Album der Natuur/1854/Walvischvangst Brazilië, Ver Huell

De Walvisch-vangst in de Baai van Allerheiligen op de Kust van Brazilie (1854) door Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell
'De Walvisch-vangst in de Baai van Allerheiligen' werd gepubliceerd in Album der Natuur (derde jaargang (1854), pp. 249–253. Dit werk is in het publieke domein.
[ 249 ]
 

DE WALVISCH-VANGST

in de baai van Allerheiligen op de kust van Brazilie.

 

 

Tijdens mijne krijgsgevangenschap te St. Salvador in de baai van Allerheiligen, op de kust van Brazilië, nu meer dan zeven en veertig jaren geleden, bragt ik eenigen tijd door, in het gezelschap van mijnen bevelhebber en vriend wijlen den Kapitein ter zee W. Kreekel, op een klein buitenverblijf, op een korten afstand zuidelijk van de stad gelegen aan den zoom van den bergrug, die zich tot Kaap St. Anthonio uitstrekt, en waarop de stad gedeeltelijk gesticht is.

Het was voor de eerste maal van mijn leven, dat ik mij onder eene andere hemelstreek, in een ander land, dan mijn vaderland bevond; en dat land, die hemelstreek, was het heerlijkste gedeelte van Zuid-Amerika, gedompeld in de gloeijende stralen van de keerkringszon. Moest zulk eene krachtvolle, geheel vreemde Natuur, niet een diep treffenden indruk op mijn jeugdig gemoed maken?—Geen wonder dat het gewoonte, ja bijna behoefte voor mij geworden was, om voor het aanbreken van den dag, aan den rand van den steilen bergrug, met een heerlijk ver-gezigt over de ruime baai, op een rotssteen gezeten het opgaan van de zon af te wachten,—dat majestueus natuurverschijnsel in de keerkringsgewesten, waar de schemering, door het loodregt rijzen der zon uit de kimmen, van zulk een kortstondigen duur is.

Zoo was ik dan weder eens op een vroegen morgen ter dier plaatse verzonken in de beschouwing van het tooneel, dat zich voor mijne oogen uitbreidde. Alles werkte mede om dit stil, geestverheffend genot te verhoogen; geen kille huivering, zoo als in onze noordelijke streken, trilde mij door de leden. Hier, omringd van eene hartverkwikkende natuur, ademde ik met volle teugen de balsamieke geuren der bloeijende oranjes, mangas en andere welriekende gewassen in, die met de geestopwekkende frischheid van het nachtelijk koeltje de fijne lucht vervulden. Dunne daauwwolken hingen over het donkere, door den sterrenglans slechts schemerachtig verlicht landschap om [ 250 ]mij heen, en strekten zich van het hellen des bergs, als een doorschijnende grenzenlooze oceaan, voor mij uit. Alleen de bladkroonen der kokospalmen wiegden, boven den nevel verheven, de liefelijke kruinen, zacht ritselend, tegen het donkere, met fonkelende sterren bezaaide azuur des hemels. De natuur sluimerde nog; stilte heerschte alom, slechts afgebroken door het gelui der klokken van de talrijke kerken en kloosters in de afgelegene stad, dat bij tusschenpoozen, door het ongestadige briesje gedreven, als zachte orgeltoonen door de lucht trilde. De vromen werden ter messa da madrugada[1] opgeroepen.

