Schouburg/Deel III/Naamrol 110-163

< Schouburg/Deel III/Naamrol 96-109 Schouburg/Deel III/Naamrol 110-163 Schouburg/Deel III/Naamrol 164-175 >


Plaat E 13-Gerard de Laires 14-Bartolet.

110
gulden voor 't stuk, en vraagde of zy daar meê te vrede was, en of die meester wel
tot Amsterdam zou willen komen om voor hem te schilderen, 't antwoord was ja. Zy
vertrok met dien buit, en Uilenburg aangespoort door van Pée en Grebber, volgde
haar dien zelfden avond (om dat die Haas hem niet ontslippen zoude) met de
nagtschuit op Utrecht, en spraken hier over zelf met LAIRES, die zig gereed toonde
om van daar op te breken, dat licht geschieden kon, wyl hy geen vragtschuit noodig
had om zyn inboel over te voeren. Hy kwam dan ten eersten tot Amsterdam, en op
een morgen ontrent negen uuren by Uilenburg daar van Pée en Grebber waren,
die hem, van wegen zyn misselyk figuur, verzet stonden aan te kyken. Uilenburg
toonde hem een ledigen doek, en vraagde wanneer hy begin wilde maken. Zoo
straks antwoorde LAIRES, en vervolgde: wat wilt gy dat ik daar op maken zal? dat
is my onverschillig, zeide Uilenburg, maak daar op dat geen van uw genegenheid
is. Straks werd hem een palet met verf en een krionpen gegeven, en hy zette zig
voor den Ezel.
Tot nog toe had hy de eene hand onder zyn rok gehouden, daar yder het oog op
had, nieuwsgierig wat hy daar onder verborgen hield, tot dat hy zyn Fiool daar onder
van daan haalde, de snaren stelde, en een deuntje speelde, zoo wel naar de konst
dat Grebber die zig meê 't speelen verstond zig daar over verwonderde, en nog
meer als hy de Fiool neer gezet hebbende, de krionpen nam, en maakte in een
oogenblik de schets, of bewerk van zyn stuk, 't welk verbeelde een beeste stal, en
daar in Josef en Maria met haar Kindje. Toen nam hy weer zyn Fiool en speelde
een muzykstukje,

t.o. 110

111
maar verwisselde straks de Fiool voor 't palet, en schilderde dien zelven voormiddag
het Kindje, 't Mariaas en Josefs tronetje, en een Ossekopje volkomen op, en zoo
konstig dat zy die den geheelen tyd by hem gestaan hadden zig daar over
verwonderden.
Wanneer hy nu in den tyd van acht weken verscheiden stukken voor Uilenburg
schilderde, en hy die aan de liefhebbers liet zien, en prees, werd onze LAIRES straks
van anderen aangezocht, die hem meerder loon voor zyn penceelwerk aanboden,
daar hy zig van bediende.
Het was niet mogelyk te beschryven alle de Konst en Kabinetstukken,
Zolderwerken, Zalen enz. die hy beschilderd heeft. Of zoo 't ons al doenlyk waar
zoude het wel een geheel boek beslaan. Als mede menigte van teekeningen met
rood kryt en met het penceel konstig en op een gemakkelyke wyze behandelt, waar
van de voornaamste als ook het meeste getal thans in 't Konstkabinet van den Heere
Jeron. Tonneman bewaart en in groote agtinge gehouden worden.
Doe hier by het groot getal van zyne geëtste printen die door N. Visscher tot een
geheel werk verzamelt, de Konstoeffenaars ten voorbeeld, en dienst verkogt worden,
die mede op een lichte en welstandige wyze, even als zyne teekeningen behandelt
zyn.
Dit alles dient niet alleen tot verwonderen, maar zelf zullen de nakomelingen 't
naaulyks (wanneer 't hun verhaald word) gelooven willen, dat zulks in eens menschen
levens tyd te doen was, ten waar daar by gezeid wierd, dat hy by uitnementheid
vaardig in 't schilderen was. Dit is aan 't volgende staal te zien.

112
Hy ving een wedding aan, dat hy op een redelyk groot doek, op een dag, Apol en
de negen Zanggodinnen zoo schilderen, met hun behoorlyke toerustingen op Parnas,
en wonze ook. Daar en boven had hy nog ten overvloed 't pourtret van Bartolomeus
Abba(die nieuwsgierig hoe veer hy gevorderd was, hem in den agtermiddag kwam
bezoeken) voor 't beeld van Apollo na 't leven geschildert, dat yder het konde zien
dat het Abba was die voor den Parnasgod geschildert stond.
Dit in 't algemeen gezegt, zullen wy ons uitlaten tot eenige byzonderheden, en
uit het groot getal van zyne penceelwerken maar van eenige zyner Konststukken
spreken, die niet alleen den Konstlievenden behaagt, maar ook de pen der dichteren
hebben vlot gemaakt, om 'er totzynen lof van te melden. Gelyk de Heer Ludolf Smits
op het natuurlyk en konstig verbeelden van zyn *Polixena, gedoot op 't graf van
Achilles, (daar hy ook met een des schilders verstand en oordeel over, of aangaande
het regt gebruiken der Poëtische Historybeschryving pryst) zig dus laat hooren:
Geen Minnaar trekt den degen uit,
En wont zyn schoone Bruid.
Ovidius, gy schiept nooit ysselyker logen.
'T is Pyrrhus niet, wiens staal die maagd de borst ontsluit,

  • Polixena, de schoonste en laatste Dochter van den Koning Priamus, en Hekuba, werd van

Pyrrhus doorsteken op 't graf van zyn Vader Achilles, op vermoeden dat zy van de verraderlyke
onderneminge tegens Achilles geweeten had, die van Paris, zoo als hy stond voor 't Autaar
in den tempel van Apol, om zyn trouw met Polixena te bevestigen, in zyn hiel gewond werd,
dat hy stierf.

113
En 's Vaders spoken, met dat bloedvergieten stuit
Leermeester van de Min! hoe kan 't uw hart gedoogen!
L A I R E S schikt beter, die weet wat de Min beduit.
Die geeft het mes een paap, stokoud en onbewogen;
Zet Pyrrhus in een hoek, en dekt zyn lekende oogen.
Geen Minnaar trekt den degen uit,
En wond zyn schoone Bruid.
Nog een door even gemelden Dichter L. Smids op de verbeeldinge van * Didoos
Dood.
P E L S leerdeD I D O ( zoo tuigtH U I G E N S ) cierlyk sterven,
Toen hy dat Dicht schreef dat het haast bewoogen hart
Eens teedren lezers, door onlydelyke smart,
In een doet krimpen, en van schrik zyn warmte derven.

  • Dit verhaal van Dido word voor een verdichtzel van Virgilius gehouden, die dit trouwen en

scheyden van Dido en Eneas heeft verciert, om de Karthaginensers te beschimpen, die haar
Koningin Elise, na haar dood, om datze zig zoo mannelyk had omgebragt, met den naam
van Dido (Manninne) onder hunne Goden hebben gesteld. Waarom ook M. de Fontenelle in
zyn 't Samenspraak der dooden, Dido dit doet zeggen, Zoo de Minnehandel dien Virgilius my
toeschryft eenige waarschynlykheid hadde, zoude ik konnen toestemmen dat men my verdagt
hield; maar hy geeft my Eneas tot een Minnaar die drie hondert jaaren voor my uit het leven
is gescheiden. 't geen door de schim van Stratonica schamperlyk aldus verdadigt word; Dat
gy zegt is al iets byzonders. Het is waar dat gy drie hondert jaren na hem ter waereld zyt
gebragt; maar Virgilius heeft zoo veel reden gehad om u t' samen te voegen, dat hy oordeelde
dat die driehondert jaren, die u van den anderen scheiden, geen zaak van aanbelang waren.

114
Veel cierlyker sterft zy hier doorLAIRESSES verven,
Haar boezem zweet, en is ten uitersten benard,
Haar oogen staan met kragt en arbeit opgespart;
Als of zy nog den draad haar 's levens moest zien kerven,
Terwyl een tranen vliet, by dropplen, daar uit lekt;
En het gewrigte zig verdraait, en kromt en rekt,
En d'aders spant, en de verslapte spieren lillen.
De pen is dan te zwak om tegen het penceel
Te wostelen, een vaers strykt voor een tafereel
Dog het zyn zusters, zacht! haar passen geen geschillen.
Alle goede dingen(zeit her Spreekwoord) bestaan in drie. Wy zullen 'er ook nog
een aanlassen, dat wel niet groot, maar voor 't beste en uitvoerigste van zyne
Konstwerken gehouden word. Dat is te zien by den Heere Huntum tot Amsterdam,
verbeeldende den gestraften Tempelroover Heliodoor, daar de brave dichter P.
Verhoek dit volgende vaers op maakte:
Hier spreekt de Schilderkonst, terwylze in myn gedachten
'T stilzwygende gemoet heweegt met meerder kragten,
Dan zelfs welspreekentheid: 't gezicht gaat voor 't gehoor.
Ik zie als op 't tooneel, hoe datH E L I O D O O R
Om kerkroof word gestraft, ten spiegel aller ecuwen:
Ik zie en vind my zelfs in 't Godshuis der Hebreeuwen.
Wat pragt, wat heerlykheid der Bouwkonst streelt my 't oog.
Hoe ryst dat trots gevaart zo wyt, zoo diep, zoo hoog,

115
Van marmer en arduin door arbeid opgewassen!
Hier zal d'aanschouwer stilte, ontzag, en aandacht passen,
Daar 't schreiend priesterdom, bedroeft, met doodsgelaat
Voor 't altaar legt ter aarde in 't heylige cieraad,
De Hoogenpriester God om hulp smeekt uit den hoogen.
Men ziet hen algelyk in droefheid opgetogen,
Dees wyde Galery van 't vrouwelyk geslacht
Vervult, dat schreiende om Gods hulpe zyne klacht
Met handenwringen toont, of slaat verbaast zyn armen
Ten hemel, om genade en Goddelyk ontfermen.
Nog treed de Rover toe, door goutdorst boos ontzind,
En slaat haar klachten en gebeden in den wind,
Daar zyn stafsieren vast den schat der Godskist rooven:
Maar Gods Almachtige arm weerstaat zyn trots van boven.
Hier legt hy, die nog flus ontzaglyk, groots, vol praal,
Ter Schatzaal intrad, nu aamachtig van 't onthaal
Der hemelgeesten in gedaante als jongelingen;
Terwylze aan elke zyde al slaande hem bespringen.
Dees rykgewapende en welopgezeten noopt
't Gezwinde ros, dat met de hoeven op hem loopt,
Die nu door schrik 't gezicht verduistert, schreeuwt vol smarte:
Zyn dappre wapentuers ontzygt hun Oorlogsharte,
Het gulde harrenas des Ridders op het paart
Doorschittert hun 't gezicht met vreeze, die vervaart,
Nu achter hunnen schut hem sidderende ontvlugten:
Gy ziet Hebreeuwen, van dien trans, op dees gerugten
Verwondert, 's hemels hulp beschouwen tot hun troost.

