Eli Heimans (1906) - Met kijker en bus/33

XXXII.
Brombergshöhe
Met kijker en bus: schetsen uit het leven van planten en dieren (1906) door Eli Heimans

XXXIII. Naar Lautenthal

XXXIV.
Orchideeënjacht
Met kijker en bus is een boekje, waarin stukken van Heimans in De Groene Amsterdammer zijn gebundeld. Het werd gepubliceerd in 1906 te Amsterdam bij Van Holkema en Warendorf. Dit werk is in het publieke domein.
[ 208 ]
 

XXXIII.

Naar Lautenthal.


 

Gelukkig duurde de regen maar kort; we stapten den hoofdweg naar Lautenthal op en daar kregen we onzen eersten toerist in 't oog. Een Berlijner met een houten fiets aan de hand. Hij ried ons aan, een korteren zijweg te nemen; die zou ons in twintig minuten "unten" in Lautenthal brengen. Hij zelf ging ook mee, dat wil zeggen een eindje, want zijn fiets beliefde het niet verder.

't Was of dat ding leefde, het trok en sleepte en rukte den man voort of 't een varken aan een touw was. Hij moest het wiel zijn zin geven en 't de vrijheid laten, om hals over kop naar beneden te duikelen—òf zelf een minder sterk dalenden weg kiezen, den weg dien hij ons had afgeraden omdat hij niet zoo mooi was als deze, der jäh hinunter jeht. Hij smeet, dood op en ten einde raad, zijn fiets omver ging er bij liggen uitblazen, en wenschte, nog hijgend, ons verder goede reis. En wij hadden er zelf ook nog over gedacht, onze fietsen mee te nemen!

Hoe wij dat eerste gedeelte van den weg van de Sternplatz tot halfweg Lautenthal, eigenlijk een voetpad, nog kletsnat en glibberig van den regen, zonder hals- of beenbreken hebben ten einde gebracht, begrijp ik nog niet.

Als ik er nu achteraf aan denk, ook aan die wippende fiets, [ 209 ]moet ik nog lachen en eventjes rillen te gelijk. Het pad begint op circa 500 М. hoogte en Lautenthal ligt op 260 М. In twintig minuten dus een daling van 240 M. ongeveer. Dus vier Westertorens op elkaar, en een bruggetje waarover ge van boven naar beneden, b.v. naar den koepel van 't Paleis van Volksvlijt moet, die maar een halven Westertoren hoog is.

Of nog beter stel u eerst zoo'n hellend vlak voor ontdaan van een omgeving, het pad nu in een vorm van een keldertrap van een paar kilometer lengte. Maar dan met zeer onregelmatige hobbelige treden; nu eens een meter dan weer een paar centimeter van elkaar; eigenlijk blauwe stoepsteenen met natte klei besmeerd en met glibberig mos beplakt. Die treden, nu breed dan smal en hellend naar voor of achter, rechts of links; haast nooit vlak; met hindernissen in de gedaante van een omgevallen boomstam, een spitse kei rechtovereind op een trede, een vergadering van slakken die je bij 't snelle afhollen niet vermijden kunt, een spleet waar je vooral je hak niet moet inzetten, een watervalletje neerstortend uit een rotspartij in de hoogte en zoo meer.

Dat is allemaal nog niets, als je in 't geheel niet belieft te letten op de omgeving van de reuzentrap. Maar dat kon ik niet laten, het was er al te mooi. Roep in uw verbeelding bijeen: al de bosch- en bergdecoraties van opera- en comedievertooningen, die ge in uw leven gezien hebt, hoe schilderachtiger hoe fantastischer hoe beter. Achtereenvolgens ziet ge ze hier bij 't snelle dalen aan uw oog voorbijgaan, maar dan in de volle duizendmaal schooner werkelijkheid, nu eens boven u, dan in de diepte, vlak bij of ver af.

