige onbeduidende sieraden, eene touwladder en een biljet dat hem tot eene samenkomst uitnoodigde, met eene aanwijzing, die hem voeren moest, òf in de vertrekken der Koningin, òf in die van Valentine d’Arcy; maar het biljet was niet van de hand der laatste, noch van eenige andere bekende dame; slechts werd er eene waarschuwing gegeven, ditmaal voorzichtiger te zijn, dan de laatste maal, daar de eer der dame door zijn gebrek aan bescheidenheid gevaar liep, en die waarschuwing werd aangedrongen door eene dreiging, dat ook zijn leven op het spel stond bij gebrek aan voorzorg; zeker was de waarschuwing toch veronachtzaamd, en was dit, hetzij eene straf van een beleedigd minnaar of gemaal, of eene wraakoefening van de dame zelve, om eenig onvoegzaam blootgeven van hunne relatie. [ 286 ]

— O! maar van de dame zelve? dat laatste is toch wel niet denkbaar, viel Diedrik in met eene huivering.

— Waarom niet? er zijn dames, die haar minnaars verloochenen, zoodra hare belangen het vorderen, of gelooft gij niet, dat die er zijn?

Diedrik kleurde; hij vatte de bedoeling van de l’Espine volkomen.

— Hoe het zij, alle hofdames betuigden dezelfde onbekendheid met het geval, dezelfde onkunde van het biljet, en namen dezelfde houding van beleedigde onschuld aan, toen zij ondervraagd werden. Valentine antwoordde vast en kalm, dat zij vreemd was aan elke schending van haar plicht, en men geloofde haar. Zoo goed was de roep van hare deugd. De Maarschalk d’Ancre wilde het onderzoek voortzetten en den moordenaar zien uit te vinden; maar de Koningin beval de zaak te laten rusten; zij achtte dat er dus al bloed genoeg vergoten was. voor eene van die liefdesintriguen, als er maar al te veel omgingen. Hierbij bleef het, en er was nog geene week verloopen, of niemand sprak er meer over, en eene maand daarna was het ieder vergeten.

— Maar hoe weet gij het dan? vroeg Honthorst, waart gij dan aan ’t hof?

