Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 214-215/Snippers

‘Snippers’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Limburger Koerier, zaterdag 24 december 1892, eerste blad, [p. 2]. Publiek domein.
[ eerste blad, 2 ]

Snippers.


Marietje: „Mama wat is tante toch dun.“
Moeder: „Dat noemt men niet dun, maar slank.“
Marietje (na een poos): „Mama wat is de koffie vandaag slank.“

– – –

Van zijn eigen standpunt beschouwd.
„Dit is mijlen ver in den omtrek het mooiste gezicht, mijnheer,“ zei een berggids. „Als gij hier staat, ziet gij niet minder dan twee-en-dertig herbergen.“

– – –

Een jong leeuwtje is opgegroeid tot een grooten leeuw, maar hij haalde nog altijd voorzichtig een stukje suiker uit den mond van den leeuwentemmer.

– Dat kan ik ook! riep een toeschouwer.

– – –

Een wijs besluit.
Mijnheer: Die couranten staan weer vol ongelukken over de spoorwegen. Ik zal in ’t vervolg maar met mijn velocipède naar de stad gaan.
Mevrouw: Maar je leest ook ieder oogenblik van ongelukken met velocipèdes.
Mijnheer: Ja maar dan zijn het ten minste niet zulke vreeselijke ongelukken. Dan heb je gewoonïijk maar een enkel slachtoffer.

– – –

Verzachtende omstandigheden. – Een gemeen sujet in Engeland zette de kroon op al zijne gruwelen en vermoordde zijn vader en moeder in één nacht. Hij werd gevat en stond terecht. De verdediger pleitte verzachtende omstandigheden.
– Ik ben benieuwd die te hooren, viel hem de rechter in de rede.
Dezen beklagenswaardigen man, mijneheeren, zult gij uw medelijden niet onthouden. Uw menschelijk gevoel gebiedt u dit. Het is bovendien een eisch der beschaving. De samenleving eener natie van millioenen zielen heeft er recht op de zwakken te zien verdedigen, hen, dio verlaten zijn, te zien beschermen. Zult gij edelachtbaren, die hier zit om het recht hoog te houden, ons dit weigeren? Zult gij wreed den man in het verderf storten, wien alle meuschenharten hun medelijden niet zullen onthouden. Hij is een wees, mijneheeren. Hij staat geheel alleen op de wereld . .

– – –

Sport. – „Wat is sport?“ vroeg men aan een jongmensch, dat aan den sporthemel geruimen tijd als een ster van de eerste grootte had geschitterd. – „Sport,“ antwoordde hij, „is iets, waardoor ik eenige sporten minder hoog op de maatschappelijke ladder geklommen ben dan ik voor de maatschappij en mijn geweten verantwoorden kan.“

– – –

Een nieuw woord. – Professor: Maar Meier, je kunt in ’t geheel geen opstel maken; je schrijft je moedertaal alsof ’t je schoonmoederstaal is.