Eli Heimans (1906) - Met kijker en bus/8

VII.
Hartjes
Met kijker en bus: schetsen uit het leven van planten en dieren (1906) door Eli Heimans

VIII. Springende zaden

IX.
Herfst
Met kijker en bus is een boekje, waarin stukken van Heimans in De Groene Amsterdammer zijn gebundeld. Het werd gepubliceerd in 1906 te Amsterdam bij Van Holkema en Warendorf. Dit werk is in het publieke domein.
[ 52 ]
 

VIII.

Springende Zaden.


 

Er zijn heel wat planten met springende zaden; eigenlijk moest het heeten: met schietvruchten; maar iedereen weet wel, wat met springzaad wordt bedoeld. Ook onze mooie driekleurige viooltjes en de wikken uit de korenvelden hebben zaden, die een heel eind ver weggeschoten kunnen worden.

Wie daarmee eens een aardige proef wil nemen, brengt uit den tuin maar eenige rijpe viooltjes-vruchten bijeen in een kartonnen doosje. Wanneer 't doosje een uur op tafel staat, vooral 's avonds, als 't licht is opgestoken en 't droog wordt in 't vertrek, hoort ge op eens een harden tik binnen 't doosje; spoedig wordt die gevolgd door andere, totdat het een formeel bombardement wordt, daar binnen tegen het karton. Neemt ge nu een paar vruchten, die nog niet opengesprongen zijn er uit en houdt ge een krant uitgespreid, dan is licht de afstand te bepalen, die de projectielen in dit geval op zijn hoogst afleggen.

De zaden van Oxalis, een sierplant met roode bloemen en groote klaverbladeren, en van de fijne mooie wilde Oxalis, de klaverzuring van onze vochtige bosschen, kunnen ook een heel eind ver springen; maar het vaakst en 't mooist is het zadenspringen waar te nemen bij een plant, die er zijn naam aan dankt, bij het Springzaad.

[ 53 ]De beteekenis van dit springen of beter van dit wegslingeren der zaden is duidelijk genoeg. Evenals de zonen uit een groot huisgezin, zich liever op een afstand vestigen, indien ze dezelfde affaire zullen drijven als de vader, veelal omdat de plaats van inwoning geen voldoend debiet kan geven voor eenige gelijke neringen, zoo verlaten ook de nakomelingen van dezelfde plant vaak de plek, waar de ouders leefden of nog leven, om meer ruimte, lucht, licht en voedsel te krijgen dan de geboorteplek nog over heeft.

Vele plantensoorten schijnen, al is 't in minieme hoeveelheid, bijzondere stoffen uit den bodem te moeten opnemen, boven en behalve die welke alle plantensoorten tot hun onderhoud noodig hebben; of zij hebben voor het leven van hun wortels hulp noodig van andere lager georganiseerde planten, van bacteriën of andere kleine wezens. Die grondstoffen, of die bacteriën en wat het nog meer kan zijn, komen soms zeldzaam of in zeer kleine hoeveelheid op een zelfde plek voor, en dan is de plaats waar een plant een jaar lang gegroeid heeft, licht uitgeput. Dus is het van groot belang, dat de zaden niet op dezelfde plek terecht komen, en dit neervallen, te dicht bij de moederplant, wordt in de natuur op allerlei wijzen vermeden. Heel vaak zorgt de plant er voor, door de zaden vleugels te geven, waarop de wind vat heeft en waarmee ze soms uren ver vliegen; òf de natuur begiftigde de zaden met uitsteeksels, waarmee ze zich aan dieren met ruige vacht of aan de rokken en broeken der menschen kunnen hechten. Elk wandelaar in duin en bosch heeft in den nazomer wel eens voor transportbeest gediend; al kwamen de zaden in den schuier en op 't stofblik te land; hetgeen de bedoeling niet was.

Zijn de zaden niet ingericht op transport door wind, water [ 54 ]of pelsdieren, ook niet om door vogels—die de zaden uit de bessen eten—verspreid te worden, dan blijft er nog de schiet- of springmethode over, en deze is verreweg de zeldzaamste.

Stukje van een bloeiende Springzaadplant. Met een bloem in 't stampertijdperk, een
rijpe vrucht en een juist оpengesprongen vrucht die zaden wegschiet. Onder:
een knop en de meeldraadmuts, die den stamper in 't eerste tijdperk overdekt.

 

Wel zijn er nog betrekkelijk veel plantensoorten, die hun zaden eenvoudig op een of andere wijze uitstrooien. Wanneer ge eens oplet, als de zomer zijn einde nadert, hoe de vruchtdoozen van klaproozen slingeren en zwaaien bij elken windvlaag, of hoe de lange stelen, waarop vele andere zaaddoozen staan, overbuigen en slap neervallen, bemerkt ge wel, dat er een vrij algemeen streven in de plantenwereld bestaat, [ 55 ]om de zaden ver van de moederplant aan de aarde toe te vertrouwen.

Maar dit strooien gaat toch niet verder dan een paar decimeter hoogstens; wie de verspreiding bij meters wil zien, moet het echte Springzaad opzoeken.

Er zijn ook wel gekweekte soorten met roode bloemen. Die springbalsemienen schijnen evenwel uit de mode te raken; ik zie ze haast nergens meer, een paar jaar geleden stonden er verscheiden perken van in 't Vondelpark en in 't Westerpark.