— Ik aan ’t hof, een knaap van zes jaar? neen waarlijk, Mijnheer Bassompierre had zooveel haast niet, om mij onder de oogen te brengen van de Koningin; maar ik weet het, omdat later de geschreven bescheiden van dit en het verdere in mijne handen zijn geraakt. Als dan gezegd is, niemand dacht meer aan ’t gebeurde, of wie er aan dacht zweeg er van, toen de Baron d’Arcy, op een schrijven zijner gemalin, aan het hof kwam en er de vreemde figuur maakte. waarvan ik u sprak. Toch hield hij maanden dien toestand uit, vermoeiend en vervelend bovenal voor een man van zijn leeftijd, wiens voorhoofd zich onder sombere gedachten telkens dieper scheen te groeven. Eindelijk, na een laatsten geheimen kabinetsraad met die drie personen in ’t vertrek der Koningin, kondigde de Baron openlijk zijn vertrek aan; maar hij voerde ook de Barones met zich naar een kasteel dat hij bezat te Rambouillet. De gezondheidstoestand van de Barones vorderde het; het werd bekend, dat zij [ 287 ]hoop had moeder te worden. Tot hiertoe was dit huwelijk kinderloos geweest. De Baron werd met gelukwenschingen overstormd. Hij nam ze alle aan, ernstig en beleefd; maar de ernst zijner trekken verplooide zich niet onder dit vooruitzicht van vadervreugde; het scheen Maria de Medicis veel te kosten, zich van hare vriendin te moeten scheiden; maar ieder woord, dat zij daarover uitte, werd door den Baron aangehoord met zulken zonderlingen zijblik op de Koningin, dat men verwonderd was, hoe die man met zulk een volslagen gemis van hovelingskunst zich dus kon staande houden in de gunst der Koningin, meer nog, de wijze, waarop hij zich tegenover deze gedroeg, had er veeleer iets van, of Maria zijne gunst had verloren of voor ’t minst zijne achting, in plaats van hij de hare. Dit belette niet, dat de Koningin hare vriendin in dat kasteel verscheidene malen ging bezoeken, meest altijd zonder eenig geleide dan dat van eene harer bedienden en hare Florentijnsche min, eene oude vrouw , die haar sinds de geboorte van den Dauphin niet meer verlaten had. Eens duurde dat bezoek verscheidene dagen; zij strekte hare goedhartigheid voor Valentine zelfs zoover uit, dat zij met hare vrouwen het vertrek der Barones niet verliet, terwijl de Baron d’Arcy zijne gezamenlijke bedienden in de kapel bijeenriep om voor de gelukkige geboorte van zijn kind te bidden; maar geen glimlach van blijdschap verhelderde hem het gelaat, toen men hem aankondigde, dat hij eene erfgename had. De Koningin vertoefde op het kasteel tot na den doop der kleine Maria Lucienne Françoise, welke plechtigheid verricht werd door den Hugenootschen Predikant in de kapel van ’t kasteel; dit was zeker de reden, waarom de Baron d’Arcy zelf en niet de Koningin het kind ten doop hief, dat toch haar naam droeg en dat altijd aan het hof als haar petekind is beschouwd. Daarop vertrok Maria de Medicis met wat haast naar Parijs, waar een heftig tooneel plaats had over de nieuwe gunst, aan den weinig dankbaren gunsteling bewezen, tusschen haar en den Maarschalk d’Ancre. Om die reden, of om eene andere, de Koningin bezocht hare Valentine niet meer, en welhaast ook verliet Baron d’Arcy met zijne vrouwen de kleine Lucienne zijn kasteel te Rambouillet, om in de stad Rochelle te gaan wonen, waar het kind in strenge Protestantsche gevoelens [ 288 ]werd opgevoed. In dien tusschentijd had de Koningin-Regentesse zooveel afleiding, zoovele bemoeiingen, dat zij aan die scheiding nauwelijks aandacht kon geven, en welhaast volgde de meerderjarigheid des Konings, zijn huwelijk, zijne vreeselijke wraakoefening op hare gunstelingen, de echtgenooten Galigai, hare vlucht naar Compiegne, hare verbanning, en alle verdere rampen, die bekend zijn en waarvan ik dus niet spreken wil.

Intusschen waren de vervolgingen tegen de Protestanten aan. gevangen, en het beleg geslagen rondom de sterke vrijplaats, hun door Hendrik IV toegestaan als waarborg voor zijne beloften en zijne overeenkomst met hen bij ’t Edict van Nantes, waaraan Richelieu het niet noodig vond zich te houden, in hoedanigheid van Kardinaal, die aan ketters geene trouw schuldig was, of liever, om waar te zijn, zij hadden hem mishaagd, en wekten zijn argwaan door zich te mengen in de verdeeldheden van ’t rijk. De Baron d’Arcy, die persoonlijk deelnam in de verdediging van Rochelle, vond den dood bij het afslaan van een aanval der belegeraars, en zijne gemalin sleepte het leven slechts nog weinige dagen voort na die ramp; sinds lang kwijnde zij weg onder een heimelijk verdriet, en zij had alleen de kracht en de helderheid van geest om aan een trouwen bediende en zijne vrouw de belofte af te dwingen, met het kind eene stad te verlaten, waarheen het opheffen van ’t beleg ieder oogenblik zegevierende horden van moord- en plunderzieke soldaten kon heenbrengen, die ook een kind niet zouden sparen; de brave lieden, in ’t bezit van het testament van den Baron d’Arcy, hadden met onbeschrijfelijke bezwaren te kampen, om die belofte te houden; toch gelukte het hun de belegerde stad te verlaten met het kind, ten deele door geheime bescherming van Mevrouw de Rohan, ten deele omdat hun stand weinig het nadenken en de achterdocht wekte van de belegeraars. Zij gingen het kasteel te Rambouillet bewonen, en zooveel het in hun vermogen was, voedden zij het meisje op in de Protestantsche religie, die zij zelve beleden; dit verdubbelde zeker moeite en bezwaren dier goede lieden, want de Kardinaal duldde geene Protestantsche vereenigingen meer, buiten de vrijplaatsen in de kasteelen der edelen, en de Protestantsche predikers werden niet geduld in den omtrek van Parijs. [ 289 ]

