Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Tweede brief

Eerste brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch (1800) door Anoniem (toegeschreven aan Stephanus Hanewinkel).

Tweede brief

Derde brief
Uitgegeven in Amsterdam door Saakes, Anthony Bernard.
[ 4 ]

TWEEDE BRIEF.

Geliefde Vriend S........!

Ik ben nu al te Loon op Zand, mijn Vriend! – Hadt Gij wel gedacht, dat ik reeds zoo ver weezen zou; en als Gij deezen brief ontvangt, wie weet, waar ik dan al zit. – Ik ging met het openen der poort uit Heusden, want ik houde 'er van, om op reize vroeg in de broek te weezen. Mevrouw Chapone[1] zegt, en zij is 'er hierömtrent wel achter: "Vroeg opstaan – eene goede schikking ten aanzien van den tijd te maaken, en zich standvastig daaraan te houden, is een wezenlijk deel eener goede huishouding."; – Hier hecht ik mijn zegel aan, doch voeg 'er bij: "en een noodzaaklijk vereischte op eene reize." Zie daar een lesjen voor elken, vooräl voor eenen wandelenden, reiziger!

Ik ging dan, gelijk ik zeide, vroeg uit Heusden, zijnde op even dezelfde wijze uitgerust als in het voorige jaar, uitgenomen dat ik mijnen geliefden Ossian met de werken van Cronegk en Kleist verwisseld had. – Ik nam mijnen [ 5 ]weg niet, gelijk eerst mijn voorneemen was, op Waalwijk, maar wandelde naar Drunen.

Drunen, het geen in oude tijden Oven, Uden of Haven zou geheeten hebben, is op zichzelven geen schoon Dorp; doch het geen deeze plaats veräangenaamt, is, dat men hier daaglijks, als men wat nieuwsgierig valt, veel nieuws, leugens zoo wel als waarheid, kan hooren, wijl 'er op elken dag posten uit Holland en ook uit 's Bosch en Breda aankomen, dit maakt het hier nog al wat levendig. – Ik liep dit Dorp wat door, om het te bezien, at 'er gerust mijn middagmaal, en hoorde 'er niets bijzonders. – Men ziet hier een schoon Kasteel en eene maatige Kerk, doch die niet onder de prachtige gebouwen mag gerekend worden. Dit is alles. Op den namiddag wandelde ik naar Waalwijk, waar ik mij eenige dagen heb opgehouden.

Waalwijk is een aanzienlijk en schoon Vlek, hetgeen in den jaare 1203 van Hertog Jan II. Stad-gerechtigheden ontving. – Dit Dorp heeft eene goede haven, en 'er word veel handel gedreeven, vooräl in zout, het geen men van Dordrecht haalt, en door de geheele Majorij vervoerd word onder den naam van Waalwijks-zout. 'Er ligt hier een straatweg, dit is iets bijzonders in een Majorijsch Dorp. – De Kerk is een ruim en luchtig gebouw; de tooren staat midden op het kruis derzelve, en kan dus, gelijk Gij van zelfs begrijpt, niet zwaar weezen. – In het jaar 1454 wierd hier een Nonnen-klooster gebouwd, bekend onder den naam van Nazareth, doch men ziet [ 6 ]thands geen spoor meer van hetzelve. – Als iets aanmerklijks mag ik hier bijvoegen, dat men in dit Dorp geen enkel plekjen gronds aantreft, het geen onvruchtbaar is, daar andere Dorpen integendeel veele onbebouwde streeken, vooräl woeste heigronden bezitten. – Zie daar alles, wat ik van dit Dorp thands weet, en om 'er U meer van te zeggen dan ik weet, dat zou eene groote kunst weezen, – 'Er ontmoetede mij hier niets bijzonders.

