Hoofdstuk IV In de sneeuw door Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk V

Hoofdstuk VI
(pagina 78 t/m 86)


[ 76 ]

V.


Christiania den 2den April 1884.


Beste Vader!


Gij maakt er me in uw laatsten brief een zacht verwijt van, dat ik eenigen tijd liet verloopen zonder u iets uitvoerigs meé te deelen over hetgeen hier in de stad voorvalt. Gij hadt daartoe maar al te zeer het recht. Ik dank u voor uwe schertsende berisping, en haast me nu om u de oorzaak van mijn verzuim te vertellen, u tevens smeekende, mij uwen zegen te geven bij den gewichtigen stap, dien ik dezer dagen, onder gebed en zelfbeproeving, heb durven doen.

Ik heb mij n.l. verloofd, — dat wil zeggen, ik heb het "jawoord" gekregen van eene jonge, beminnenswaardige vrouw: maar ik heb mij nog [ 77 ]niet tot hare ouders gewend, wijl ik meende, dat de bijzondere verhouding waarin gij en ik — God zij lof! — tot elkaar staan, het mij tot plicht maakte om eerst uwen raad in te winnen en mij van uwe toestemming te verzekeren, eer ik deze voor mij zoo aantrekkelijke verbintenis, voor God en menschen, officiëel bezegel.

"Mijn liefste, — gij begrijpt het gevoel van geluk, dat mij bij deze woorden doorstroomt, ja ik hoop naar waarheid te kunnen zeggen de reine en kuische vreugde, als ik denk aan de hulp en den zegen, die wij deelachtig worden in eene goede trouwe echtgenoote — is eene dochter van Jörgen Pram, zoodat zij niet alleen behoort tot eene oude en goede familie, — maar ook, wat men noemt, zeer vermogend is. Ik haast me, u dit te zeggen, — niet, omdat het voor u of mij eenig gewicht in de schaal legt, maar omdat ik niet den schijn eener onverschilligheid op mij wil laden, die, indien zij valsch ware, de ergste aanklacht zou zijn. Ik heb haar in gezelschappen, waaraan ik dezen winter, zoowel tengevolge van uwen uitgedrukten wensch, als in overeenstemming met mijn eigen lust, tamelijk veelvuldig heb deelgenomen,leeren [ 78 ]kennen. En onder zeer gespannene, — ja, ik kan bijna zeggen, vijandige verhoudingen is mijne liefde voor haar steeds vermeerderd.

Er zijn n.l. — ik behoef het u waarlijk niet te vertellen, — bedorven elementen onder de jonge lieden; en zelfs op eene familie als die van Pram, is de tijdgeest niet zonder invloed gebleven. Inzonderheid waren er eenige neven mijner Gabriëlle, die, in vereeniging met lichtzinnige vrienden, mij onmogelijk zochten te maken, ja, zelfs belachelijk in hare oogen. — Niet alleen mijn positie als theoloog, die in deze tijden, waarin het "Christen zijn" door sommigen als eene soort idiotisme wordt beschouwd, — maar ook de omstandigheid dat ik uw zoon ben, is in de oogen dezer heeren een aanleiding tot vervolging en haat, waarop ik trotsch ben, nu eindelijk de zege mij is, en Gabriëlle heeft toegegeven — of liever, nadat zij bij nadere kennismaking heeft leeren inzien, waar de meest solide eigenschappen gevonden worden, waarop men alleen zijne hoop kan bouwen voor een waarachtig geluk hier op aarde.

Meen nu niet, beste vader, dat ik u deze dingen vertel om te pralen. Mijn hart is in [ 79 ]waarheid vol dankbaarheid jegens den Heer, die in zijne genade mij tot hiertoe heeft geleid; maar ik moest deze zaken aanroeren om u een helder en duidelijk inzicht in alles te geven. De moderne ideeën, waarmee mijne dierbare Gabriëlle in zoo nauwe aanraking is geweest, zijn n.l. ook op háar niet zonder invloed gebleven. Ik kan daarom niet naar volle waarheid getuigen, dat de vrouw, tot een huwelijk met wie ik u smeek uwe toestemming te geven, een echte, ware, eenvoudige geloovige is. Ik merkte dit reeds in 't begin onzer kennismaking op; maar het was er verre van af, dat deze omstandigheid een afstootende uitwerking op mij had; ik geloof eerder, dat de sterke aantrekkingskracht, die deze vrouw op mij uitoefende, voor een niet gering deel moet worden toegeschreven aan den innerlijken wensch, om deze zoo schoon begaafde ziel te brengen tot het heldere licht der genade. En onze gesprekken getuigden altijd van ernst, zelfs in de meest daarmeê strijdige omgeving. Ofschoon ik mij natuurlijk van elke poging om haar te bekeeren onthield, wijl dit haar zou hebben afgeschrikt en een scheiding tusschen ons te weeg gebracht, verheelde ik toch geenszins mijn [ 80 ]eenvoudig christelijk geloof; en ik vermeed opzettelijk, zooveel als dit mogelijk was, de vele goedkoope aanslagen op het Christendom te beantwoorden, die, zooals gij weet, het ongeloof ten allen tijde in voorraad heeft, en die, naar ik gis, haar voor een groot deel waren ingeblazen door de genoemde neven en hun aanhang.

En ik geloof zeker, dat de zachtmoedigheid en het geduld, waarmee ik dit mijn deel van Christus' smaad verdroeg, die in deze dagen zoo rijkelijk over zijne volgelingen wordt uitgestort, er toe heeft bijgedragen, om mij in hare oogen te verheffen, trots alle kunstgrepen en listen der tegenpartij, zoodat zij, toen ik gister avond, na een langdurig gesprek, haar smeekte mij een beslist antwoord te geven, haar hand in de mijne legde, en met bewogen stem deze woorden sprak: "Gij zijt het toch, van wien ik het meeste houd: ik wil de uwe zijn."