116
Zoo ryst de Schilderkonst, gelyk de zon in 't Oost,
Die 't al haar verwen geeft, met voeglykheid en orde.
Natuur staat zelf verheugt, die eerst den schilder porde.
De heirbaan van de Konst, zoo klippig, ongebaant,
Bezet met doornen op te klautren, en vermaant,
Met d'Oeffening verzelt,L A I R E S dus voort te varen.
Dit konstig oogmuzyk braveert 't geluit der snaren.
De verwen ondereen gedommelt, eel, enzacht,
Daar flaau en somber, hier weer in haar volle kracht,
En kiesse zuiverheid, en houding in de kleuren,
Voldoen het keurig oog, als zach men het gebeuren,
Terwyl uit yder beeld 't geheim der hartstogt straalt.
[Tussenstuk]
My komt in gedagten, dat Fr. van Hoogstraten in een vaers op de Beeltenis van
zynen broeder mynen meester S.v. Hoogstraten, zeide
Hy dicht in Schildery, en schildert in gedicht.
Dit past ook op onzen Dichter P. Verhoek, die door zyn pen even als L A I R E S door
't penceel, het schoone gepaarde licht, en bruin, het natuurlyk voorkomen, en
wegwyken en de zuivere behandeling daarin waargenomen, ten toon steld; en wat
pryswaardig in dit konststuk aan te merken is afschetst in letteren. En dus mag men
in 't algemeen van zyne penceel werken zeggen. Immers hy heeft altyd het
voornaamste, en hoofdzakelykste in zyne werken laten spreken: daar andere brave
mannen in de Konst zig somwyle wel eens aan kleinigheden hebben vergaapt, en
'er meer tyd dan ze verdienden aan besteed; waarom ik ook daar en boven tot zyn
roem zeggen moet, dat zyne verkiezingen,

117
of de voorwerpingen zyner verkiezingen prysselyk zyn, aangezien dat hy zelden iet
door 't penceel verbeeld heeft, dat geen vlyt en Konst verdiende. 't Is waar, alles is
wel niet even gelyk van schoone vinding, en penceelbehandeling; maar men moet
weten dat de gedagten der Konstenaren niet altyd even bekwaam zyn, nog de lust
altyd even groot is, te meer in hem, wiens levenskoers wel eens buiten 't spoor
holde, en in stee van den boog t' ontspannen tot verfrissinge der geesten,
uitspanningen kon maken die zyne geesten en kragten afsloofden.
Niemant zal dit zeggen voor hatig opnemen die weet, dat een regtschapen
Historyschryver(gelyk ik in opzicht van dit werk daar voor moet worden aangezien)
volgens zeggen van Polybius, geen agt moet geven op de persoonen; maar van de
zaken oordeelen, zoo als ze zyn, en 'er in de Historie van spreken zoo alsze
verdienen.
Om nu met onzen Luikschen Fenix voort te varen moet ik zeggen, dat hy in allen
deele van de Konst getracht heeft de natuur na te bootsen. De mannenbeelden
kleedde hy in laken aan de breede ploojen te kennen. Lichte zyde stoffen, en
menigerhande tintelend weerschyn, by dunne floersen, en fyne Lywaten, geestig
geschikt en natuurlyk geplooit, zyn alzins het cierzel en de bekleedingen zyner
vrouwen beelden. Zilver, Goud, en velerhande metalen heeft hy geestig met hunne
spiegelingen, en sterke afschitteringen weten na te bootsen. Geen minder cieraad
heeft hy ook aan zyne konststukken toe gebragt, door 't schilderen van velerlei aart
van marmere kolommen, vazen poortalen enz. Inzonderheid muntte hy uit in 't

118
schilderen der Bazarlierevan wit marmer met veele Nissendie in voorpoortalen, op
de Keysers, en Heere graft, tot Amsterdam pronken, zoo natuurlyk geschildert dat
men dezelve voor gebeeldhoude marmere platen aanziet, 't Lust ons een van die
werken, als wel het voornaamste in Konst van schilderen en geestige vinding, de
Schilderjeugt tot leiding, (als haar iet diergelyks voorkomt) en een sleutel tot opening
en verklaring van den inhout te geven.
Dit is een uitlegging van de vyf zinnebeelden in 't Graauw geschildert, ten huize
van den konstlievenden Heer Philip de Flines. Het eerste stuk, als men de deur in
komt over 't licht, verbeeld de Schilderkonst, Dichtkonst, Beeld- en Teekenkonst.
De Schilderkonst staat voor aan, houdende met de linkerhand haar gereedschap,
palet, pencelen en maalstok; met de regterhand beurt zy een Tafereel op, waar
eenige voorwerpen op afgeschetst staan. Agter haar staat de Natuur, waar van zy
door Konst een naarvolgster is, en waar uyt zy haren oorspronk of beginsel heeft.
Het kintje dat voor haar staat, met een masker of gryns, beteekent de veranderingen
van vindinge, en naabootsinge. Hier nevens ziet men de Dichtkonst, houdende in
de regterhand een trompet, en in de linker een rol papier *of tooneelrol. Zy is met
een Laurierkrans gehult, aangezien zy door haar doen de menschen onsterflyk
maakt, en den lof der

  • Op rollen papier en parkament te schryven is van de Oudste tyden af eerst by de Hebreen,

naderhand onder de Griekse Toneeldichters (om elk hun byzonderen Rol te doen hebben)
in gebruik gekomen, en heeft stant gehouden onder de kamerspeelders tot in mynen vroegen
tyd. Zedert zyn de kamers, of konstgenootschappen onder de zinspreuke in Liefde bloejende,
en andere, geheel te niet geloopen in Nederland.

119
Helden (door de trompet verbeeld) uitbazuint. Het kintje dat nevens haar staat torst
het speeltuig van Apol, ten bewys dat de zon god de Dichtkonst gunstig is. Men ziet
twee beelden agter de Schilderkonst, verbeeldende de Beelthouwery en
Teekenkonst, staan. In haar hand heeft zy een teekening beschetst met sommige
konstbeginselen om aan te duiden, datzy is de grond daar de Schilderkonst op word
gebouwt. De Beelthouwerykonst heeft meê haar beduidteeken; het kintje boven in
de Nissmet een gebeelthoud menschen hoofd gemaalt, wil aantoonen hoe die konst
bestaat in een geregelde schikking van welgevormde menschelyke ledematen, waar
van het hoofd een voornaam deel is.
Boven elk dezer groote vakken, staat een kleinder, en daar in door kleinder
beelden verbeeld, iets dat toepasselyk is, op de groote of onderste Nissen, gelyk
'er dan zinspelende op het boven verklaarde, verbeeld staat de Godin der Wysheid,
by een vlammend altaar, waar voor de Voorzigtigheid, vergezelschapt met nog
andere beelden knielt, tot beduid, dat die door haar gonst tot volmaaktheid gestegen
is, en toegang tot den tempel van eere en lof gekregen heeft, dankbaarheid
verschuldigt is.
Het eerste der Tafereelen op een slinksen dag geschildert, aan de rechterzy,
verbeeld de Godin der Wysheid in 't midden van zeven vrye konsten: Dichtkonst,
Redenkonst, Letterkonst, Starrekonst, Rekenkonst, Maatkonst, en Zang-of
Speelkonst. Zy staat als beschermvrouw in 't midden van dit doorluchtig gezelschap;
om datze geagt is de wyste der Godinnen: waarom ook de Poëten verciert hebben,
dat zy uit de hersenen van den oppersten

120
God Jupiter geboren is. Nevens haar staat een Olyfboom, of olyftak, het zinnebeeld
van vreede, met rede by dees Godes gestelt; om dat de konsten en wetenschappen
in vredestyd bloeyen, en als de Olyfboom hare nutte vruchten geven: gelyk ook het
vlammende lamplicht van 't menschelyke verstant door den oly der wysheid gevoed
en onderhouden word. Nevens haar staat ook haar schild met een Slang omvlochten;
ten teeken dat zy zig met voorzigtigheid, meer als met gewelt beschermt tegen hare
tegenstreevers.
Het vrouwenbeeld dat voor aan zit, en de Harp, of Lier van Apol *moet in de hand
houden, is met een Laurierkrans gekroont, en komt voor de zinstreelende Dichtkonst
in het Tafereel. Aan haaren cierlyken zetel hangt een †Gryns, om inzonderheid het
Toneeldicht te beteekenen; waar omtrent alle de byzondere wyzen der Dichtkonst
gebruikt worden, en even eygen zyn.
Agter haar staat de Redenkonst te pralen op haar slangestaf, ten zinteeken van
de kragt der rede en welsprekentheid, aangezien men zeit dat Merkuur hier door
de menschelyke gemoederen, als door een vermogenden scepter beheerste. Zy

  • Moet hebben &c,) want in stee van de Harp, is het een Borduurraam. 't Schynt dat de patroon

van 't huis het dus heeft gewilt, op dat het toepasselyk zoude wezen op zyn Fabriecq. of
wevery van zyde stoffen.
† Gryns) d'eerste bekende vinder van het zelve, ook de Verandering van persoonen, en
Toneelen, is AEschylus van Athenen tydgenoot van Pindarus. Zie B. Kennet, Griekse Dichtr:
P. 38. AEschylus
...... boude, een vaste stee
Op lighte balkjes, en was vinder van Tonelen,
Van Gryns, en kleeding ........
Zegt A: Pels in zyn Toneelwetten.

121
omhelst met een minnelyk gelaat de Letterkonst. Aan den anderen kant staat de
Starrekunde, houdende in haar hand een Astrolabe, of Zonnewyzer.
Agter de Dichtkonst zietmen de Rekenkonst, met twee kindertjes, waar van 't een
een Schryftafel ophoud, met eenig syffergetal, daar het ander op wyst, en aan de
rechter zy van Pallas staat de Zangkonst, en de Meetkonst, met een passer Globe,
of waereldkloot.
De kleene Nissboven het zelve vertoont den Zangberg, Apol, en de negen
Zanggodinnen, in een overschaduwenden lommer, en de Faam voor uit vliegende,
om den lof der wetenschappen en konsten te verbreiden.
Het tweede tafereel op de rechter zyde van den muur, verbeeld de Glori, of Eere
van de waereld, Dapperheid, Zege, Roem, en Onsterffelykheid.
Men ziet hier op een hoogverheven zetel de Beeltenis van Eer geplaast. Zy hout
in de linkerhand eenen waereldkloot, en in de rechterhand, het beeld van Zege of
Overwinning (zoo als men 't op de oude Keyzerlyke muntstukken ziet) die verkreegen
word door Dapperheid en Deugt; 't welk nog nader beduid word, door het kintje dat
nevens haar staat, torschende Herkules leeuwenhuid en knods op zyn schouderen.
De twee jonge maagden die in haar schoot bloemen, en in hare handen
laurierkransen hebben, en dezelve d'Eer aanbieden, en opofferen, willen te kennen
geven, hoe door een aangename duurzaamheid, de Eer door deugd en dapperheid
verkregen vereeuwigt word. 't Zelve word ook door de Jerusalems veer, of palmtak
(die door een kintje opgeheeven word) te kennen gegeven, waarom wy er ook in
onze Emblemata, een kleenwerkje dat

122
eerstdaags meê staat uit te komen, een zinneprint van gemaakt hebben, met dit
byschrift:
Hoe meer dat d'Oosterpalm gedrukt,
Getrapt word en ter neêr gerukt,
Hoe weeliger zy wast en groeyt.
Gelyk de Deugt te schooner bloeyt,
Hoe meer zy word geschopt, vertreên,
Als ook de Waarheid, fel bestreên,
Van Kerktyrannen............
Op den agtergrond van de Nisszietmen een Gedenknaald, opgerecht ter
gedagtenisse der zulken die den weg van deugd, eer, en dapperheid betreden
hebben; ook de Faam, die hunnen roem waereldrugtig maakt.
In het kleene Tafereel boven dit stuk staat verbeeld een balmboom, waar aan
twee fakkels, en schilden hangen, zynde het oulings een overwinningteeken, als
boven, door deugd, eer, en dapperheid verkregen. Men ziet hier nevens ook verbeeld
een Leeuw, Paard, en leggenden Kameel; om nader uittedrukken, dat de verwinning
moet behaalt worden, door kragt, moedigheid, en lydzaamheid. Daar wy mede op
zinspelen in 't bovengemelde Boekje, op de verbeelding van den geduldigen
lastdragenden gebukten Kameel, met deze toepassing;
Gedult en stille Lydzaamheid,
Zyn stutten die den Kruisdruk schragen.
Leer van dit Lastdier ('t welk tot dragen
Den rug bied, en zig nederleit)
Hoe elk zig naar zyn lot moet voegen,
Met taay gedult, en vergenoegen.

