[ 91 ]
 

BOOMEN IN DE STEDEN.

Een vervolg op het voorgaande.

 

 

 
k was onlangs in een groote inrichting hier te lande, die ik om goede reden niet wil noemen, en hoorde daar dat door gezaghebbenden de leer verkondigd was, dat de boomen en heesters niet gesnoeid moeten worden, zoodat snoeien daar ook bepaald verboden was.

Dit herinnerde mij een soortgelijke leer, indertijd door den Hoogleeraar de Vriese verkondigd, en tengevolge waarvan, een paar jaren voor dat ik in den Leidschen Akademietuin in functie kwam, het snoeien daar geheel was nagelaten.

Niet weinigen zullen geneigd zijn dit denkbeeld, dat ze niet eens de moeite van er over na te denken waard achten, eenvoudig bespottelijk, en de toepassing ervan dollemanswerk te noemen.

Maar dit zou dan toch wel een beetje voorbarig zijn.

In het afgetrokkene beschouwd, is zulk een leer inderdaad zeer goed te verdedigen; ze berust op goede gronden, en het [ 92 ]gaat dus niet aan, er maar zoo zonder complimenten den staf over te breken.

Ze is zelfs zoo natuurlijk, dat hij, die van plantencultuur niets afweet, die leek is in alle opzichten, alleen reeds door overweging tot hetzelfde beginsel komt.

Ik dacht daaraan, toen ik kort geleden, in een der Leidsche Couranten, een ingezonden stuk las, waarin iemand, die met veel schijn van gezag over het boomensnoeien sprak, met een stuk of wat goedkoope uien, door middel van welker krachtig sap hij de lezers tranen (van 't lachen) uit de oogen meende te persen—overigens een niet zeer keurig middel om hen voor zijn betoog te winnen,—uitvoer tegen het zomersnoeien der boomen. Daarbij werden menschen aan de kaak gesteld, die volgens hun beste weten handelden, en die (een degelijk zaakkundige verklaarde het daarna openlijk) goed werkten, en derhalve heel wat anders verdienden dan door leekewijsheid berispt te worden.

Wat toch was het geval.

Vroeger stonden langs het Rapenburg zware Iepeboomen. Deze had men jaarlijks aan de zijde der huizen geschoren, maar aan den waterkant rustig laten doorgroeien. Door deze zeer onoordeelkundige behandeling jaren achtereen vol te houden, werden die boomen natuurlijk zeer eenzijdig en overwichtig, zoodat ze gevaar liepen, bij een zwaren zomerstorm omvergerukt te worden.

Ze hielden het echter staande, hoewel het gevaar met ieder jaar grooter werd.

Toen er echter eindelijk eenigen ziek werden, en de meeste overigen blijkbaar ook hol waren, besloot men die misvormde boomen te rooien.

Daar ging natuurlijk een storm van verontwaardiging tegen [ 93 ]op, want ze gaven zulk een frissche schaduw; als men ze door jonge boomen verving, zou het tegenwoordige geslacht daar niets meer aan hebben, enz.[1]

Toch werden ze, op weinigen na, opgeruimd, en toen ze lagen en stuk gezaagd waren, hielden de pruttelaars zich stil, want nu bleek het dat er geen een gave stam bij was, en dat ze inderdaad voor de veiligheid gevaarlijk waren.

Er kwamen betrekkelijk zware jonge boomen voor in de plaats, die toevallig in een ander gedeelte der stad overcompleet waren. Deze werden met zorg geplant, en ze groeiden uitmuntend.

Door de ondervinding van vroeger geleerd, houdt men daar nu geregeld de hand aan. De takken worden nu en dan 's winters wat gedund en in den zomer, als men goed over den vorm kan oordeelen, worden ze wat ingekort.

Op die wijze wordt dat ruwe hakken later overbodig.

Dit is oordeelkundig werken en verdient zeker goedkeuring.

Maar nu komt er een betweter, die zegt dat men ze mishandelt. „Niet snoeien, nog veel minder hakken, maar de de boomen laten groeien, zooals de Natuur het wil", dat is de leer waarmee geschermd wordt.

En velen juichen die toe; ze verwenschen die snoeiers, ze noemen het tijd- en geldverbeuzelen, bovendien boomenbederven.

Maar ze vergeten dat, als men hun raad volgde, men over weinige jaren weer boomen zou hebben, die de huizen donker en vochtig maken; dan zou men er de bijl in moeten zetten, en men had na korten tijd weer in den grond bedorven boomen.

[ 94 ]In beginsel, en dit mag niet vergeten worden, hebben ze gelijk; ze bedenken echter niet dat alle goede beginselen niet onder alle toestanden gelijkelijk in toepassing kunnen gebracht worden.