Het testament van den Baron d’Arcy en zijne gade werd door hen overgegeven in handen van een lid van den Conseil de l’Edit, eene soort van gerechtshof, dat uitspraak deed in de zaken der Hugenoten; maar daar ’t gebeele Edict niet veel meer geteld werd, was dit gerechtshof zonder kracht; het testament raakte dus in handen van den Parijschen Magistraat, en bij de opening bleek dat Lucienne slechts de aangenomene dochter was van den Baron en de Barones d’Arcy, zonderdat er eenige opheldering werd gegeven over hare afkomst. De Maarschalk Bassompierre en de Vicomte Fabroni werden er in benoemd als de voogden van Lucienne, die de rijke goederen harer pleegmoeder erfde zonder eenige voorwaarde; de Barones was eene Gravin van Bearn, en dus in verren graad verwant met de Bourbons, met de Koningin; de erfenis van haar pleegvader ook werd op Lucienne’s hoofd gebracht, doch voorwaardelijk; ze moest zich aan de Protestantsche religie houden en bij hare meerderjarigheid een huwelijk aangaan met Cesar Phebus d’Albret, Prins uit het huis van Navarre, die de rechtmatige erfgenaam was van den Graaf d’Arcy . Dit testament zou zeker veelopzien hebben gegeven, zoo de opening er van niet had plaats gehad in een tijd, waarin ieders aandacht op de openlijke gebeurtenissen in den staat was gevestigd, een oogenblik, waarin de Koningin Maria de Medicis vluchtte voor haar zoon. Bassompierre nam zijne pupil in zijn huis. Daar zag ik Lucienne voor het eerst, een engelachtig kind van twaalf jaar, minnelijk, zacht, reeds vroom, de eenige die mij, den door ieder verstooten wees, deelneming toonde en die mij leerde verstaan, hoe vrouwelijke teerheid leed kan verzachten.

— Wist ik het niet, sprak Honthorst, dat er meer was dan koele belangstelling tusschen de Jonkvrouwen u?

— Dat is waar! maar gij vergist u als gij aan liefde hebt gedacht. Vooreerst wist ik van ’t oogenblik af, dat Lucienne bij ons kwam, wie zij was, en dat er tusschen ons eene soort van verwantschap bestond, die, zoo al niet geldig voor de menschelijke wet, toch op het gevoel van een aankomend jongeling eene uitwerking deed, die het hem niet mogelijk maakte haar anders, dan met broederlijke gevoelens te zien en te naderen; daarbij ik was zestien jaar, en een zestienjarige begint de reeks zijner [ 290 ]liefdesavonturen eerder met eene vrouw van dertig, dan met een kind van twaalf, en toch was het om Lucienne’s wil, dat ik mijn eerste duël had.

— Veroorloof mij ééne vraag, viel Diedrik in, hoe wist gij zoo terstond wie de Demoiselle wezen kon, want voor mij is dit nog niet helder?

— Gij zijt wel een naïve Hollander! begrijpt gij dan niet dat alleen eene Koningin van eene gehuwde kinderlooze vrouw vergen kon, zich van de vreugde der moederschap den schijn te geven zonder de daad, en al de zorgen, al de lasten van de moedertrouw op zich te nemen, zonder daarvan de wezenlijke rechten te verkrijgen.