123
Het eerste vak, geschildert op een regtsen dag aan de slinkerzyde van den Muur,
vertoont de Godin des Rykdoms, of anders d'Afgodin die heel de waereld door hare
blinkende munt betoovert.
Zy zit op een verheven troon of zetel, welker leuningen gebeeldhout zyn met
Arentskoppen, om haar opperste vermogen, en aanzien te beteekenen. Zy houd
op haar schooteen koffertje met gesteenten, en in haar regterhand een Appel. Voor
haar troon staan verscheide cierlyk gewrogte Schotelen, Kannen en Vazen, ook de
Hoorn des Overvloeds, vol goude en zilvere penningen en andere kostelykheden,
die de begeerte verrukken, de zinnen betoveren, en de heele waereld voor zig doen
buigen, om in hare gunst te staan, en van haar staatdochter de Fortuin begistigt te
worden. En gelyk de Magneetsteenhet yzer door een verborgen kragt tot zig trekt,
zoo trekt zy ook door de verborgen kragt van 't blinkend Goud de begeerlyke harten
der menschen naar zig: schoon de zelve niet als de behandeling daar van genieten;
gelyk door de twee kindertjes, die aan een open vaas vol goude en zilvere penningen
lustig en vrolyk grabbelen, en dien spaarpot gretig en yverig staan om te roeren,
om de Schyven van de schimel te bevryden, te zien is, en dat is 't al. Want
Die zig aan 't blinkend goud vergapen,
En zoeken hunne rust in 't geld,
Die vinden zorg die hen steeds kwelt:
Zoo wel in 't gretig zamen schrapen,
Als in 't bezitten van hun wensch;
En schoon het zelve nog vernoegen,
Nog rust, maar onrust baard na 't zwoegen,
't Blyft egter 't doelwit van den mensch.

124
Dus was het oudtyts, en nog heden,
De Munt god word steeds aangebeden.
Men ziet nevens de kindertjes verbeeld, een krokodil, een gedierte dat de vermaarde
Rivieren den Nyl, Ganges, en inzonderheid de Indische stroomen (daar zig de
parelen, gesteenten en het goud laaten vinden,) bewoont.
Nevens den Rykdom staat een vrouwenbeeld, welk in de hand heeft het beeld
van Pluto, en agter haar twee beelden by een vrugtboom, als ook een Kintje dat
van de vruchten plukt. 't Een en ander wil al wat zeggen, gelyk ook de Appel dien
zy in de hand hout, zynde een afbeeldsel van de Goude Appelen, die de Poëten
vercieren dat Herkules mede bragt uit de Hoven der Hesperides. Waar door de
oude Fabeldichters niet anders hebben willen beduiden, dan dat hy uit de Afrikaanse
oorlogen wedergekeert, een ryken buit meê bragt. 't Wil ook aanduyden, dat de
Rykdom ontspruit uit den vruchtbaren Land- en Veebouw, inzonderheid de
Schapenteelt, welker melk en vlees tot voeding, en hunne vellen, of wolle,
noodwendig tot bekleedinge der menschen, groote voordeelen geven en aanbrengen:
waar om men ook in den ouden Fabeltyd heeft verdicht, dat Jason het Gulde vlies
op den raad en door hulp van Medea bekomen, dat is een vetten buit gerooft had,
die Goud waart was.
Het kleene Tafereel boven het stuk verbeeld, dat Jason de Goude vagt veroverd
heeft, na dat hy den beschermdraak gesteld, om het zelve te beletten, had
omgebragt. Het welk zedelyk toegepast, onderwyst, hoe men door 's hemels hulp
en bystand, den Draak van kwade driften en ge-

125
neigtheden, die den toegang tot het Gulde vlies van Godvrugt, en oprechte Deugt
beletten of dwarsboomen, eerst moet overwinnen en dooden.
Het tweede Vak aan de linkerzyde van den muur, verbeeld Mildadigheid,
Voorspoed, jeugdige Gezontheid, en zwakken, of armen Ouderdom.
Mildadigheid staat midden in de Nisshoudende een overvloeds hoorn, daar het
geld aan allen zyden uitstort, in haar rechter arm, het geen mildadigheid, of
mededeelzaamheid te kennen geeft. Aan haare regterzyde knielt de Voorspoed,
die haar aanbied een kostelyk halskarkant. 't Waar te wenschen dat zulks altyd
geschiede en dat de voorspoed den Mildadigen toevloeyde aangezien zy *gewiekte
§open handen hebben om vaardig wel te doen en den behoeftigen meê te deelen.
Gelyk wy dan hier zien dat aan de voeten van de Miltdadigheid de arme Ouderdom,
door een afgeleefde magere oude vrouw verbeeld arm (aan haar slegt hulzel en
bekleeding te kennen) ter aarde leit, by zig hebbende een kruk of stut, leunende op
een waereldkloot, als ook een kindje nevens haar schoot staan,

  • Gewiekte) Dit beteekent vaardig in 't weldoen te wezen, op dat het niet gebeure als verhaald

word, van een Vorst die, bewust dat de wysgeer zyn vrient ziek, en behoeftig was, zoo lang
vertoefde met weldoen dat het te vergeefs was; want als zyn dienaars hem spyze bragten,
was hy al van gebrek overleden.
§ Open handen) Dit beteekent gereede Mildadigheid. Men leest in de oude geschichten dat als
de Gezanten van Bearn bevel ontfangen hadden om een der zoonen van Heer Willem van
Moncade tot hun Vorst te verkiezen, keurden zy dien, welke hun in 't begroeten voorkwam
met open handen; om dat zy het voor een zeker voorteeken van miltdadigheid opnamen.

126
welk van de mildadigheid eenige stukken geld worden toegereikt, waar over 't zig
verheugt, en bly ziet, 't geen klaarlyk aandient; dat de deugt van Mildadigheid, een
troosteresse is voor de wezen, en den afgeleefden een stut verstrekt, wanneer zy
dubbeld ongelukkig; dat is Arm, en Oud, zyn.
Zy heeft een zedig wezen en gelaat, ten bewys dat de Godvrugt in haar hart
huisvest, waarom ook onze vernufteling den †Olyfant tot een zinteeken van de
Godvrugt agter hare zetel heeft geplaatst.
Men ziet ook agter de Miltdadigheid een Arent opwaarts vliegen naar den troon
van Jupiter, 't geen te kennen wil geven, dat de deugt van Miltdadigheid van d' Aarde
opwaarts vliegt, naar den Hemel, waar van zy hare belooninge wagt. En wat lager
de jeugdige Gezontheid, tenger van wezen en leest, bekranst met bloemen, die tot
een krans met levend groen gevlogten Jeugt beteekenen. Zy hout in hare rechterhand
den staf van *Esculapius, en aan haar zyde het stuur of roer van een Schip, welke
dingen Gezontheid, en een gelukkigen staat van Voorspoed beteekenen.
In 't kleene Tafereel boven dit stuk word ver-
† Men zeit dat d'Olyfanten d'opkomende Oosterzon eere bewyzen: en als de Nieuwe Maan
verschynt, dat zy zig dan in de rivier gaan reinigen, en voor de spiegelinge van de maan in
't water zig buigen.

  • Esculapius, de God der Geneeskunde, of gezondmaking, heeft Hyppolitus, door 't hollen van

zyne paarden tusschen de klippen verplettert, na dat hy de afgescheurde ledematen weder
by een verzameld had, door zyn wonderbare geneeskonst geheelt. zie L. Smids kantschrift
op den Brief van Cydippe aan Akontius. Zyn staf is boven aan omwoelt met het geneeskruid
dat hem gevallig door een Slang aangewezen werd. Daar hy de eerste proef meê aan den
dooden Glaukus deed.

127
toont Marcus Curius, daar het gezantschap der Samniters hem met geschenken
komt aanzoeken, en daar hy vergenoegt met een schotel Rapen, gerust, en buiten
staatgewoel, de gezanten, en hunne geschenken afwyst. Dit vertoonsel eischt geen
verklaring.
Weide ik door dit doen in sommiger levensbeschryving wat breet uit, dit geschiet,
om dat de genen, welke nog onbedreven zyn, hunne denkbeelden door het
bespiegelen van grooter vernuften zouden oeffenen, en door brave voorbeelden
hun brein scherpen. 'T is geen blinkende franje, of 't zyn geen beuzelingen, die een
verstandigen lezer doorgaans lastig vallen; maar 't is het wezentlyke, de ziel en het
leven van de Konst, en die het konstwerk doet spreken.
In dit zelve huis van de Flines, thans bewoont van den Heere Adr. Rutgers, is ook
een beschilderde zaal van onzen Laires te zien.
Maar alzoo wy met het verklaren van het voorste werk, reeds buiten ons bestek
zyn uitgedyd, zullen wy 'er niet anders van zeggen, als dat dit zelve konstig van
vinding, wel geteekent, natuurlyk van koleur, geestig van toetakeling, en breed, en
smeltende geschilderd is. Dog dit zouw de eenigste reden niet wezen; maar als ik
bevond dat L A I R E S , in zyn schilderboek verscheiden zyner Tafereelen verklaart
en beschreeven heeft, en niemant als de maker zelf beter weet, wat hy met het
zelve te verbeelden gemeent heeft, heb ik 't noodeloos geacht my daar verder in
uit te laten.
't Waar te wenschen geweest dat hy het zinnebeeld van d' Armoe (door hem zelf
verbeeld) met wat meerder nabedenken bespiegelt had, en in tegendeel het
zinnebeeld van de Spaarzaamheid zig