Een boom, een heester zal zich nooit beter ontwikkelen dan wanneer men de Natuur voor kweeker laat spelen. Die is daarin knapper dan de knapste van ons; maar dan moet men haar in alle opzichten vrij spel laten, en zich er in 't geheel niet mee bemoeien.

Dit gaat nu wel in het bosch en op 't veld, maar niet in onze tuinen en parken of villa's en ook niet in onze steden. Daar behoort orde te heerschen. Als de Natuur en de kweeker ergens beiden tegelijk den baas. willen spelen, loopt de boel in de war.

Een tuin, villa of park is geen bosch, geen stuk vrije, ongerepte Natuur. 't Lijkt er niets naar. 't Is een product van kunst, dat men uit natuurvoortbrengselen heeft samengesteld. Laat men dat verwaarloozen, dan verliest het zijn karakter, zonder dat er een ander eigenlijk karakter voor in de plaats komt; het wordt karakterloos; niemand begrijpt wat men er mee wil, en niemand zal het schoon vinden.

Door de boomen en heesters in een tuin aan hun lot over te laten, zullen ze eindelijk zoo verwilderen, dat ze later niet meer te temmen zijn. En, men vergete het niet, in een woonhuis mag een tamme kat goed op haar plaats zijn, met een wilde joeg men de menschen de deur uit.

Dit is vroeger in Leidens Hortus, als het natuurlijk gevolg van bovengenoemden maatregel, ook gebleken; gelukkig dat men reeds na een paar jaren inzag, dat hetgeen zeer mooi en zeer waar is in theorie, ons in de practijk heel aardig lek zou kunnen doen varen, als we niet zeer goed op onze hoede waren.

[ 95 ]Ik kan mij een groot park voorstellen, waarvan men best een stuk kan missen, alwaar men dan aan de Natuur vrij spel laat. Als dit niet te klein is, kan het wat goeds, zelfs iets uitstekends geven, vooral wanneer het terrein geaccidenteerd is, en men er hoogten en laagten, ook water voor een moeras in aantreft.

Wat meer zegt, ik heb iets dergelijks vóór jaren gezien te Rotterdam, waar nu het Park is; alleen met dit verschil, dat hier de geheele plaats verwilderd—volkomen verwilderd—was. Dat was in veel opzichten schoon, zeer schoon zelfs.

De toenmalige eigenaar, de heer V., had die plaats jarenlang bewoond, zonder er iets aan te doen; hij leefde er stil met zijn boeken en liefhebberijen; hij gold voor een filosoof, en was dit ook in zeker opzicht. Maar hoe schoon, hoe idyllisch het in vele opzichten ook was, toch was het, wel beschouwd, een onding; het droeg te zeer het karakter van verwaarloozing; vrije ongebonden natuur is nog heel wat anders.

Maar dit is een uiterste, zegt men, zoover wenscht hij die tegen het snoeien is, niet te gaan.

Dit weet ik ook wel, maar ik weet evenzeer dat hij zal eindigen met tot de erkenning te komen dat zijn theorie faalde.

Verwilderde boomen in een stad of in een tuin gelijken een spiegel met vlekken en spinrag in een kamer, een Venus met een floddermuts op in een museum.

Men moet ze binnen zekere grenzen houden; wat zeer mooi is als het volkomen harmoniëert met de omgeving, wordt leelijk op een andere plaats. Een boom met wijduitgespreide takken, waarvan er zelfs een, door den wind geknakt, bij neerhangt, kan schilderachtig zijn, nog schilderachtiger zelfs als hij scheef gewaaid is, maar hij behoort noch in een tuin, noch in een stad.

[ 96 ]Is de tuin groot, dan kan men er enkelen, van welken men weet dat ze die vrijheid niet zullen misbruiken, aan hun lot overlaten. Een zware Kastanjeboom, een Plantaan, ook een Iep en meer anderen maken, geheel aan zich zelf overgelaten, een prachtig effect, mits ze ruim staan; maar zie dan ook eens wat een ruimte zij reclameeren.

Dit gaat niet in tuinen van middelmatige grootte en nog minder in de steden, tenzij een enkele midden op een groot plein msischien.

Of ik nu hiermee wil zeggen dat men alle boomen en alle heesters naar hetzelfde model moet knippen en scheren?

Volstrekt niet; dit begrijpt men ook wel beter. De uitersten liggen hier trouwens ver van elkaar af, en die met overleg te werk gaat, zal van zelf wel begrijpen dat hij zich daarbij naar bijzondere toestanden moet regelen, en zich niet van de wijs laten brengen door de jeremiaden van betweters, waaraan tegenwoordig geen gebrek is.

 

 

  1. Dit werd geschreven in 1885. Die nu de jonge boomen daar ziet juicht over die verandering.