Halverwege ongeveer werd 't mij te machtig; dat voor de voeten kijken namelijk, om niet in de diepte rechts of links neer te storten, en dan tegelijk een blik gunnen aan het onweerstaanbaar [ 210 ]mooie berglandschap. Ik voelde dat ik duizelig werd en bij de eerste de beste rotspunt, die de trap bijna raakte en even een leuning vormde, greep ik me vast en hield me tegen. Ik riep: "stop, stop!" "Loop door, loop door!" schreeuwden de luidjes achter me, maar ik kon niet meer; één oogenblik later kwam de schok en hingen wij drieën als een klomp, geplakt tegen den steenen muur. We lachten hartelijk van de schrik, en besloten eens te rusten. De steenen trede, die was wel wat vuil en nat; daarom een eindje tegen de overhellende rots opgeklauterd en eens uitgeblazen.

We waren zoo wat op de hoogte van de boomkruinen, waarop we een paar uur te voren van de Bromberghöhe neergekeken hadden. Die steil uit het dal opstijgende steenhelling hadden we nu voor ons op een drie honderd meter afstand. Daartusschen, afdalend van een derde van den top zoowat, liep een hellende vlakte met bosch begroeid langs onze zitplaats en schoof verder naar links in de diepte weg. Achter ons stegen begroeide rotsen als terassen omhoog naar den grooten weg, die in slingerbochten met veel minder verval naar Lautenthal voert. Ook dat was een heel belangwekkend gezicht voor ons laaglanders; die opeenstapeling van hoekige grillige blokken, begroeid met allerhande struiken, met koraalvlier vooral, waarin de bloedroode trossen gloeiden als vuur; overal: afhangend in guirlandes, bloeiende witte clematis; en op de kale punten weer de roode fakkels van vingerhoedskruid.

Maar veel mooier en indrukwekkender werkte het schouwspel tegenover ons. Daar lag het lange en breede glooiende bosch, steunend tegen den ontzaglijk hoogen witten rotswand, als een groote tuin aan de binnenzijde van een kasteelmuur. Geen effen hellende mosbodem evenwel; maar een sterk golvende, met hier en daar donkere diepten, geheimzinnige [ 211 ]grotten tot diep in den bergwand; daaruit groeiden sparren, met toppen die, sterk overhellend, een enkele bijna waterpas groeiend, het licht zochten.

Diepe groene voren doorgroefden [ 212 ]de vlakke plaatsen en lieten op een enkele plek een schitterstreep zien; dat waren beddingen van beken. Uit een van die lange kloven, dicht bij ons in de diepte, staken eiketoppen omhoog; een andere "Schlucht" had één wand dichtbemost, en op de bocht, waar zich de tegenoverliggende naar ons toe wendde, lag de gelaagde steenmassa bloot, prachtig geel gekleurd met violette strepen.

Op een waterpas gedeelte stond heel alleen een krachtige eik; een reus, zoo een als van een plaatje, met knoestige wortels, die als slangen over 't mos aan zijn zijn voet kropen, een korten dikken stam en een ontzaglijke kroon, gedragen door mansdikke kronkelarmen. Het was er zoo stil dat wij onzichtbare beekjes in de kloven hoorden ruischen, en zoo warm vochtig, dat het mos glinsterde van waterdroppels; in de verste verte hing een vage nevel over den bodem, die de boomvoeten omhulde en ze deed oprijzen uit een blauwwit meer.

Bloemen op den bodem bloeiden er niet, althans niet merkbaar; maar zooveel te meer keken de paddestoelen uit alle hoeken en gaatjes; tot op de boomen en de schijnbaar kale steenen toe, sprenkelden ze groote gele, bruine, roode en violette plekken; uit een zware doode beukestam, die half verzonken lag in 't dikke mos, staken een paar rijen van honderd glanzend witte parapluutjes op, zoo ver als de stam reikte. Rondom een berk, die met zijn blinkend witten stam een snede gaf in 't groen, scherp als met een mes getrokken, stonden, in een wijden krans om den witten voet, een menigte vlamroode vliegenzwammen; verbazend groot, een vurige heksenkring; en van een van de zwaarste lage takken van een donkeren naaldboom hing een lange grijze mosbaard neer, die den grond bijna raakte.