128
tot naavolging voorgesteld, en betragt, daar hy een grooten troost en steun aan
zoude gehad hebben, toen hem in den jare 1690 de blintheid overkwam, die hem
tot zyn dood bybleef. Menigwerf heeft hy betuigt dat hy blint zynde meer zag dan
toen hy ziende was; want toen zag hy daar hy te voren niet eens op gedacht had,
namentlyk dat hy moest gespaart hebben, dog te laat, even als die van wien Jan
de Bruin de jonge in zyn Jok en Ernstop pag. 5 verhaald: Dat hy zyn inkomen
verwaarloost hebbende, met een zyner vrienden in een Schilders winkel ging, die
daar eenige stukken kogt. Hy ziende een Tafereel dat konstig geschildert was,
verbeeldende het oordeel, dog dier van prys, en geen geld hebbende om 't zelve
te koopen, gaf de smart die hy daar over had dus te kennen: Wat een Oordeel verlies
ik, overmits ik geen geld heb! waar op zyn vrient hem tot antwoord gaf: Gy mocht
beter zeggen: wat een geld verlies ik, overmits ik geen Oordeel heb!Dog het schynt
my toe dat zyn noodlot hem uit geduldigen aart zoo zeer niet smarte als het wel
anderen zou gedaan hebben! want die genen die verkeering met hem gehouden
hebben, getuigen, dat hy zig in die elende heel getroost droeg, en zig met een
deuntje op de Fluit, of de Fiool te spelen vermaakte, daar hy wonder wel in bedreven
was.
Hy verstond zig heel wel op de Geniologiaof uytbeelding des verstands, en wat
de Historien, en de oudtydsche gebruiken, in opzigt der Feesten, Praalen, Zwier,
Vergodingen, en Lykbestellingen, met hunnen toestel, of aankleven van dien
aanbelangt, daar omtrent bediende hy zig, van in de Oudheidskunde bedreven
puikdichter

129
Andries Pels, die hem dikwils kwam bezoeken.
De zugt, en geneigtheid tot de Konst bleef hem, schoon blint, by tot het eynde
van zyn leven, en verscheiden liefhebbers, Schilders, en Plaatsnyders kwamen
weekelyk by den anderen aan zyn huis, om zyne lessen, of redenvoeringen over
het een en ander deel van de Konst te hooren, die hy, na dat hy 'er een denkbeeld
van gevormt had zoo goet als hy kon schreef.
De Lezer zal licht vragen hoe dit geschieden konde, daar hy blind was? maar hy
deed het dus; hy had twee geplumuurde doeken, waar op hy by den tast, als men
zeit, schreef met een stuk wit kryt. Als de een vol geschreven was, vervolgde hy op
den anderen, terwyl inmiddels de eerste door een van zyn Zoonen wierd na
geschreven op papier, en voorts uitgewist, om ledig te wezen tegens dat de tweede
doek weder met kryt vol geschreven zoude zyn. Eyndelyk zyn deze schriften
opgezamelt, en door het Konstgenootschap tot twee Boeken geschikt, en overal
met plaatwerk, daar de voorwerpen, waar op hy in zyne redenvoeringe zinspeelt,
op vertoont staan, vermengt. Het eerste dient tot inleyding van het tweede, en
handelt van de Teekenkonst, gelyk het tweede van de Schilderkonst, nevens al het
gene daar toe behoort.
Hy overleed in Amsterdam in 't jaar 1711. en werd door 't Konstgenootschap
gedragen, en op 't Leitsche Kerkhof ter aarde besteld, op den 28 van Hooymaand.
De Konstlievende Arnout van Halen, die groote agting voor zyn Konst heeft, ziende
naa lang wagten, dat niemant van de Amsterdamsche Dichters, des mans overlyden
met eenig Lykdicht ge-

130
dacht, maar 't zelve met een eeuwig stilzwygen scheen voor by te willen stappen,
vatte de pen op en maakte een langslepend rouwbeklag, tot een altyd-duurende
gedagtenis van zyn overlyden, waar van de Tytel dus is:
Op de stilzwygentheid van den Amsterdamschen
Helikon, over het afsterven van den vermaarden
Konstschilder Gerard de Lairesse &c. Het begint dus:
Wat tyd beleef ik, ach! vermaarde Amstelaren,
Nu dat het licht verdwynt der grootste Konstenaren,
Die zoo veel jaren hier roemrugtig heeft geleeft,
En na zyn dood niet meer in uw gedagten zweeft.
Is dan die Geest niet waart, voor al zyn Konstbedryven,
En moeite, dat uw pen zyn lof voor 't laatst mag schryven?
Daar Schilder en Poeët, van een natuur en aart;
In geest en vinding, als gezusters gaan gepaart.
En zoo voort..... Waar op zig W. vander Hoeven aldus liet hooren:
De liefde tot de Konst brengt onsL A I R E S Voor d' oogen,
Wiens onbepaalde geest, ten Hemel ingevlogen,
Den Schilders voorlicht als een beld're morgenstar,
Gelyk Auroraas schoon gelaat, of als de Kar
Van Phebus, waar zy eerst in 't Oosten op komt dagen.
Heeft danVAN HALENS pen geen reden om te klagen,
Terwyl geen Dichters oog dien Schilderheld beschreit,
Die met natuur om 't schoonst heeft met penceel gepleit?
Zyn vlugge hand werd door zoo hoogen geest gedreven,

131
Dat hy 't verstorven deed door zyne Konst herleven:
Dit speet de dood; zy stak, als dol en opgeruit,
Toen 't sterflot haar bedwong, LAIRES zyn oogen uit.
Om dat zyn Schilderkonst haar macht niet zou braveren.
Wat lager:
VAN HALEN, dieLAIRES zyn licht, zyn leidstar noemt,
Heeft zig na zyne dood op 't loffelykst gekweten.
en eyndelyk:
L A I R E S herleeft door hem in schraapkonst, en Gedicht.
De Zangers aarzelden om 's Mans waardy te roemen:
Dit gafV A N H A L E N stof d' ondankbaarheid te doemen.
Die ook de Beeltenis van L A I R E S (door hem zelf in koper gebragt) liet voor het
Lykdicht, en agter aan zyn Grafschrift drukken, op dat de gedachtenis van zyn
overlyden niet te gelyk met zyn Lichaam vergaan zoude.
Meer gemelde van Halen is ook bezitter van een zyner beste Konststukken,
verbeeldende de vergoding van Eneas, daar P. Rixtel dit vaersje op gemaakt heeft:
Hier spoelt Numicius, Eneas Mensch-heid af;
Die, na veel ramp, in 't ent, geplaatst word by de Goden:
Het lof van d' Oorlogsmoet, blyft eeuwig buiten 't Graf.

132
Vrouw Venus daalt beneen, om hem om hoog te nooden.
Men loont de dapperheid vaak lasterlyk met nyt.
Dies stygtse om hoog, en word ontsterflyk, door den stryt.
Eyndelyk moeten wy nog na zyn dood tot zyn roem zeggen: dat hy de
persoonverbeelding, volgens den regel der Konst wel verstaan heeft, waarom ook
zyne Konsttafereelen met den eersten opslag aanduiden wat zy verbeelden willen:
en zig daar omtrent zelden heeft vergrepen. Want dat somwyl groote meesters een
misslag hebben begaan, eischt geen bewys. Wie is 'er zonder gebreken? dus zoo
ik niemant een puikschilder wilde noemen dan die volmaakt in al zyn doen was,
weet ik niet wie op de lyst myner Konstgenooten boven aan moest staan; waarom
ik in dit opzigt van de zelve, zeg, als * A. Pelsvan de Dichters:
Niet dat ik een gedicht juist zoo volmaakt begeer,
Dat ik geen misslag in den Dichter zou verschoonen.
In 't luitslaan geeft somtyts een snaar wel and're toonen,
Als hart, en hand begeert; men grypt by avontuur,
Al denkt men in B mol te grypen, in B duur,
Ook treft de pyl niet steeds, daar oog, en boog op mikken.
Dus weet ik eene vlek, of twee wel in te schikken,
Die uit verzuimenis, of's menschen zwakheid spruit
Steekt maar het grootste deel des werks voortreflyk uit.
Onze G E R A R D L A I R E S had drie Broeders, E R N S T of E R N E S T genaamt, die
ouder was, en twee die jonger waren dan hy, J A C Q U E S en J A N die nog in leven
is, en dagelyks 't penceel oeffent.

  • In Q. Horat. Dichtk. pag. 33.


133
E R N E S T , die al vroeg in de Konst gevordert was, muntte inzonderheid uit in 't
schilderen van allerhande gedierte, waar van hy een geheel boek toegestelt had,
en zyn beeltenis uitvoerig in waterverf geschildert daar voor geplaatst, het geen als
den Canceliervan den Prins van Luik in handen kwam, hy zulk welgevallen daar in
had, dat hy hem aannam in zyn dienst: dog zont hem op zyn kosten naar Italie om
zyn Konst naar brave voorbeelden voort te zetten. Van daar weder gekomen, is hy
in dienst van gemelden Prins tot Bonoverleden, omtrent den ouderdom van 40
jaren.
J A C Q U E S , die naar onzen G E R A R D volgde, schilderde alles, ook beelden in
't graau om in nissen te plaatsen, maar daar hy zig 't best op verstond, was 't
bloemschilderen, hy kwam meê van Luik naar Amsterdam zakken, daar hy de Konst
tot het einde van zyn leven geoeffent heeft.
G E R A R D D E L A I R E S S E liet drie Zonen na. De oudste ANDRIES genaamt,
geen genegenheid tot de Konst hebbende, ging in Vrankryk by een Koopman
woonen, naa welks dood hy naar Indie vertrok. De twee andere ABRAHAM en JAN
oeffenen de Konst, gelyk ook hun Neef de oudste Zoon van J A C Q U E S , van wien
met roem gesproken wort, zoo dat de naam der L A I R E S S E N niet licht staat te
verdwynen.
Wy hebben in eene Redenvoering op pag. 334. van ons tweede Boek ter proef
gebragt, wat een goede leyding vermag omtrent de genen die een laagen geest
bezitten, en by den uitslag gezien, dat niet mogelyk is hen door dien weg tot groote
ondernemingen in de Konst op te voeren. Nu is overig aan onze belofte op 't end
van onze laatste Redenvoering te voldoen.

