[ Pl38 ]

 
[ 135 ]
 

DE RIETGORS.

EMBERIZA SCHOENICLUS.


De Rietgors bewoont Noord- en Midden-Europa. Na den broeitijd trekt zij, in kleine vlugten vereenigd, naar de meer gematigde en Zuidelijke streken van ons werelddeel, maar schijnt dit niet te verlaten; althans, voor zooverre men zich op de waarnemingen der natuurkundige reizigers verlaten kan, is de Rietgors nog nooit in Afrika verschenen.

Over het algemeen zijn de Gorzen, die hier te lande en in het Noorden van Europa broeijen, geheel tot ons werelddeel beperkt, zoodat men ze veeleer zwerf- dan trekvogels kan noemen. Bij niet al te strenge winters vinden wij dan ook de Rietgors nog op dezelfde plaatsen, waar zij des zomers gebroeid heeft, namelijk, nabij moerassen en met riet begroeide waterkanten. Zelfs overwinteren hier beide seksen, terwijl dit bij den Gewonen Vink, die mede in de laatste jaren herhaaldelijk 's winters hier te lande gezien is, in den regel alleen met de mannetjes het geval is.

Met uitzondering van Hongarije, is deze soort nergens zoo algemeen, als in ons land, en wel uitsluitend in de provinciën Zuid-Holland en Zeeland. Zij bewoont echter bepaalde plaatsen, zoodat wij haar hier menigvuldig, daar bijna in 't geheel niet aantreffen. Maar zelfs dáár, waar zij algemeen is, wordt zij toch niet zoo spoedig opgemerkt, als haar soortverwant, de Geelgors, en wel doordien zij zich meer dan deze verschuilt, en daarenboven hare kleuren meer overeenkomen met de eigenaardigheid der plaats, waar zij zich ophoudt, namelijk, langs waterkanten tusschen het dorre lage hout, of in het riet nabij weilanden of wegen. Men ziet ze nooit in hooge boomen, maar steeds nabij den grond; des winters komen zij bij haar rondzwerven ook dikwerf in de tuinen, zelfs zeer digt bij de woningen, maar mijden ook dan nog steeds die streken, waar hooge boomen zijn.

[ 136 ]Het onderscheid der seksen bij deze vogeltjes bestaat daarin, dat de volwassen mannetjes een zwarten bovenkop en keel, witten nek en donkerder strepen over rug en vleugelpennen hebben, terwijl daarentegen bij de wijfjes het zwart aan den kop en het wit van den nek ontbreekt; ook zijn hare kleuren meer eentoonig bruingraauw over het ligchaam, en bruinachtig, min of meer gevlekt, aan den kop, met eene donkere streep langs de keel en eene lichte streep boven de oogen. Des zomers is de bek van het mannetje blaauwzwart, in de andere jaargetijden daarentegen, even als die van het wijfje, hoornkleurig.

De Rietgors broeit tweemaal: in Mei en omstreeks de helft van Julij. Zij bouwt haar nest aan den waterkant op den grond, meestal tusschen laag hakhout of brandnetels, soms ook in uitgedroogde moerassen op den grond tusschen het riet. Het is vrij groot, van worteltjes, fijne mos en grashalmen vervaardigd en van binnen met dunne grasstengels en paardenhaar gevuld. Elk broeisel bevat 4 à 6 eijeren, die er bijna even als die der Geelgors uitzien, maar iets kleiner van stuk zijn. De grondkleur trekt iets meer naar het grijze of blaauwgroene, en de strepen en haaltjes zijn wat breeder en donkerder. Daar de eijeren der Rietgors dikwerf in grootte en kleur eenigzins variëren, 'tgeen ook bij die der Geelgors het geval is, kan men zich alligt in beide eijersoorten vergissen. Evenwel kenmerken zich die der Rietgors steeds door hunne donkerder en zwaardere strepen.

De jongen hebben bij het verlaten van het nest de kleuren hunner moeder; doch na den ruitijd (Augustus, September) kunnen de seksen reeds onderscheiden worden, ofschoon dan bij de mannetjes de zwarte vederen aan den kop nog lichte zoomen hebben en het wit in den nek minder uitgebreid is.

De Rietgors voedt zich met zaden en weeke insecten; de jongen worden hoofdzakelijk met insecten grootgebragt. In het voorjaar eten zij vele bloesems en jonge bladscheuten, en 's winters zaden van lage planten.

Het gezang der Rietgorzen bestaat alleen in een zacht gekweel, en haar gewoon geroep klinkt als „tzieng tzieng" dat nu eens naar dat van den Krekel, dan weer naar dat van de Geelgors gelijkt; zij laten zich echter zelden hooren, alleen vroeg in den ochtend en in stille streken. Voor 't overige zijn het zachtaardige vogeltjes; steeds zijn zij in beweging, en meestal ziet men ze schommelende aan de uiterste punten van rietstengels of lage takken.

In het najaar vereenigen zij zich met andere Gorzen en met Vinken, in welker gezelschap zij dan ook gevangen worden. Op de vogelmarkten zijn [ 137 ]zij dikwerf zoo menigvuldig, dat zij tegen één stuiver het stuk verkocht worden.

De vogelvangers noemen ze ook Rietvinken, Riet- en Slootmusschen, en, om haar een fraaijer voorkomen te geven, knippen zij haar eenige der zwarte achterkopveêren weg, waardoor de witte ring breeder wordt.

In gevangenschap houdt men ze het best op witzaad, havergort, en nu en dan wat jong groen. Zij blijven lang schuw; sommige worden zelfs nooit mak, en, als men ze niet zorgvuldig behandelt, zingen zij slechts weinig of zelfs in 't geheel niet.