— Eene Koningin! dus is Lucienne?…

— Er zijn betrekkingen die men nooit uitspreekt. Ik zal u nu zeggen, hoe ik het wist. De Maarschalk was niet te Parijs, toen men de kleine Demoiselle d’ Arcy bij hem bracht. Zijn oude hofmeester voerde haar in zijn kabinet, waar ik voor mijn beschermer historische manuscripten zat door te zien, want gij weet, de Maarschalk houdt zich bezig met Mémoires te stellen: de oude man vergiste zich daardoor, hij dacht mij de Secretaris en gaf mij dus eene kleine portefeuille, die de allergewichtigste geheimen inhield, en waarvan hij den sleutel in een verzegeld doosje er nevens voegde. Ik moest beide eigenhandig aan Monsignore overgeven. Dit prikkelde meer mijne nieuwsgierigheid dan of hij den sleutel er nevens had gelegd. Ik kende sinds lang het geheim, om alles te openen wat gesloten was; de Maarschalk zou eerst den volgenden ochtend terugkomen; ik opende en las. De Baron d’Arcy had het onderwerp der geheime raadplegingen aan ’t hof en van de bezoeken der Koningin op zijn kasteel, met volmaakte stiptheid en uitvoerigheid beschreven…

Ik heb u de bijzonderheden gespaard;… ik wist nu alles en Lucienne was mij dierbaar als eene zuster, die ik te beschermen had, en heilig als het kind des ongeluks en als eene weeze, wier lot aan het mijne geleek; te minder kon ik verdragen, dat men de kleine lievelinge van den Maarschalk, want Lucienne werd het spoedig, onder elkander aanduidde onder termen, verlagend waren voor Bassompierre als voor haar, en waarvan ik de onwaarheid kende. Eens had ik met mijn toorn gedreigd, [ 291 ]zoo men het weder waagde; men vond goed op staanden voet de beleediging te herhalen, het was een geliefd edelman van mijn beschermer; maar ik vroeg naar niets, ik daagde hem uit. in mijn eerste duël bleef ik verwinnaar en de geoefende strijder viel, verslagen door de hand van een nieuweling. Bassompierre deed mij het onrecht mij te veroordeelen zonder mij te willen hooren, mij, die de innerlijke overtuiging had ook voor hem gestreden te hebben. Ik vluchtte woedend over de verongelijking, maar niet als radeloos. Ik wist reeds hoe men zijn weg maakte bij den Kardinaal, ik gebruikte de middelen, die ik in handen had.

— Gij leverdet de papieren betreffende Lucienne in de handen van Richelieu? vroeg Diedrik met opkomende verontwaardiging.

— Neen, zeker niet! dat was ook niet in mijne macht. Gij begrijpt, toen de Maarschalk ze eenmaal had… maar ik maakte den Minister opmerkzaam op Lucienne; hij had mijn wenk daarbij niet noodig, om te begrijpen van hoeveel gewicht dit kind was aan de partij die haar hield; ik wist dat in tijden als de onze de bescherming van een machtige als Richelieu eene weeze als Demoiselle d’Arcy kon te stade komen. Ik kende den Kardinaal als een vriend van kinderen; ik wist dat het vrij en naïf gesnap van aankomende jonge meisjes hem meer dan eens het voorhoofd ontrimpelde; ik wilde voor Lucienne iets van dat welgevallen gewonnen zien; ik had nog altijd eenige geheime verstandhouding met haar aangehouden; ik wist van haar eene samenkomst te verkrijgen, waarbij ik haar met Richelieu samenbracht, zonderdat zij hem kende. Hetgeen ik bedoeld had, slaagde volkomen, de Kardinaal was gewonnen. Het onschuldig kind kon voortaan veilig voortleven te midden van zijne dubbelzinnige vrienden of openbare vijanden; hij hield het oog op haar, hij zou haar te zijner tijd beschermen en hare zaak tot de zijne maken.