Het was een decoratie voor een sprookjesbosch en het zou [ 213 ]ons maar matig hebben verbaasd, tooneel-kabouters te hebben zien opduiken uit de donkere poorten van de boomwortels.

Maar die kwamen niet; wel daalde er weer eens een gewoon mensch het trappenpad af, een inboorling, beter voor zoo'n cassecou gekleed en gewapend dan wij; hij manoeuvreerde met zijn bergstok zoo netjes, dat 't ons een lust was.

We maakten natuurlijk een praatje; het was een jongmensch van een jaar of zeventien: zijn bagage droeg hij in een Rücksack, zoodat hij beide handen vrij had. Wij zeiden den weg wel wat lastig te vinden; hij gaf toe, dat het nu na regenweer wat glibberig was ор 't pad, maar anders ziemlich bequem, immer kühl und überall schöne Aussicht. Adje, das macht man so! en daar ging me de jonge man er van door, de helling verder af, dat we ons hart vast hielden. Hij sprong meer dan hij liep van steen op steen, pikte met zijn puntstok in de spleten, duwde zich met de handen van een rotsblok weg, en holde zoo snel naar onder, dat wij hem binnen één minuut uit het gezicht kwijt waren. Ja, op die manier was de weg twintig minuten. Maar doe dat eens na met regenjassen, paraplu, plantenbus, enz.

Wij volgden, heel zoetjes aan, om niet te gauw snelheid te krijgen, en kwamen na een klein half uurtje op een beteren weg bijna gelijkvloers, dan weer stijgen en eindelijk: daar stonden wij aan den rand van het diepe Innerste-thal.

Wie zich nog herinnert, wat ik in een vorig boekje geschreven heb, over 't eerste gezicht op Montjoie in den Eifel, kan zich al vast voorstellen, hoe men van boven op Lautenthal neerkijkt. Plotseling bij de laatste bocht van het pad staat ge voor een bergwand, die op een paar honderd meter afstand tegenover u oprijst. Eerst hebt ge er geen erg in, dat er spitse punten en ronde schoorsteentoppen boven [ 214 ]boven de helling uitsteken, waarop ge staat. Nog eenige passen en daar ligt een vijftig meter diep, vóór u, het stadje in zijn geheele lengte. Een trein fluit en kruipt puffend uit zijn huisje, poppenwagentjes ratelen, ja 't schijnt of men de menschjes beneden hoort spreken: zoo verkleind als de dingen zijn voor het gezicht, zoo versterkt lijken de geluiden.

Nu dalen we weer plotseling en de bergstad wordt grooter, maar minder mooi. Rook en stof overal, grijs-bestoven menschen en wagens; grauw van zwevende afval uit de fabrieken is ook het water van de rivier. De fabrieken gaan uit, de groote Schutthalden storten van den top der bergen hun laatste erts in de diepte tot vlak aan de rivier. 't Is nu woelig in de grootste van de zeven bergsteden van den Harz en lang zoo idyllisch niet meer, als 't ons een kwartier te voren toescheen, van boven van dat voetpad op den berg gezien.

Toch vonden wij nog een heerlijk en groen zitje om wat te eten in het hôtel Prinses Caroline, aan den voet van den berg. Nog voor den avond spoorden wij noordwaarts naar Goslar. Schoone natuur hadden we voorloopig genoeg genoten; aan schoone oude menschenkunst zouden we daar ons hart gaan ophalen. Daarvan behoef ik niets te vertellen, dat is al zoo vaak en zoo goed gedaan; en, al zou ik 't willen, ik zou 't niet goed kunnen doen; daartoe behoort heel wat voorstudie.