De ouderwetsche hofjesplant—met 't muskuskruid het troetelkind van onze grootmoeders—die Balsamien tout-court heet, krijgt bij ons niet vaak vrucht en die heeft ook al zijn besten tijd gehad. Ga liever naar Springzaad zoeken aan de oevers van de beekjes in bosschige streken of langs een beschaduwden slootkant. Bloeit de plant daar, dan ziet ge hem ook dadelijk, want de groote gele bloem, die als een lampion op dunnen steel onder een blad hangt te bengelen, valt een ieder dadelijk in 't oog.

't Is lang geen alledaagsche plant, dat Springzaad. Elke zomervacantie ga ik, zoodra de gelegenheid er is, de beide plekjes opzoeken, waar ze al in mijn jeugd stonden; en telkens zie ik ze met genoegen weer. Er is iets voornaams aan deze plant, iets gedistingeerds, dat u tegenhoudt bij 't plukken. Ik wed dat ge, zoodra ge voor 't eerst het gele springzaad ziet bloeien, dadelijk dien onverklaarbaren indruk van noblesse krijgt, die sommige planten te weeg brengen.

Of 't komt door de teerheid en het doorschijnende van de stengels, die niettemin stevig lijken, en die doen denken aan de doorschijnende aderen van een edel en fijnbesneden vrouwengelaat, of door het lichte waas dat de heele plant overdekt [ 56 ]en dat elke aanraking tot een smet doet worden, dat weet ik niet, maar 't is zoo.

Stukje van een Springzaadplant met
cleistogame (geheime) bloemen.

En vreemd is 't ook, dat zulke planten altijd ook iets aparts, iets bijzonder belangwekkend in hun levenswijze te bewonderen geven. 't Zou niet moeilijk zijn een boekje te schrijven, alleen over het leven van dit springzaad.

De mooie latijnsche naam „Impatiens noli tangere" geeft al dadelijk iets geheimzinnigs aan de plant: 'k Ben ongeduldig, raak mij niet aan. Dit slaat op de vrucht, die wel wat op een heel klein augurkje lijkt; al is die nog geheel groen en de zaden nog nauwelijks rijp, dan nog springt het langwerpig ronde voorwerpje bij de minste aanraking plotseling uit elkaar.

Hoe dit in zijn werk gaat, is op 't eerste gezicht moeilijk uit te maken; maar bij een half rijpe vrucht gaat het zoo langzaam, dat er wel oog op is te houden. Duidelijk ziet men dan de vier of vijf kleppen van de vrucht uiteenwijken, achterover of voorover buigen en zich kurketrekkersgewijze oprollen, de zaden worden daarbij van hun spil gewrongen en naar buiten geperst. Gaat dit [ 57 ]bliksemsnel en met groote kracht, zooals bij rijpe vruchten het geval is, dan kunnen de zaden tot 4 meter ver weg worden geschoten.

Toch is dit projectielen werpen niet het meest interessante aan de plant. De wijze waarop elke bloem, die juist open gaat, zich precies onder een horizontaal blad plaatst en zich zoodoende, als onder een paraplu, tegen regen beschermt, is heel aardig om na te gaan; vermakelijk is het te zien, hoe een hommel of een groote wesp bij 't honing zuigen hangt te schommelen in de groote bloem. Soms kijkt er een zoo leuk uit een bloem, die aan zijn draaddunnen stengel hangt te bengelen, dat men zich afvraagt, of het beest daar ook voor zijn plezier aan 't schommelen is? Wat best mogelijk kan wezen.

Hoe hier weer zelfbestuiving door de natuur is verhinderd, kunt ge zelf wel uitvinden, als ge maar bloemen van verschillenden ouderdom vergelijkt. Ook de teekening wijst er al wat van aan. Maar vergeet niet dat een bloemenleven bij dagen telt.

Wat bij mij evenwel al die theoriën over 't nut van zelfbestuiven weer even doet wankelen, is het verschijnsel, dat bijna elke Springzaadplant, die ik dezen zomer op de gewone wijze zag bloeien en vruchten dragen, onder aan zijn stengel een menigte nietige bloempjes vormde, die geen spoor en geen honingmerk, ja, zoo goed als geen bloembladeren vertoonden en die toch normale vruchten met zaden kregen, al waren 't er maar een of twee. Werd hier op een of andere wijze het normale bloeien belemmerd, dan was dat vormen van zulke cleistogame bloemen, die zich zelf bestuiven moeten, daardoor te verklaren; maar nu?

Nog iets heel bijzonders kunt ge onder aan de stengels van ons springzaad waarnemen. Daar vormen zich dikwijls roode of witte glasachtige wortels op de knoopen, een heel [ 58 ]eind nog boven den grond. Is een zwakke stengel omgevallen of doorgezakt, dan komt die zoodoende op stelten te staan door de luchtwortels, die er onder uit groeien. Zoo'n groep springzaadplanten in een droge sloot heeft inderdaad wel iets van Mangroves aan het tropische strand.

Jammer dat deze merkwaardige plant hoe langer hoe zeldzamer wordt in ons vaderland, en ook in andere landen; ze moet een vochtige standplaats in de schaduw hebben, anders kwijnt ze, en zulke plekjes worden hoe langer hoe schaarscher, door het in cultuur brengen der woeste gronden en het goed onderhouden der bosschen. Uitgestorven is ze evenwel gelukkig nog lang niet, dat kan ik hier nog net bij schrijven; ik heb ze onlangs bij duizenden en duizenden in bloei gezien in de bergbeken van Middel-Duitschland.