Het duurde niet lang of zij had dat noodig. De samenzwering van Chalais, waarin ook Bassompierre betrokken was, bracht den laatste op het kasteel van Vincennes, en zou Lucienne zonder beschermer gelaten hebben, zoo ik niet vooruit daarin had voorzien. Met de papieren van zijn gevangene kwamen [ 292 ]den Minister ook in handen de portefeuille van den Baron d’Arcy en diens bekentenissen, daar deze nauwgezette mann, hoewel hij openlijk dit kind als het zijne had aangenomen, toch niet met eene onwaarheid in het graf wilde gaan. Voor Richelieu was dit een schat, dien hij goed hoopte te besteden; te veel belangen groepten zich van nu aan om Lucienne, dan dat hij haar niet met goede omringing zou hebben bewaakt; hij plaatste haar vooreerst bij zijne nicht, Mevrouw de Combalet; want vertrouwde zijne schatten het best onder zijn eigen oog. Voor hare beschaving en vorming werd hier meer gedaan dan in ’t huis van Bassompierre, en in ’t godsdienstige liet men haar aan zich zelve over; want de politiek van Richelieu dacht hare rekening te vinden bij het huwelijk van de Jonkvrouw met den Prins Cesar Phebus, en het was daartoe onvermijdelijk, dat het haar mogelijk bleef, Hugenote te zijn. De Jonkvrouw had te Rochelle en in ’t huis harer pleegouders te veel bewijzen van geestdrift gezien, om de zaak der religionsverwanten niet met oprechtheid voor eene goede te houden, zij had er te veeloffers voor zien brengen, om niet te gelooven, dat het er altijd grootere waardig was, en hoewel het haar niet mogelijk was, de geheime bijeenkomsten der religionsverwanten bij te wonen, hield zij zich toch aan hunne religie, en ging zij niet naar de mis; maar er was iets anders, dat haar zeker met den Kardinaal in onmin zou gebracht hebben, zoo er de tijd toe geweest was. De Prins Cesar Phebus werd haar voorgesteld, Richelieu wilde niet dat eenig jong mensch indruk op haar zou maken, voordat zij haar aanstaande had gezien, opdat althans niets dezen bij haar schaden zou. Maar de Prins was een jonge man van twintig jaar, die reeds vooruit in Lucienne eene opgedwongen bruid zag, die hem in andere liefde zou kruisen, en hetzij hij zijn best deed om te mishagen, zooals anderen om te bevallen, hetzij de Jonkvrouw in zijn uiterlijk iets las, dat haar tegenstond, eene volstrekte antipathie was de eenige uitkomst van die kennismaking, en iedere poging tot hereeniging stuitte af op den onwil der jonge dame; want eenmaal zeker van zijne zaak, wilde de Prins zich liever door opdringen nog meer tegenmaken, dan door gewillig ter zijde treden eene achting of eene dankbaarheid uitlokken, die eindigen [ 293 ]kon met gevaarlijk te zijn. Als zij terugtrad, behield hij de erfenis van zijn oom en de gunst van den Kardinaal beide; dus hij vooral wilde zich niet blootstellen, en zoo bleef hij zich bereid verklaren tot de verbintenis, die men van hem wenschte. Lucienne was nog niet in den leeftijd, waarop van haar eene beslissing kon worden geëischt; maar in den lauwen atmospheer, waarin de Kardinaal haar nu nog liet voortleven, loeide reeds een vreeselijke storm, die eenmaal zou losbarsten; doch de luim der Koningin kwam tusschenbeide: Maria de Medicis had nu eene rustige schuilplaats gevonden aan het hof te Brussel, en zij zag in, dat zij die voor langen tijd zou noodig hebben, want alle onderhandelingen tot eenigen voegzamen terugkeer naar Frankrijk stuitten af op den vasten wil van den Minister; nu kwam in haar de gedachte op aan het kind, in Frankrijk terruggelaten, en de behoefte om lief te hebben, zonder mistrouwen, wekte het verlangen naar Lucienne in haar op; het meisje kende zij niet, doch Maria kende hare Valentine, en wist dus, dat de Barones in het hart van het kind de planten van hoogachting en liefde voor de Koningin zou hebben aangekweekt. Het was haar petekind, voor de wereld reeds eenigszins hare verwante door de Barones en de wees van hare trouwste vriendin; redenen genoeg om zich openlijk dien troost te durven geven in hare ballingschap; maar zij wist wel dat de Kardinaal haar dit niet zou inwilligen; Mijnheer en Mevrouw Fabroni waren toen juist in Parijs; de eerste bewerkstelligde, op ’t verlangen van Maria, eene schaking, waarbij Lucienne zelve, uit angst voor den dwang van den Kardinaal, zich leende met den uitersten goeden wil. Zoo ik alles had kunnen vooruitzien, ware die vlucht niet geslaagd; toen had ik liever mij zelven blootgesteld, dan mijne beschermelinge te verraden, — en zoo liet ik haar gaan. De Kardinaal woedde ook tegen mij, wien hij van medeplichtigheid verdacht, en die alleen aan medeweten schuldig was; dit houde ik voor de hoofdoorzaak, waarom zijne Eminentie mij bij de eerste gelegenheid de beste deed voelen, hoezeer ik in zijne macht was, en dat hij voortaan eene trouw van mij eischte, vrij van alle persoonlijke indrukken;… ook ben ik nu geheel de zijne… en de l’Espine scheen zelfverpletterd onder het wicht van die keten, zoo lang en toch zoo vast. [ 294 ]

