Uit stilte en strijd/Het kwartier

[ 37 ]

XVI.

HET KWARTIER.


Toen viel een gat in mijn droom
En een koele klok sloeg het kwartier
  Door den zwijgenden nakenden nacht,
   En ik voelde mijn oogen wijd open —
    Die zagen stil
     In den nacht.

Maar ik lag in een doodstille kuil
En ik keek in het donker heelal
  Verwonderd en wakker naar het geluid
   Van het eenzame koele kwartier —
    Dat al zweeg
     In den nacht.

En toen opeens, dwars door het duister,
Zag ik het werklijke leven
  En voelde ik duidlijk de tijd —
   Die spoelde voorbij — en vervloot —
    Met mijn jeugd — met mijn jeugd —
     In den nacht!