Zie, dierbare vader! dit is de geschiedenis van mijn geluk; — maar er komt nog iets achteraan, dat mij rust noch duur laat. Want toen zij die woorden had gesproken, en op het punt stond afscheid van mij te nemen, — wij kwamen n.l. het rijtuig van Mevrouw Pram tegen [ 81 ]— zei ze lachend: "maar onder éen beding ; gij moogt geen dominé worden, — dàt moet ge mij beloven, — beloof mij dat!"

Dit is een punt, waarom zich sedert al mijne gedachten bewegen, en tot hetwelk ik me zelfs in dezen brief door een onweerstaanbare en pijnlijke macht voel gedreven. Wat zou ik doen? — of laat ik eerst u trachten duidelijk te maken, wat ik deed; want de indrukken waren in dat oogenblik zoo overweldigend, en het geschiedde in werkelijkheid alles zóo onvoorbereid, dat ik mij bijna niet bewust ben, wat ik zeide, welke woorden ik bezigde. Maar even goed als ik God tot getuige durf aanroepen, dat ik nooit — geen enkel oogenblik zelfs —in ernst er aan heb gedacht, om mijne roeping als eenvoudige trouwe, dienaar des Heeren te verzaken — even weinig durf ik ontkennen, dat de woorden, waarin ik mijne overstroomende gelukzaligheid over hare toestemming lucht gaf, haar kunnen voorkomen als de uitdrukking van volkomene bereidwilligheid om alles te doen wat zij begeert.

Dit nu is mijne zwakheid en zonde — beste vader! Ik weet wel, dat ik daarvoor, als voor alles, mij te verantwoorden heb bij den Vader [ 82 ]des lichts; maar ik voel behoefte mijne schuld ook voor u te belijden, opdat gij mij zult kunnen raden en helpen in deze zaak, want ofschoon ik tot mijne verontschuldiging zou kunnen aanvoeren, dat het oogenblik niet geschikt was, om zulk eene ernstige zaak grondig te bespreken, — Mevrouw Pram hield reeds met het rijtuig stil — zoo moet ik nu toch kiezen vóor ik Gabriëlle ontmoet.

Zal ik haar kort en goed mijn besluit, om toch predikant te worden, meêdeelen, en hierdoor misschien eene ontstemming teweegbrengen die nu, in het eerste morgenlicht onzer liefde, als een nachtvorst alle jeugdige spruitjes zal vernietigen, en waardoor ik het geluk zal verspelen waarnaar ik haak uit het diepste mijner ziel, en dat ik nu zóo nabij ben?

0, gave God, dat gij bij mij waart, Vader! gij, wiens raad en leiding ik zoo moeielijk kan ontberen, en zonder wiens dierbare toestemming ik tot hiertoe nooit een gewichtigen stap in het leven heb gedaan. In deze onzekerheid ben ik eindelijk besloten, met het nemen van een besluit te wachten, tot ik antwoord van u zal hebben ontvangen. Zóoals gij mij zult raden, [ 83 ]zal ik doen, wat het me ook moge kosten. Inmiddels zal ik in den omgang met mijn meisje, — gij moet niet boos worden, dat ik in mijn overstelpend geluk, reeds geniet door het uitspreken van dit woord — met Gabriëlle, alle ernstige besprekingen over dat onderwerp zoeken te vermijden. God geve, dat gij de zaak in hetzelfde licht moogt beschouwen als waarin de hoop haar mij laat inzien, de hoop n.l. dat de tijd en eene andere omgeving mijne Gabriëlle zullen verzoenen met eene levensroeping, waaromtrent zij nú zulke valsche begrippen koestert.

Zie, — dat alles heeft mij — zeer egoïstisch — zóo ingenomen, dat ik verzuimde u op de hoogte te houden van hetgeen hier gebeurde. Maar de gezegende paaschtijd nadert, en dan hoop ik in het gezellige hoekje van den haard u de beroeringen en dwalingen dezer dwaze wereld te schilderen. Ik kan eerst den laatsten avond vóor Paschen komen, wijl ik, — zooals ik u vertelde — reeds voor langen tijd te dineeren ben gevraagd bij Prof. Sk— .0. Wat zou ik boven alle beschrijving gelukkig zijn, indien ik mijne Gabriëlle in uwen kleinen kring mocht binnenleiden! Groet mijne lieve mama en deel haar mee, hoe gelukkig ik ben.

[ 84 ]Zij spreken hier allen over uw laatste artikel, en ge begrijpt, hoe velen u, door mij, hunne hartelijke groeten zenden.

Ook uit Stockholm kunt gij spoedig iets verwachten, naar Q. mij Zaterdag meêdeelde. Hij wilde zich niet duidelijker verklaren; maar op zijn vriendelijk gelaat kon ik lezen, dat de jaloezie, waaraan hij vroeger klaarblijkelijk onderhevig was, heeft plaats gemaakt voor eene onbepaalde erkenning uwer meerderheid.

En nu, beste vader! leg ik het geluk mijner toekomst in uwe handen. Uit uwen brief hoop ik spoedig te zien, of gij goedkeurt wat ik heb gedaan, en of ik mij in uwen zegen zal mogen verblijden om verder te gaan, naar de begeerte mijns harten.

Moge ons aller Vader, nú, zooals reeds zoo dikwijls, u wijsheid en raad geven, Hem ter eere, mij tot voordeel en vreugde.

Uw toegenegen zoon
Johannes.