— En daarom gaaft gij nu ook Lucienne prijs aan de intriguen van Mevrouw de Sourdiac?

— Neen, ik gaf haar niet prijs, want ik wist dat zij niets tegen haar zou kunnen uitvoeren; maar ik liet deze geworden, omdat ik werkelijk niet weder den schijn wilde hebben, de belangen van den Meester voor haar te verwaarloozen, hoewel ik, en met alle recht, vermoedde, dat ze niet veel gevorderd zouden worden door de uitvindingen van Mevrouw de Sourdiac.

— Op welke wijze dan dacht Mevrouw de Sourdiac de belangen van Frankrijk te bevorderen door de arme Demoiselle d’Arcy in verdenking te brengen? vroeg Diederik.

De l’Espine zag hem even aan en glimlachte:

— Och, mijne jonge vriend! dat is politiek, daar men op uw leeftijd nog niet veel aan heeft; ik vervolg, hoewel ik nog maar weinig te zeggen heb. Lucienne dan kwam veilig te Brussel; met de Fabroni’s zonder eenig belangrijk avontuur op zoo moeielijke reis.

Te Brussel ontving haar de Koningin met eene tederheid, die zich vooral openbaarde in groote zorge voor hare ziel. Hoewel Maria het geheim van haar doop kende en aangaande hare opvoeding met juistheid gissingen kon maken, geliet zij zich te gelooven, dat Lucienne tot de Kerk hoorde en deed haar als zoodanig de mis bijwonen — dwang, die het arme kind tot hiertoe zwijgend verdroeg uit aanzien voor de vrouw, die zij hare weldoenster noemde…

— Van dien dwang is zij ten minste nu bevrijd! sprak Diedrik met een zeker gevoel van blijdschap.

— Ten minste zoolang de Koningin hier nog in Holland vertoeft en in deze dagen voorzeker, want na hare openlijke toetreding tot de Calvinistische kerk is zij nog niet op ’t huis Honselaarsdijk teruggekeerd, en zij schreef mij te vreezen, dat de verzoening tusschen haar en de Koningin van de zijde der laatste moeielijk te treffen zou zijn, en dat het mogelijk was, dat zij haar niet naar Engeland volgde.

— O! maar dan blijft zij hier! riep Diedrik opgeruimd.

— Of ik geleide haar naar Frankrijk naar haar verloofde, mij geen kleinen dienst zou doen bij den Kardinaal.

— Tegen haar dank? vroeg Diedrik onrustig. [ 295 ]

— Neen; maar zij zal uit haar zelve die partij moeten kiezen, daar de Landgraaf van Hessen zoo weinig oprecht blijkt met zijne voorstellen, en zij toch niet al haar leven gast kan blijven op Heenvliet…

— Te Amsteldam is meer dan ééne gastvrije woning, zeide Diedrik.