134
Onderwyl de kaarsen gesnoten worden klinkt het snarenspel.
De laatste tusschenrede hadden wy besloten zonder op de vrage: of de natuurdrift,
of 't onderwys elk in 't byzonder een goed Schilder maken kan: en of de Schilders
die een grooter verstant dan anderen bezitten, altyd de grootste meesters in de
Konst zyn; te antwoorden.
My schiet in gedagten dat ik eens van ymand heb hooren zeggen: Dat alle
Menschen met even groot verstant geboren worden, en ook verstandigen voor, en
tegen die zaak hooren twisten; gelyk ook of het verstant in den mensch door de
generatie, dat is: met de teling word ingestort, dan of het van elders in dat punt des
tyds komt. Zeker zoo 'er verschil viel over de gestalte der kooten in de pooten van
een mug, of over het schuine, of kruiswysse draadschynig weefzel van hun vlerkjes,
men hoefde zig maar te bedienen van de beroemde vergrootglazen van den Delfsen
Leeuwenhoek, om uit de duttery te komen: maar verborgentheden in een donkeren
kelder van de natuur opgesloten te beschouwen, daar toe is myn gezicht te duister,
en onbedrieglyke geslepen kykglazen, om zulks te konnen zien, weet ik niet of
ergens te koop zyn. 'T zal dan best wezen, dat wy onze meening door voorbeelden
betogen, dat zyn zaaken waar over men niet hoeft te twisten: aangezien die vatbaar
zyn voor het menschelyk begryp, meer of min haar het zelve geoeffent is, want naar
mate der leiding zyn de begrypen der menschen doolende, of rechtzinnig. En gelyk
een Beelthouwer van zyn blok door afsnipperingen zyn Beeld vormt, naar die gestalte
waar toe het dienen moet: zoo word ook des menschen

135
verstant door beschaving van een vernuftigen beitel bereid tot zoodanige werkingen
die het heeft te verrigten. Dog gelyk alle houd niet even bekwaam tot het bewerken
is; zoo volgt ook dat niet alle verstanden even wel geslepen konnen worden, tot een
en dezelve oeffening; maar dat het eene tot dit, en 't andere tot wat anders bekwaam
gemaakt kan worden, schoon het door een en de zelve leyding word bewerkt.
Dus hangt de bekwaammaking van het menschelyk verstand tot de uitvoering
van vernuftige werken niet volslagen af van de bekwame leyding, maar te zamen
van de natuurlyke of aangeboren geneigtheid, en goede leyding: zoo dat nog door
de leyding, nog door de natuurdrift, elk op zig zelve afgetrokken, maar door beide
te gelyk, het verstand tot vernuftige bewerkingen bekwaam gemaakt word. Zulks
dat dien een van beide ontbreekt bezwaarlyk een goed Konstschilder kan worden.
Dit gezegde zal de Heer Petr. Franciusnog klaarder aanduiden in zyne
redenvoering van eenen volmaakten redenaar, daar hy de noodwendigheid der
uiterlyke gebaarden en stemleyding bepleitende, dus zeit:
De eerste beginselen is men aan de natuur verschuldigt, de overige aan de Konst
en dagelyksche oeffeninge. Zonder Konst is de natuur zwak en onvolmaakt: en de
Konst, zoo ze de natuur niet te baat heeft, is ydel; want zy heeft niet waar in zy zig
oeffent. Hierom missen zy, myns oordeels, byster, die alle deze uitwendige
welsprekentheid, welke in de uitspraak en gebaarden bestaat, de natuur alleen
toeschryven, en alles wat van de Konst ontleent word,

136
aanstonds voor gemaakt uitschreeuwen, en meenen dat niemant te gelyk natuurlyk
en konstig zou konmen spreken. en lager.
Gy dwaalt, wie gy ook zyt; en gy verstaat niet ter deege wat tot de natuur, wat tot
de Konst behoort. Dog ik begryp het dus; dat al wat natuurlyk is, konstig, al wat
konstig is, natuurlyk zy. Ik schyn een wonderspreuk te zeggen: en niets is nogtans
waarachtiger; want niets word 'er van de natuur voltooit, ten zy 'er de Konst by kome;
niets van de Konst, 't en zy natuur voorgaaenz. Dit op de Schilderkonstoeffenaars
toegepast agten wy dat verstaanbaar genoeg op het voorstel: of de natuurdrift, of
't onderwys elk in 't byzonder een goed Schilder maken kan, geantwoort is: dog ons
lust tot meerder bestempeling de getuigenis van Andries Pelshier by te halen, die
in zyne vertaling van Q. Horatius Flaceus Dichtkonst op pag. 30 dus zeit:
De meeste menschen, dat 's te zeggen zeer veel zotten,
Die alle konsten, en bespiegeling bespotten,
Gelooven, dat alleen de geest Poëten maakt,
En konst, of oeffening, de Poëzy niet raakt;
Zoo datze lieden van verstant, en oordeel buiten
Den berg van Helicon, en zyne grenzen sluiten.
en op pag. 5 en 36.
Men heeft van ouds getwist, en twist nog op dit uur;
Of ymant Dichter word door konst, of door natuur.
Voor my, ik oordeel, wien de Zanggodinnen haaten,
Dat hem nog oeffening, nog blokken iets zal baaten.
Ook is 'er, dunkt me, niets van waarde aan d'andre kant
Te hoopen van een gaauw, maar onbeschaaft verstant.

137
De een heeft des and'ren hulp van doen, een' vruchtbaare ader
Zoo van natuur, als konst, behooren bey te gader
Verzelt te weezen, eer men in 't beroemd getal
Der grootste Dichteren een plaats verkrygen zal.
Dit oordeel te gelyk met dat van Francius op de Schilderkonst (die het zelve in dit
opzicht met de Dichtkonst is) toegepast, schynt daar geen twist meer over te vallen.
Dog het is een gemeene spreuk, en de bevinding bevestigt de waarheid der zelve.
Dat 'er geen regel is zonder tegenspraak; want schoon het in 't algemeen waarheid
is, en zulks met redenen verstandige mannen bekragtigt hebben, datmen zonder
natuurdrift en leyding geen meester in de Konst worden kan; zoo hebben wy egter
voorbeelden van mannen, die zonder leyding alleen door drift en genegenheid
Konstenaars geworden zyn, uit hun eigen getuigenis geboekt: maar ik twyffel niet
als hun met ernst gevraagt wierd, of het hun in hunnen oeffentyd niet ging als een
reiziger die op een velt doolt daar geen huizen staan, om naar den naasten weg te
konnen vragen, en dos een grooten omtrek tot zweetens toe moet afloopen eer hy
te recht raakt, of zy zouden zulks moeten bekennen, en ja zeggen.
Gelyk het dan in 't algemeen niet vast gaat, dat men zonder leyding geen goed
Schilder word, zoo gaat het ook in 't algemeen niet door, dat de grootste vernuften
en veelweeters, de grootste, of beste Konstschilders zyn.
Myn Meester S.v. Hoogstraten bezat een groot verstant, in by na alle zaken;
inzonderheid verstont hy de grontreegels der Konst, zoo volkomen in allen deelen,
dat ik niet geloof dat 'er ie-

138
mant na hem dezelve beter verstaan heeft: maar, hy was daarom geen hoogvlieger
in de behandeling van de zelve. In tegendeel heeftmen gezien dat anderen die min
dan een gemeen verstant bezaten, groote vernuftelingen te boven streefden. 'T lust
ons een staaltje tot bevestiging van ons gezegde, en tot verlustiging van den Lezer,
hier by te voegen, van Herm. Zachtleven, dien geagten Rynstroomschilder. Deze
was zoo onbedreven in de Weereldkunde, zoo onnoozel in zyn omgang, en zoo
eenvoudig in zyn begrypen buiten de Konst: dat hy in een vol gezelschap van
Schilders tot Utrecht (daar Ger. Hoet ook tegenwoordig was) verhaalde: dat hem,
(komende met den wagen van Deventer op Utrecht) door den voerman was vertelt,
dat in Gelderland en Overyssel in gebruik is, als 'er een paar jong volks by de Boeren
trouwt, dat de buuren en vrienden elk wat toebrengen om Bruiloft meê te houden,
't geenze dan een geefbruiloft noemen: en wanneer al 't gene dat te samen gebragt
is, niet opgegeeten word geduurende die vrolykheid, of dat de jonge getrouwden 't
niet ten goede zouden konnen gebruiken, dat dan ieder gast daar van iets weder
mede te rug draagt naar zyn huis: en dat gebeurt is, dat een Boere meid een brood
weder te rug droeg, en komende aan een wyd en slikkig wagen spoor, ontziende
haar bruiloftsmuiltjes en witte kousjes vuil te maken, het brood in 't spoor leide om
daar op te trappen, maar (het misbruik tot een spiegel) haare voeten bleven
onbeweeglyk vast daar op staan, zonder van de plaats te konnen komen. En dit
verhaalde die goede oude Man, met zulk een ernstig wezen, dat zy verzet stonden
over deszelfs onnoozelheid, geloovende hy voor waarheid,

139
't geen een potsige wagenaar hem, om de klugt, op de mouw gespelt had.
'T kan wezen dat onze Schilder een lit van die Kerk is geweest, welke al dusdanige
dingen, en die nog vreemder zyn, zonder onderzoek leeraart te moeten gelooven,
en de rest van 't gezelschap zulke, die geen geloof slaan aan vertellingen, ten zy
de zelve op waarschynlykheid gegrond zyn. 'T geen wy dan licht wat verschoonen
konnen.
De reden waarom de verstandigste onder de Konstoeffenaren, en die in
Historykunde, Oudheden, en andere wetenschappen ervaren zyn, dikwils by andere
die min wetenschappen bezitten, in Konst van schilderen te kort schieten: komt daar
van daan, dat de zelve uit hoofde van hun veel weten, met menigerhande en
verschillige denkbeelden bezet zyn die hen teffens vleijen, en tot de uitvoering
sporen; waar door het gebeurt dat zy in geen van alle uitsteken; aangezien elk deel
der Konst een geheel menschen leven alleen vereist, zoo men daar in boven alle
anderen wil uitmunten. Ja dit gaat zoo veer, dat de bevinding ons heeft doen zien,
dat een vernufteling, wiens geneigtheid onbepaalt tot alles zwiert, en zig tot geen
bepaalde verkiezing van eenig byzonder deel der Konst zetten kan, veeltyds anderen,
die alleen zig oeffenen in 't geringste van de Konst, niet te boven streven kan.
'T is waar, wy hebben niet veel rôem over voor lage geesten, die uit laf hartige
beschroomtheid, hun vermogen nooit op de proef stellen, en, als Quintilianus zeit,
langs den grond kruipen uit vreeze van te zullen vallen. Dog die ook alle anderen
in hun bedryf en oeffening (uit een al te groote verbeelding van hun vermogen)
straks op

140
de hielen volgen, dog altyd agter blyven, doen nog minder nut aan de Konstschool.
Dog zoo de schilderjeugt naar goeden raad luisteren wil, zy geve acht op de
Spaansche wysspreuk die zeit: men moet zyn schouders voor af beproeven of zy
magtig zyn, dien last te torschen, dien men tragt te onderneemen, en stellen haar
vernuft en kragten ter proef, agt gevende waar toe haar natuurlyke geneigtheid
meest held, waar aan zy zig dan houden moet, wil zy zig zelve en de Konst dienst
doen. Gelyk ik ook zulken in tegendeel, die te los, zaken ondernemen die boven
hun bereyk zyn, wys tot de oude Hollandsche zinspreuk, die leert, dat niemant wyder
moet tragten te springen dan zyn pols reiken kan.
Niemant moet uit onze redenvoering verkeert besluiten, dat wy het verstant en
bedrevenheid in allerhande kundigheden ondienstig agten, voor een Konstschilder;
of dat niets het verstant eenig behulp zoude konnen toebrengen. De twee
voorbeelden aangehaald, toonen alleen dat het dus by wylen gebeurt: en is zulks
geschiet om aan de vrage: of de Schilders die een grooter verstant als anderen
bezitten, altyd de grootste meesters in de Konst zyn?voldoening te geven.
Om nu het besluit op de voorstellingen, uit de voorbeelden, en voor-, en
tegenredenvoeringen op te maken, zoo zeggen wy: eerst, dat gemeene verstanden,
in 't een of ander deel der Konst somwyl hebben uitgemunt. Ten tweede, dat
gebeuren kan, dat groote verstanden in vele wetenschappen en kundigheden
bedreven, welke vereist worden om een goed Historyschilder te wezen, naar mate
van hun vernuft en kundigheid, altyd geen overvliegers in de Konst zyn: maar dit
gaat