Het azuur des hemels werd helderder; allengs verdoofden zich de sterren. De dageraad streefde den gloeijenden zonnewagen vooruit, trok als een ontzaggelijk gordijn uit het oosten naar boven, en overtoog den nevel met schitterende tinten van rozenrood, purper en goud. Eensklaps schoot de zon een straal van vuur door dezen prachtigen sluijer, waarmede zich de dageraad omhuld had.—Als van eerbied en ontzag voor den koning van den dag getroffen, rolde zij dien in een oogenblik weg. Alles was gloed en licht, tintelend als diamanten op de met daauw besproeide bladeren van boomen en planten.—Nog een oogenblik te voren voor mij onzigtbaar, strekte zich nu, kalm en effen, als eene reine spiegelvlakte, de ruime baai met al hare vruchtbare en boschrijke eilanden voor mij uit.—Plotseling werd ik in mijne bespiegelingen gestoord. Met verbazing vielen mijne blikken op een tafereel beneden mij, dat mij het grootste belang inboezemde. Niet zeer ver van het strand verwijderd, omringden een aantal sloepen een Walvisch, in volle bedrijvigheid om het zeemonster te bestrijden.—Zonder mij een oogenblik te bedenken, en vergetende mijn bevelhebber van dit voorval kennis te geven, ijlde ik, een smal kronkelend pad volgende, den stellen bergrug af. Aan het strand van klip op klip springende, gelukte het mij zoo nabij te komen, dat ik duidelijk de aanmoedigende kreten der bootslieden boven het plassen der riemen hooren kon.

Hoe zal ik in flaauwe woorden al het treffende beschrijven, waarvan ik ooggetuige was?—Met starende blikken, naauwlijks achtslaande, dat de hevige beroering van de zee nu en dan de golven [ 251 ]over de klip heen spoelde waarop ik stond, sloeg ik alle bewegingen gade;—ik zag hoe bij iedere lans, door de vermetele bespringers in het kolossaal gevaarte geworpen, met een brullend sissend geweld breede waterstralen naar boven spatten,—hoe het zich dan als eene zwarte rots met den ontzaggelijk grooten en breeden kop boven de schuimende golven verhief, om daarop in de diepte neder te schieten, met den breeden staart de zee slaande, die in sneeuwwit schuim opstoof, terwijl de slag, door de echo herhaald, als een doffe donder langs het hooge strand weergalmde en voortrolde. Met onbegrijpelijke vlugheid hadden zich alle sloepen van het getergde dier verwijderd, en nu stond in iedere sloep een man met den eenen voet op den voorsteven, den anderen binnen boord, de lans in de opgeheven vuist trillende, gereed, den walvisch, die om adem te halen weldra uit de diepte moest opstijgen, nieuwe wonden toe te brengen.—Niet lang duurde het, of ik zag de sloepen met eene vermetele stoutmoedigheid eene groote zwarte oppervlakte, die zich langzaam uit de zee verhief, zoo nabij komen, als of zij er op zouden stooten; en naauwelijks was het zeewater uit de holle neusgaten met geweld uitgedreven, of de lansen werden met juistheid en vlug in de glinsterende huid geworpen,—en wederom, als door eene hevige stuiptrekking bevangen, schoot het zeemonster buitelend en worstelend met de schuimende golven, vreesselijk met staart en vinnen slaande, naar beneden. Het arme dier scheen met woede en angst tegen die onafgebroken folteringen te kampen. De slagen met den staart werden menigvuldiger, de zee kookte; de worsteling met den dood was genaderd, geen oogenblik rust werd gegund, de tusschenpoozen van het duiken, alsof het dier hijgde naar den adem, werden hoe langer hoe korter; dikwijls verdwenen de sloepen in de wolken van schuim, en ik vreesde dat een of meer daarvan het slagtoffer van het razende dier waren geworden; doch te midden van dit rumoer lieten de bestrijders niet af, hunne prooi af te matten, en met aanmoedigende kreten wedijverden zij in het braveren van alle gevaar. Eindelijk scheen het mij toe, alsof de stralen water zich met minder kracht verhieven, en in steeds korter tusschenpoozen. Het was de laatste strijd tusschen leven en dood. Dat dit werkelijk zoo was bevestigde zich, daar de [ 252 ]sloepen eenen wijden kring om hunne prooi sloegen, kalm en rustig de laatste doodsstuipen er van afwachtende; deze waren kortstondig, maar boven alle beschrijving hevig. Het gevaarte verrees uit de zee en stortte in de diepte, sloeg met staart en vinnen, terwijl de ontroerde watervlakte schuimende zich in golven verhief, waarvan de deining tegen het rotsig strand opstoof.—Eindelijk verscheen de walvisch bewegingloos, om niet weder te zinken.—De zee bedaarde, werd effen en kalm, even door het morgenbriesje gerimpeld. Het scheen mij toe, alsof eene krampachtige trillende beweging de geheele zwarte oppervlakte van het logge ligchaam schokte. Al de sloepen naderden nu; een man sprong op het dier, en hechtte er eene lijn aan vast, terwijl de sloepen, ten teeken van de zegepraal, vlaggen, prijkende met de beeldtenissen van heiligen, opstaken. Allen spanden voor om den dooden walvisch naar kaap St Anthonio, alwaar zich eene traankokerij bevond, te boegseren.