— Voor eene Fransche Prinses?… vroeg de l’Espine met zekere beduiding.

— Wij hebben Koninginnen geherbergd! hernam de jonge man gevoelig.

— Ei kom! sprak Honthorst, het zal voor haar tot dit uiterste niet komen; de Prins zal middelaar zijn en ze zal wel meetrekken naar Engeland.

— En is ’t vertrek der Koningin reeds bepaald? vroeg de jonge Amsterdammer zacht.

— Eindelijk ja! de afreis van ’t huis Honselaarsdijk althans. Die zal zijn op den vijfden October aanstaande.

— Dus overmorgen! riep Diedrik, dien uittocht wil ik zien.

— Dat zou ik u gansch niet raden, sprak Honthorst lachend; dan raakt gij van avontuur tot avontuur ten leste mee naar Engeland.

— Wees gerust, ik zal nu niet in ’t Huis komen.

— En daarbij de Koningin gaat nog niet weg; al is ze ingescheept, sta ik nòg niet in voor haar vertrek.

— Dat zou toch wonder zijn, sprak Honthorst. Mijnheer Fabroni heeft nu in ernst zijn afscheidsgehoor gehad bij de Staten-Generaal; hij is ontvangen geworden met dezelfde eerbewijzen, die deze toestaan aan de gezanten van gekroonde hoofden, en dat zou dan slechts eene kluchtvertooning zijn: de Koningin zou daarna niet gaan…

— Ik kan alleen dit zeggen, dat zij nog altijd geene zekerheid heeft over hare goede ontvangst in Engeland.

— Arme Koningin!

— Ja ’t is erg genoeg; want bij dit plechtig gehoor, daarvan gij spraakt, is aan Monsignore Fabroni bedektelijk te kennen gegeven, dat de twee schepen, tot den overtocht der Koningin uitgerust, wel wat al te lang op hunne bestemming wachten te Goeree… [ 296 ]

— Ze moest dus wel tot heengaan besluiten; maar zij kan toch niet op zee dobberen, tot men haar in Engeland wacht.

— Daarom zeg ik, zal zij zich zeker niet overhaasten met inpakken.

— En is ’t portret af? vroeg Diedrik.

— Ja! het was niet meer in mijn vermogen het langer te rekken, hernam Honthorst, en ik verzeker u, dat het niet heeft ontbroken aan de noodige zindichten, Latijnsche kernspreuken, en fraaie gezegden, daarmede de poëten en fraaie vernuften, die de Koningin omringen, of die de Prinses in haar gevolg voert, dat geschenk hebben berijmd. en… vereeuwigd, dat die Koningin daarmede aan deze Vorstin heeft gemaakt.

— De beste vereeuwiging is toch het portret zelf; vervaardigd door uw penseel, kan het niet anders dan een onvergetelijk gedenkstuk blijven van het verblijf der Koningin in deze landen, sprak de l’Espine hoffelijk.

Honthorst boog zich, maar zeide:

— Vooral dan als Suijderhoeff daaraan zijne konste besteed zal hebben om ’t in koper te graveeren.

— Het is zeker, voor de konst kan deze doorreize van eene Medicis nog goede uitkomsten opleveren, sprak de l’Espine, want konstliefde zeker is haar als aangeboren; en de Ridder begon met Honthorst een gesprek over dat onderwerp, waarnaar wij moeten de waarheid zeggen, Diedrik zeker niet veel geluisterd had, want toen zij beiden verdiept waren in eene discussie over de bouworde van ’t Paleis Pitti te Florence, hoorden ze hem opeens uitroepen:

— Daar gebeure wat wil, ik zal het scheepgaan zien!

— Mijn goede vriend! keer dan eerst nog rustig eene week of wat naar Amsteldam, zeide de Ridder, terwijl hij hem bij den arm nam, en met hem het atelier verliet.