141
altyd zeker, dat alle hoogvliegers in de Konst, en die door hun penceel een
altytduurenden roem behaald hebben, groote vernuftelingen en veelweeters geweest
zyn. De bevinding heeft ons dit geleerd, en 't gaat wis: dat de grootste
Schilderkonstoeffenaars, ook in verstant en wetenschappen hebben uitgemunt, en
zig daar van op hun tyd bedient; 't geen zy hebben doen zien in hunne
penceelwerken, daar de vernuftige vindingen, bespiegelingen en bygevoegde
cieraden klare blyken geven, dat hun verheven geest, den aart, en grond der
verbeelde zaaken begreep, wanneer zy die door zinnebeelden en invoegselen
wisten aan te duiden.
'T lust ons een opmerkelyk staal van vernuftige vindinge, in een konststuk, door
Rubbenspenceel bemaalt, en door Vondelspen beschreven, tot bestempeling van
ons gezegde, na te schryven, uit de opdragt voor het Treurspel der Gebroederen.
Hier word ik belast(zeit hy) om door Rubbens, ds glorie der penceelen onzer eeuwe,
een heerlyk en Koninglyk tafereel, als een treurtooneel te stofferen. Hy valt aan het
teekenen, ordineren en schilderen, nog zyn wakkere geest rust eer het werkstuk
voltooit zy. David zit 'er zwaarmoedig op den hoogen troon. Men ziet 'er, door een
poort in 't verschiet, de drooge dorre en dorstige landouw quynen. Boven in 't gewelf
van 't pragtige marmeren en cederen hof zwieren sommige Engelkens, die, naar
de gewoone zinrykheid des allervernuftigsten Schilders, elk om stryt bezig zyn om
net uit te beelden 't geen ter zaake dient. 't Een schynt het vonnis der Gebroederen
uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander geeft

142
met een gesloten waterspuit te kennen, dat de Hemel gesloten zy. Een ander beduit
met een dompige fakkel, een ander met een waeijer in 't aangezigt waeijende, hitte
en benaauwtheid. Twee andere schynen twee stammen uit te beelden, te weten,
het een, dat, vrolyk van opzigt, met kroon en schepter in top vliegt, Juda; het ander,
dat, verbaast en treurig van gelaat, en met den hoofde neêrwaart vallende, vaar de
vallende kroon grypt, Benjamin. Andere maken een yzere keten klaar om der
misdadigen halzen te sluiten. Een ander drukt met weegschaal en zwaart de
rechtvaardigheid der straffe uit. Sauls verweze nakomelingen staan voor den
rechterstoel, en zien zeer deerlyk, overmits Benajas den lammen Mefiboseth, en
het kleentje Micha, op het wenken van 's Konings oogen, en wyzen des uitgestrekten
schepters, uit den hoop trekt; terwyl de Gabaonners met wraakgierige en gloeijende
aangezichten, aan de eene zyde, op hun recht dringen, en aan de andere zyde hem
benaauwen het misbaar en de tranen der alderbedrukste Michol; waar nevens de
stokoude Weduwe, al bevende met de rechterhand op haar stoksken, en met de
slinker op den rechten schouder van hare kamenier leunende, met een lachend
aanschyn meld, datze, van rouwe aan 't mymeren geslagen, niet weet watze zeit.
Maar hy al even styf weet nu van geen erbermen, Nog keert zig 't allerminst aan
tranen, nog aan kermen.
Zeker daar zal niemant wezen die dit leeft of hy zal moeten toestemmen dat tot
zulk eene verbeelding verstand vereist word, en Rubbensgevolgelyk een man van
geoeffende zinnen is geweest.
Dog niet tegenstaande dat deze wyze van ver-

143
beeldingen den zin der Historie klaar aanduid, nogtans moeten al zulke, die zig in
't schilderen van Historien oeffenen willen, dit tot een les nemen, dat, wanneer men
buiten vercieringen magtig is de eigen beeltenissen van de Historie te doen spreken,
men de byvoegselen moet vermyden. Dog dit niet konnende doen, zoo moet 'er
een zekere maat in gehouden worden; op dat men de Historie niet in het by gevoegde
cieraat verlieze: waar ontrent wy dan nog onderscheid maken tusschen weereldlyke
of Heidensche Historien en Bybelstof, tot welke zoo veel vryheid niet gegeven word,
maar die om verscheiden reden, elders betoogt, in enger palen besloten word.
De groote Vondel is hier omtrent met ons van een zelve begryp. Ik lees in 't Bericht
voor zyn tooneelstuk van LUCIFER,(daar hy van de Dichtkonst spreekt, het geen wy
op de schilderkonst toepassen) deze woorden: Ondertusschen ont kennen wy
geenzins, dat heilige stof den Toneeldichteren naauwer verbint, en intoomt, dan
weereldlyke Historien of Heidensche verciersels; onaangezien de oude en befaamde
handvest der Poëzy, by Horatius Flakkus, in zyne Dichtkonst, met deeze vaerzen
uitgedrukt:
De Schilder en Poëet ontfingen beide een magt, Van alles te bestaan, wat elk zig
dienstig acht.
En nog klaarder in de opdragt van deG E B R O E D E R S , waar in wy met een zullen
zien dat verstandig en van naauwe opmerking moeten wezen alle de genen die
konsten naar vereisch zullen behandelen.
Men moet( hy spreekt van de Dichtkonst) haar

144
inwilligen een voegelyk misbruik, of liever een noodige vryheid, gelyk in meer
konsten.
De Schilder, hoe wel hy niet anders als een nabootser van de natuur zy, verciert
nochtans dikwils eenige hyvallende schaduwe, om 't ander werk te doen voorkomen:
of maalt naakten en andere cieraden, die de Historie eenen welstand byzetten. Zoo
leit het penceel ook zyn oordeel te werk in 't leggen en wel schikken der verwen,
die zig best onderling verdragen. Muzikanten huwen heele aan halve toonen, en
zoete aan wrange klanken; om het gehoor met meer zoetigheids, en bevalligheids
te kittelen. Het gelyken der dingen tegens malkanderen is van groot vermogen, en
geeft de zaak, die in zig zelve de zelve blyft, terstond een ander aanzigt. Evenwel
is ons niet onbewust, dat in 't herhalen en vertoonen van geschiedenissen,
beschreven met die zuivere en sneeuwitte Duiveveder( getrokken als uit den vleugel
der Hemelsche Duive, die aan den oever der Jordane, op dat van heiligheid stralende
hoofd des onbesmetten nederdaalde) een zonderlinge matigheid en eerbiedigheid
dient onderhouden; terwyl men in weereldlyke Historien, nog meer in Heidensche
vercieringen, ruim schoots, dog altyd binnen de palen der waarschynlykheid, mag
zeilen.
Zeker wy moeten besluiten dat de gryze Vader in den omgang met de
Amsterdamsche Konstschilders zyn wit beoogt heeft; wanneer wy hem dus op
vasten grond, van de Konst, en derzelver byzondere waarnemingen hooren
redenkavelen.
Hy doelde op wetenschap, en heeft geen waan gekent. Zyn boom droeg vrugten,
van 't begin aan tot op 't ent.

145
Hebt gy dan lust, ô Schildergeesten, om het penceel tot dartelder vertooningen te
vleyen? wel aan wy willen, ten dienst van de Konst, daar van een natuurlyk vertoog
doen; op dat, zoo gy onbedreven mocht wezen in den oudtydschen zwier dier
Feestgebruiken, niet (als men zegt) in 't wild mogt schermen, maar de zelve in haren
rechten aart verbeelden. Geen duidelyker penschildery hebben wy daar van aan u
konnen voorstellen, dan die van Dan. Heinsius, daar hy Bachus feestviering met
zyn gantschen omslag, met opheldering van de zaaken en persoonen, daar in
vermeld, by gelegenheid van de verlaaten en klagende Ariadne, op 't eyland Naxos
aldus beschryft:
En wyl1 zy nog haar2 klachte, en klaachelykereden,
Uyt storte op 't droeve strant, komt3 BACCHUS aangetreden.
Waar in hare klaagreedenen bestonden meld de Dichter L. Rotgans in dit volgende
vaers aldus.
1 (A R I A D N E ,)
2 Aanhoor de klagt van uwe minnares,
En voer my naar uw vaderlyke stranden,
En tempels, daar Minerves offers branden.
Keer weer! keer weer! hier zwygt de Ryksprinses.
Haar hart bezwykt, De rouw verteert haar krachten.
Zy zygt, alleen en zonder hulp, in 't zand.
Maar Thesus roept: vaar wel: en steekt van land,
Verhard en doof voor Ariadnes klagten.
3 (BACCHUS) den zoon van Jupiter en Semele, uit de vlam die haar verteerde gered, eer hy
voldragen was, stak Jupiter zelf in zyn dye, waar uit hy naderhand geboren werd, in Nise,
een stad in Arabie, en gesteld onder d'opvoeding der Bergnimfen. Dog Macrobiusen anderen
schryven dat hy in Nisa, een Stad Indie, niet ver van den berg Meros, geboren is, het welk in
de Griekse taal een Dye beteekent. Anderen willen dat hy aan den Ryn zoude geboren
weezen, daar dit volgende vaersje op speelt:
............ een yder zegt het zyn.
Maar ik meen dat gy zyt geboren aan den Ryn.
............. Daar waren uw altaren,
Daar staat nog uwen naam, gemerkt.....
te weten te Bacharach, welke benaminge haar oorspronk heeft van Bacchi ara, de altaar van
Bachus.

146
Met zynen dronken hoop, die afgekeert van tucht
Vast schreeuden dat de galm zig spreide tot de lucht,
In 't naad'ren van de strand. Tien breissende4M E N A D E N ,
Omringden zyne Koets, en evenveel5L E N A D E N ,
Elk had een lange6 Spies, bewoelt aan allen kant,
Met klimmerbladeren, in hare rechte handt.
De Satyrs sprongen: en7S I L E N U S vol gezope.
4 (M E N A D E N ) Dus werden de vrouwen die Bachus feest hielpen vieren genoemt, naar het
Griekse woord, dat dol en razende beteekent.
5 L E N A D E N ] Dus worden ook de Priesteressen van Bachus genoemt, naar het Griekse woord
dat zo veel te kennen geeft, als van de Pers, daar men 't sap meê uit de druiven perst.
6 Lange Spies.] Thyrsusgenaamt, bekleed met wyngerdbladen of klim. Dus zeit Nonnus.
Een Thyrsus was zyn spies, alom met blaaderen dicht.
Van Wyngaarden bekleed: van yzer was de schicht.
En Euripides: Hy gaf den Thyrsus in de handt,
Vol klimmerkruid aan allen kant.
7 S I L E N U S .] Deze zeggen sommige Dichters, dat Bachus opgevoed heeft, maar de meeste
dat hy hem alleen gestadig verzelde met zyn Ezel, die naderhand vergood is. Waar op Ararus
ziet, als hy zeit: Datmen zig daarom niet hoeft te beklagen; aangezien 'er nog op d'aarde
blyven.

