Mengelingen/Proeve van fabelen/De Akker en de Dijk

De Hond Mengelingen (1855) door Willem Bilderdijk

De Akker en de Dijk

De Diamant bij de Boeren
Uitgegeven in Schiedam door H. A. M. Roelants.
[ 97 ]
 

III.
De Akker en de Dijk.


Een akker had de zee ten Westen, en stond ieder oogenblik bloot voor hare onverstroomingen. Zijn Eigenaar lei er een’ Dijk voor, die het land voor de baren beschuttede, en de akker had rust en zekerheid. Nu was hy op zijn’ tijd met rijpende oogsten bedekt, en de Naburen benijdden hem. maar aan den voet des Dijks wiessen grasbloemen in menigte: dezen beklaagden zich, dat de hoogte des Dijks hun den vrijen toevloed des Westenwinds onderschepte. « Hoe kunnen wy bloeien (zeiden zy) ô wy dien haatlijken dijk kwijt waren, wy zouden het gantsche veld met onze spruitjens bedekken, en geheel de akker zou weldra een volkomen bloemhof worden. » — Nu stormde ’t uit het Noordwesten, en de hemelhooge golven sloegen over den Dijk op den akker. « Zie daar (riep men) hoe nutloos de dijk is! Hy is tegen de zeebaren aangelegd en bevrijdt er ons niet van; en tevens ontneemt hy ons den ver[ 98 ]kwikkenden Westenwind, waardoor wy leven en bloeien moeten. Weg met hem!»

De Eigenaar was niet van dit gevoelen, maar verhoogde den dijk op zijn’ akker zekerder te stellen. Nu was het een nieuw en nooitrustend geschreeuw. Niet de grasbloemen alleen, maar ook ’t graan begon met haar te roepen: « Ja, hy beneemt ons den Westenwind! ach, dat we van dien nutloozen, dien haatlijken Dijk bevrijd waren!»

De Dijk ondertussen stond vast; maar wat gebeurt er? Een hoop Mollen ondergraaft hem; het zeewater vindt een open en dringt er door heen; hy bezwijkt eindelijk en stort in, en de Oceaan streeft met lossen teugel door de opening. De akker is overstelp, in een oogwenk, geplonderd, vernield, en voor altijd bedorven, en grasbloem noch korenhalm erkennen de plaats meer waar zy stonden. Een handvol vlotgras alleen, op de baren dobberende, riep uit: « Hadden wy den Dyk slechts weêrom! »

Een voorbyvliegende Zwaluw zag en hoorde dit : « Sero sapiunt Phyrges. » riep hy uit; want Lezer, het was een bereisde vogel, die talen verstond.