Ik haalde mijn bevelhebber over, om naar kaap St. Anthonio te wandelen, en te zien hoe men met den Walvisch verder zoude te werk gaan.

Op het zeestrand komende, was eene talrijke menigte volks bezig, door middel van kaapstanders, het gevaarte, dat bijna op het drooge lag, nog hooger op te winden.

Thans omringd van die wemelende menigte en vergeleken met de grootte van den mensch, verbaasden mij de buitengewone lengte en hoogte van dit reusachtig schepsel, dat bij meting bleek ongeveer 85 voeten lang te zijn, en wij maakten de opmerking, dat het oorlogsvaartuig, waarin wij met een vijftigtal reisgenooten, wind en golven braverende, over den grooten oceaan, tot naar de Oost-Indiën zouden gestevend hebben, slechts eene lengte van 75 voeten had.

Toen de walvisch hoog genoeg op het strand gewonden, en van eene tallooze menigte lansen ontdaan was, toog men met ijver te werk, om het spek af te snijden: ten dien einde klauterden eenige mannen, met groote breede messen, aan lange steelen bevestigd, op het dier, en begonnen het spek van den kop naar den staart in lange roepen tot op het vleesch door te snijden; vervolgens om [ 253 ]ieder reep eene talie slaande, werd die, naarmate het spek van onderen van het vleesch door middel der messen werd weggesneden, doorgehaald. De geheele, dus afgeschilde reep, wierp men in kleine stukken gesneden in den traanketel.

Wij vernamen nu van een der hoofden van de walvischvangers, dat men bijna den halven nacht had doorgebragt om het dier te dooden, dat naar alle waarschijnlijkheid door den angst verwilderd het strand zoo nabij was gekomen.

Terwijl wij hier rondwandelden, waren wij getuigen van het inzegenen der walvischsloepen, die, op het strand gehaald, af zouden steken ter vangst. Eenige geestelijken naderden langzaam en eerbiedig; al de omstanders namen de hoeden af; na het prevelen van een kort, onverstaanbaar gebed, werden al de voorstevens een voor een met wijwater besproeid, en telkens maakten al de aanwezigen het teeken van het kruis, waarna de sloepen te water werden geschoven. Nadat een walvisch geharponeerd, en aan een der sloepen met eene zeer lange lijn bevestigd is, geraakt hij zelden verloren, en het is alleen door afmatting, dat het arme dier, in weerwil zijner vreesselijke krachten, onder al die folteringen bezwijken moet; want de behoefte om te ademhalen noodzaakt het om spoedig uit de zee op te rijzen, waar zijne rustelooze vervolgers het afwachten. De lansen zijn ongeveer twee voeten lang, zeer scherp toeloopende, van boven als een koker in een langen stok van ongeveer zes voeten lengte sluitende; niet ver van de lans is eene lijn bevestigd, dienende om den stok terug te halen, nadat de lans geworpen is. Dit vereischt veel oefening, want de stok moet, handig en vlug, zoodanig bestierd worden, dat het ijzer bij het terug halen niet in den stok beklemd geraakt.

Van het vleesch, dat geene waarde bezit, maakten zich de negers meester, die het op hunne wijze bereiden, om er zich mede te voeden; uit een aardigheid namen wij een stuk mede en lieten er ragoût van klaar maken. De smaak was geenszins tranig, en zweemde naar ossenvleesch; alleen de buitengewone dikte der vezels maakte dit geregt onoogelijk.


 
  1. Vroege Mis.