147
Kwam met zyn * Ezel, traag van agter aan gedropen.
Hy droeg aan d'eene hand de Goddelyke8 wan,
En in zyn and're hand een groote volle kan.
Twee Goden uit den hoop, die van zyn9 Nachten wisten,
Die droegen het10 Geheim, in twee beslooten11 kisten.

  • ( Ezel) d'Oosterse volken, zelfs Koningen, hebben Ezels gebruikt, om op te ryden, en schoon

het thans niet meer in. gebruik is, de zelve voor wagens of koetsen te spannen, egter waren
zy oudtyds daar niet vremt van. zie Kolumella de Asino Lib. 2. Cap. 1. zy werden ook gebruikt
om den ploeg te trekken, en om in den Rosmolen te lopen, volgens de getuigenisse van
Josephus, Varro, Plinius, Ovidius& c.
8 Wan] sommigen zeggen dat het zyn wieg was, om dat het Griekse woord, een Wan, en een
Wiegbeteekent, dog Vergiliusvertaald het een wan, zeggende: de Heilige wan van Bachus.
9 NACHTEN.] Dit ziet op de Godsdieristoeffening en feesten van Bachus die ook wel in de nacht
gevierd werden, om welke reden Virgilius den Berg Citheron, daar deze Godsdienst geschiede,
van de Nacht Nocturnumnoemt. Hy zelf werd ook daarom van de Grieken Nycteleusgenoemt.
10 ( Geheim) ?p?la, Dat is het heymelyk tuig van Bachus.
11 ( Besloote Kisten) de Grieken noemden die besloten Kisten Van Bachus ?ísa? Tubulins: Et
levis occultis conscia cista sacris.
Dat is: En ook daar by de lichte kist.
Dat is: Die zyn verborgentheden wist.
Dat de oude Heidenen voor gewoonte hadden hunne Goden om te voeren, in pragtig
opgesmeukte kisten, onder overdekte tenten, blykt niet alleen uit de spreekwyze by Amos
Cap. 5. vers 26, maar ook uit de getuigenis van Apuleius, en Plutarchus. Pausaniasspreekt
mede van diergelyk een kist by de Troianen welke, by 't innemen hunner Stad geopent
wordende, daar in werd bevonden het Beeld van vader Bachus, en Suidasmede daar Van
sprekende, zeit: Datze de geheymen van Bachus, Ceres, en van Proserpyn bewaarden. De
reden waarom zulks onder 't heydendom vereift wierd, was, om dat de grond waar op hun
Godsdienst steunde (enkel door list der priefterschap gesmeed) niet als in wysmakery en
bedrog bestond, en dat 'er geen beter middel was, om het gemeen agting daar voor te doen
hebben, en houden, dan metze d'oogen des volks t' ontrekken en door waan van een groote
geheymenis, ontzag en eerbied te verwekken. Ja hoe geheim zy die prullekraam wilden
gehouden hebben blykt aan de zwaare straf die 'er op gestelt was, wanneer iemant die het
geheim wist, door lossigheid dit aan andere overkraaide.
Appius Coecus werd van zyn oogen berooft; om dat hy de geheimen van Hercules heiligdom
den slaven had bekend gemaakt.

148
Hen volgde12 M A R O N na, en leste zynen dorst.
Al gaande langs den weg, met zoet en nieuwen most.
De dronken13 S T A P H Y L U S , enB O T R U S kaal van veeren,
Met al het huisgezin, kwam agter aan laveren,
En14 M E T H E , vol van wyn, dat onbesuisde wyf,
Viel dikwils in het gaan, S Y L V A N U S op het lyf.
Veel bromde grof geluid, gemengelt met15 Cymbalen,
En 't Hamers groot gebons, vervulde berg en dalen,
12 ( Maron) een priester van Bachus, of een van zyn gevolg, van welken Atheneuszeit in zyn 6
B. dat de wyn, dien de Latynen Vinum Mareoticumnoemen zyn naam heeft.
13 (STAPHYLUS en BOTRUS) vrienden van Bachus, d'eerste heeft volgens zeggen van Nonnus,
dien naam naar 't Griekse woort 't welk druiven beteekent, de laatste beteekent Kaal van
Veeren, om dat de Dronkaars in 't gemeen naakt en kaal zyn.
14 (ƒªƒÃ.ƒÅ METHE een naam van dronkenschap.
15 ( Cymbalen) Nonnusschryft overal de Cymbalen Bachus toe, als ook de Hamers.
Dat Bachus vinder der Cymbalen,
En hamerklanken, is geweest,
En die gebruikt heeft op u feest.
Wat dit voor Speeltuigen waren, en wat vorm zy hadden, hebben wy in den Voorlooper der
Psalmen van den Profess. S. v. Til aangewezen, te weten: twee halve uitgeholde ronde
metaale bollen, welker buitenste rond een handvatsel, of riem had, dien de hand om vatte.
Onder 't dansen of springen, werden de zelve, of schuivende of recht op malkander geslagen,
waar door verandering in den klank gemaakt werd, om dien met zangtoonen en snarenspel
te paaren.

149
En Naxos oever, zelf zoo baaude d'Echo meê,
En riep met dubb'len klank16 ôE V A N Evoë.
Terwyl wy nu den optocht van Bachus, met zyn gantschen zwier breedwydig, hebben
aangetogen, is 'er eyndelyk nog iets te zeggen omtrent de verbeelding van den
Wyngod, daar de Konstoeffenaars zig dikwils in vergrypen, of mistasten, door
ingeslopen misbruik waar door men een Gulzigaart, en al wie dik en grof is, by
Bachus gelykt; daar hy nogtans in d'oudste Griekse gedenkpenningen, en marmere
Afbeeltselen, als een tenger Jongeling verbeeld word.
Du Choulvertoont ons in zyn Kabinet van Medaljes een zeer oud Muntstuk (waar
van wy de afbeelding in print hier vertoonen) daarmen het Borstbeeld van Bachus,
bekranst met Klim,
16 ( Evan) is een der namen van Bachus, maar om dat de Priesters, Priesteressen, en al die zyn
feest hielpen vieren, plegen te roepen Evan Evoë, in zyn Feest gedichten over al gevonden,
heeft men dezelve genoemt Evantes.

150

  • met een teeder en jeugdig wezen verbeeld ziet, nevens den bynaam LUSOON

Oprisper, van wegen
het te veel drinken, of Lyson Losmaker, om dat door veel wyndrinken de tong los
word. Op het ruggestuk vertoonen zig drie, met de handen in een geslingert,
dansende Bachanten of Nimfen. Deze zouden naar 't beduid van den
Medaljekundigen Heer Ludolf Smids en anderen beteekenen, het kout heet en lauw
water der berugte badstoven aan Bachus toegewyd, in de Stad Apollonia, in
Macedonie op de grenzen van Epire, volgens Lucius Ampelius, met het byschrift
DIONISOO DOORON, geschenk aan Bachus. Dus vertoont ook de brave Teekenaar
en Etzer Jan de Biskop ver-

  • Klim, 't Klimblad was aan Bachus, de Eyk aan Jupiter, de Lauwrier aan Apollo, d'Olyf aan

Minerve, de Mirt aan Venus, de Pynboom aan Pan, de Populier aan Herkules, en de Cypressen
aan de onderaardse Goden geheyligt of toegeëigent. 't welk dient tot volkomender beduyding
van 't geen wy van de Altaaren der Heidenen in 't algemeen zeyden, en ook uit marmere
bewysstukken betoogden, dat de zelve met Festoenen van groente omvlogten, of omhangen
wierden. Nu zal de Lezer hier uit klaar bemerken dat het niet evenveel is, met welke groente
men de Altaren ciert; aangezien het gebruik dier tyden daar byzonder acht op gegeeven heeft,
en Priesters en Offerdienaars altyd bekranst zyn geweest, ook d'Altaren behangen met
zoodanig groen, als die Godheid, wie zy offerden, toebehoorde.

151
scheide Beeltenissen van Bachus te Rome naar de egte marmere beelden
afgeteekent, die het voorige bevestigen.
Eyndelyk, waarom Bachus met Hoornen op de Geldmunt van 't Eyland Tenus
verbeeld staat, en de Dichters, Euripides, Horatius, Val. Flakkus hem met Horens
afschilderen, daar van geeft meergemelde Lud. Smids, in het Kantschrift op den
Brief van Laodamia aan Protesilaus, deze reden. Om dat de Wyn moedt en kragt
geeft, en den beschonken als hoornen byzet. Dit is een rede voor den Wyngod in
't byzonder. Lysimachus, een van Alexanders staatvolgers, werd (om dat hy eenen
wilden stier tot de offerhande geschikt, en den slagters ontloopen, by de Hoornen
greep, vast hield en doodde) met een gehoorenden Koninglyken hairband (volgens
't zeggen van Appianus) ter gedagtenis van die daad, op de geldmunt van Calcha
vertoont.
Op gelyke wyze zietmen ook Alexander op sommige van zyne muntstukken
verbeeld; maar die bewust is, dat hy door een grootmoedigen inborst vervoert, voor
den Zoon van Jupiter Hammon aangezien wilde wezen, zal niet vreemt dunken dat
hy zyne Beeltenis met die van Jupiter (want de Africaners eerden een gehoorent
beeld voor Jupiter Hammon) een zelfde aanzien deed geeven.
Dog in 't algemeen moetmen weten, dat

152
Hoornen, ten Zinnebeeld van Koninglyke macht en grootheid verstrekt hebben, by
de Caldeërs, Feniciers, en Hebreen. Want door het zeegedrogt met tien Hoornen,
daar men by Dan. Cap. 7. af leest, worden zoo veel magtige Vorsten, als Alexander,
Seleukus, Lysimachus, Demetrius, Antigonus, Ptolomeus enz. verstaan. Gelyk W.
Goeree aangemerkt heeft in het tweede Deel van zyne Mosaische Historie p. 593.
Waarom dan ook de oude Veldoversten en Krygslieden, om meerder ontzag en
schrik aan hunnen Vyanden te geven op hunne helmetten weerzyds Hoornen
planten.
Huydensdaags zouden Hoornen op 't hoofd eens mans geplant van een heel
andere beduydinge wezen.
Dus hebben wy den optogt van Bachus de leeryverende Schilderjeugt, op dat zy
dien toestel leere kennen, en zig by 't gebruik des ouden tyds houde (waarin velen
hebben misgetast) als in een Tafereel doen zien. 't Lust ons met dat zelve oogwit,
des Wyngods verjaarfeestviering in zyn gantschen zwier, bekleedingen,
hoofdcierselen der Veld-en Tuinnimfen, hun wyze van Vreugdbedryven, en hoe de
snoeplustige Satyrs daar meê omspringen, als in een Schildery met levendige
koleuren, eerst door de fenixpen van Naso, nu door zyn vertaalder Arn. Hoogvliet,
in Duitse vaersen afgemaald, voor te stellen.
Zie daar het pentafereel, bevallig, woelig, vol gemoedsdriften, vol van
veranderingen, en zoo ryk van gedagten datmen 'er verscheiden tafereelen van zou
konnen opslaan, en waar in yder voorwerp, als met den vinger, word aangeweezen:
inzonderheid daar Priapus in dat onver-