Het is den Geleerden bekend, dat in voorige tijden door de Roomschen, enkel uit haat, een boekjen verdicht is, onder den titel van Stigma Calvini. Dit boekjen word onder de zeldzaame werken geteld, en men kan het niet wel als voor eenen zeer grooten prijs bekomen, omdat de Roomschen, zich over dit vuiläartig lasterschrift schaamende, wijl het hun ten groote schande verstrekt, het hebben zoeken te verdonkeren[2]. Nogthands word die leugen, dat Calvijn te Noijon in Frankrijk zou gebrandmerkt zijn, nog het gemeene Volk in de hand gestopt, en ook nog van alle Roomschen in de Majorij geloofd. Bij geval kwam mij hier het leven van Tijl Uilenspiegel in handen, ik bladerde hetzelve door, en vond 'er onder andere leugens, die een Roomsche nogthands als een Euängelie gelooft, het volgende in: Uilenspiegel kwam eens bij den [ 7 ]Paus, deeze vraagde hem, of hij, als Luther en Calvijn eens wierden opgegraaven, dan deeze lijken wel zou weeten te onderscheiden, en hij gaf ten antwoord, dat hij Calvijn wel zou kennen aan het brandmerk, dat hij op zijnen rug had. – Wat dunkt U van deeze schaamtelooze leugen, die men het domme volk als eene zuivere waarheid op den mouw spelt? – Onder de Roomschen in de Majorij gaat ook een spreekwoord in zwang, het geen ik wel eens de kinderen langs de straaten hoorde schreeuwen:

"Jan Calvijn is in de hel;
"Dit weeten al de Geuzen wel."

vervolgends ging ik over den Kaatsheuvel, zijnde een gehucht, dat eigenlijk onder Loon op Zand behoort, naar dit laatstgemeld Dorp. – Op den Kaatsheuvel woonen veele zwavelkramers, welke overäl heenen zwerven met eene mande vol zwavel-stokken op den rug, om die te verkoopen; dit is eene ellendige koopmanschap, en evenwel winnen zij 'er den kost mede, want zij bedelen, als zij iets verkoopen, nog altijd om wat eeten op den koop toe; en dit wordt hun zelden geweigerd. – Ontmoet men ergens eenen zwavelkramer, en vraagt men hem, of hij niet op den Kaatsheuvel woont, dan antwoord hij altijd: neen! maar te Loon op Zand. Wat hier van de reden zij, weet ik niet, of zij moeten zich schaamen, wijl de inwooners van dat gehucht bij de Majorijënaars den besten en [ 8 ]eerlijksten naam niet hebben; doch ik kan U verzekeren, dat zij zoo goed zijn als ergens elders in de Majorij; 'er is mij ten minsten niets ontmoet.

Nu iets van Loon op Zand. – Het draagt, deezen naam wegens de menigte Zandduinen en Bergen, die 'er digt bij liggen; ook word het wel eens Venloon of Veenloon genoemd, van de Veenen, die men hier vind. – In den jaare 1737 brande dit Dorp bijna geheel af, doch het wierd weêr geheel herbouwd, en herrees weêr uit zijne asch, zoodat men niets meer van die verwoesting kan merken. – Dit Dorp is ook de plaats, waar Breauté vernachte, en, waar hij, wijl hij Roomschgezind was, zich biechte en voor zich de misse liet leezen, eer hij het bekend gevecht met Gerard Abrahamsz of Lekkerbeetjen op de Vuchtsche heide ondernam. – Men ziet hier eene groote Kerk, voorzien van eenen hoogen tooren; 'er ligt ook een fraai Kasteel van den Heer en schoone Bosschen; men houd Loon op Zand voor de beste en voordeeligste heerlijkheid der geheele Majorij. – Ook hier ontmoetede mij niets aanmerkenswaardig; ik verlaat dus eerstdaags dit Dorp, en gaa dan naar..... ja ik weet het zelf nog niet, mijn volgende brief zal het U wel zeggen, dan hoop ik U ook meer belangrijke zaaken te kunnen mededeelen, en ook wat nieuws, wen het mij tegenkomt, doch veel nieuws, zegt men in de Majorij, is zelden wat goeds. – Ik ben en blijf altijd geheel de

Uwe.
  1. Brieven tot verbetering van het gemoed. VIII. Brief. Bladz. 139.
  2. Zie onder anderen P. Nieuwland, Letterkundige Verlustigingen, I. Deel, Bl. 219–227.