153
wagt voorval, even als Faunus, die Omfale in der nacht stil meende te bekruipen,
van Alcides, die met de kleederen van Omfale uitgedost lag te slapen (waar door
hy bedroogen werd) met een vuystslag gebolt werd, en over zyn misgreep bespot.
In Griekenland, werd op den korsten dag geviert
Het feest van Bacchus, met zyn bezikroon geciert:
Daar kwaamen all' de goón van Bosch, en Veldt, en Tuinen,
En de akkergoden van Liceus breede kruinen,
En elk, die was gezet op jok en boertery,
De veegoôn, Saters, tuk op Venus lekkerny,
En all' de nimfjes, uit de wouden, en rivieren;
Zelfs bestevaar Sileen, kwam op zyn ezel zwieren,
En Godt Priaap, die al 't gevogelte vertsaagt,
En, met zyn roodt geweêr, ten tuine en hove uitjaagt.
Toen dit gezelschap vondt een plaats naar zyn begeeren,
In 't ruimste van het woudt, om bly te banketteren;
Ging 't nederzitten in het gras, en jeugdig groen.
Elk hadt zyn eigen krans gemaakt, en bloemfestoen.
Godt Bacchus gaf den Wyn: en onder 't lustig plengen,
Gaf 't beekje water, om den Wyn weer schaars te mengen.
Het feestgezelschap werd ten lesten nog vervult
Met stroomnajaden, de een geciert, en net gehult,
En andere met losse, en omgekemde haaren.
Dees diende, wyl de knien, en dyen zigtbaar waaren,
En met een opgeschort gewaadt, tot aan den schoot;
En de and're met den hals, en blanken boezem bloot;

154
Die droeg de schouderen gansch naakt en onbenepen,
En deeze zag men 't kleed, langs gras, en kruiden slepen,
Terwyl geen riem beknelt, of prangt, den ted'ren voet.
Dit Volkje ontvonkt de min allengs in het gemoedt
Der Saters. Maar Priaap, de schut, en scherm der hoven,
Koos Lotis, uit den hoop, om zynen brand te dooven:
Hy zuchte, en wenschte om haar alleen, en maakte in 't endt,
Door minneleuzen haar zyn liefdevlam bekent:
Maar smaat, en trotsheid, schynt de schoonheid aangeboren,
Zy spot, veragt zyn min; en wil hem zien nog hooren,
Maar 's nagts, wanneer de drank de hoofden vadzig maakt,
Was yder eindlyk hier, en daar, in slaap geraakt,
En Lotis, ook vermoeit van 't kortswyl, lest van allen,
Juist, in den lommer van een boom, in slaap gevallen.
Toen kwam Priaap( die zagt op zyne teenen tradt)
Daar 't blanke nimfje lag, en sliep, langs 't eenzaam padt.
Hy vlyt zig, zonder datze ontwaakte, aan haare zyde,
In 't gras terwyl hy het gesuis zyns adems mydde,
Nog lagze in diepen slaap, en had schier geen gevoel.
Hy lagte in zyne vuist, en nadert vast het doel,
Voorspoedig, van zyn min, en lichte, stil en zoetjes,
Het lange kleed reeds van de maagdelyke voetjes;
Als juist het graauwtje van Sileen te ontydig raast,
En ruchelbalkt, waar door de jonge nimf, verbaast,
Ten slaap uitspringende, uit des Tuingods handen raakte,
En, door haar vlugten, all' de goden wakker maakte;
En al wat in het woud lag om te rusten neêr.

155
Maar godt Priaap, zelfs al te vaardig in 't geweer,
Doet elk, by maaneschyn, belachen die vertooning.
Leerzugtige Konstoeffenaars, vleit u dit woelig voorwerp, om daar van een
Konsttafereel op te slaan, en hebt gy 't effens begeerte totiet diergelyks; wel aan ik
wil u ten dienst zyn. Geen beter model tot een weerga, als dat, waar van de
Latynsche Puikdichter Naso het model geschetst heeft in het III Boek van zynen
Almanak, of Feestdagen, 't welk zyn nieuwe vertaalder Arnold Hoogvliet, met dezelve
levendige koleuren dus naagemodelt heeft:
De Wyngod ging eens met zyn Saters bly spanseeren,
( Ons fabeltje zal jock, nog aardigheid, ontbeeren,)
Van daar de Hebrusstroom langs zandige oevers schiet,
Tot daar de Rodope all' de landen overziet,
En daar de byen op Pangeesche bloempjes brommen.
't Gezelschap speelde daar op kop're rinkelbommen,
Op welk geklank een zwarm van byen, zonder tal,
Vergaarde, en volgde, waar zy gingen, overal.
Maar Bacchus sloot den zwarm in een der holle boomen,
En heeft toen de eerste vrugt der honigraat bekoomen.
Wanneer de Saters, en Sileen, hoe kaal en oud,
Verliefden op den smaak, zogt elk om stryd in 't woud,
De geele honigraat, die oog en hardt bekoorde.
Toen de oude honig vond, daar hy 't gehommel hoorde
In eenen olm, ontveinst hy 't voor al 't Saterdom,
Tot dat hy eindlyk op den rug zyns ezels klom,
Zig aan de takken houd, en grypt, naar lekkernyen,
Te gretig, in het nest, en schend, en kwetst de byen:

156
Toen schoot de gansche zwarm vol gramschap op hem uit,
En steekt zyn kaalen kop, en rimpelige huit,
Dat hy ter aarde valt, met duizend angelsteeken,
En all' zyn Saters in dien nood, om hulp moest smeeken,
Terwyl zyn ezel hem vertrapte met den voet:
't Boksvoetendom schiet toe; bespot den ouden bloet,
En lacht, om 't aangezigt, bezet met roode linken:
Daar zyn gekwetste knie hem deerelyk deed hinken:
Zelfs Liber lachte meê......
De oude stramme Sileen, door duizent geangelde vyanden overvallen, ter aarde
geploft, om hulp roepende aan de Boksvoeten, om van de zelve, en onder de pooten
van zyn langoor gered te worden, die alle toegeschooten neffens den Wyngod om
dat voorval staan te lachen, kon al een potsig tafereel opmaken. Zeker de
aanschouwers van zulk een tafereel zouden meê stof vinden om te lachen.
Eyndelyk, hoe veer een Konstschilder, die verstant bezit, en bedreven is in de
Historien en oudheidkunde, en uit dien hoofde op vasten gront voldoende reden
geven kan van 't geen hy aan en tot zyne Historische Verbeeldingen toevoegt,
anderen overtreft, en in tegendeel hoe anderen die min verstant bezitten,
onbedreven, onbelezen en bot daar in toetasten, en over zulks, wanneer hun reden
van hun doen gevergt word, dat even zoo onverstandig en op lossen gront doen,
dat het bespottelyk is, zal uit deze stalen blyken.
Ik heb in myn tweede Boek in de tusschenreden op pag. 174; gemeld van een
Konstenaar, die in print verbeeld had Abraham, daar hy zyn dienst-

157
meit Hagar uitleid. Deze, als hem gezeit werd dat dusdanige gedaanten van tenten,
als hy verbeeld had, met de gewoonten van dien tyd niet overeen kwamen, en dat
die niet van oude planken opgeslagen wierden, maar dat daar toe gebruikt wierden
vaste stylen, overspannen met zeelen of koorden, die wederzyds in den grond met
houte stekken vast gemaakt, voorts met vellen van beesten overdekt werden, of
voor zulke welke van meerder vermogen waaren, bereid werden van geweeven
hairen kleeden van verscheiden koleuren als onze tapyten zyn; welke toestel ligt af
te breeken en weer ligt op teslaan was, wanneer zy van d'eene tot d'andere
landstreek zig wilden verschansen, gaf aan die hem dit zeide tot antwoort: Dat hy
't zig niet verstond. Dat de tenten der Aartsvaders van houte planken gemaakt waren,
't zamengevoegt en gehecht met hengsels en knieren, omze dus beknopt op
malkander toe te konnen vouwen, en met hunne stylen en dakschooren op wagens
te vervoeren werwaards zy wilden, even als men thans wel Marionette en
Waaffelkramen ziet. Schoon verdedigt.
Die uit weetlust daar onderzoek naar doen, in de oudentydsche schriften, en met
taalkundigen raatplegen (gelyk ik meê doen moet) zullen bevinden, dat de
T E N T O R I A , van waar de benaming van Tentenaf komstig is, dien naam draagen,
om datze met koorden en stylen uytgespannen werden, waar na de zelve meest
overdekt werden met vellen van beesten, in 't Latyn Pellesgenoemt. By Livius word
dikwils van vellen gewag gemaakt, waar mede de soldaten des winters hunne tenten
pleegen te dekken. Klaudianus zeit van Stilikon dat hy dikwils onder de vellen huisge-

158
houden heeft. In de levensbeschryving van Alexander word zoo wel van Arrianus
als van Curtius gezeit: dat de hutten der soldaaten van vellen waren. En Isidorus
sprekende van dusdanige tenten zeit: zy wordenT A B E R N A C U L A genoemt om
dat de behangsels die met koorden of met zeelen uitgespannen waren, door stylen
onderschoort en in opstel gehouden werden. W. Goeree merkt aan op Gen: 13-18
dat de Kaldeesche text zeit, Hy heeft zyne tente opgespannen. dat is, om
gemakkelyker van d'eene tot d'andere plaats te vervoeren, waar zyn vee vetter
weiden vont, en in het tweede deel der Mosaische Hist. pag. 373 daar hy den
Borgerstaat der Hebreeuse Vaderen beschryft: zy woonden meest in hutten en
lichtopgeslagen legertenten. Gemelde Schryver merkt ook aan dat d'overdekselen
des H. Tabernakels waren Rams en Dassen vellen, en op Exod. 35 vs. 26. Dat de
Vrouwen Geytenhair gesponnen hebben om gordynen voor den Tabernakel te
weven.
Eyndelyk vind ik nog een andere soort van Tenten die Vegetius CASAE noemt:
om dat die van groene takken t' zamengevlogten waren, en met biezen en poelriet
overdekt. Op deze ziet Ovidius als hy zeit.
Terwyl een ander vast een hut van groente vlecht.
Onder al deze naspeuring heb ik geen voetspoor konnen ontdekken om te vinden
dat d'Aartsvaders Tenten van Planken gehad zouden hebben, gelyk by ons de
Waaffelkramen, overzulks is de verantwoording des gemelden Konstenaars
bespottelyk. Die dooroeffende Konstschilder (waar van W. Goeree in zyn Inleiding
tot de Schilderkonstop pag. 46

159
meld) had zyn antwoord wisser. Deze had ten verzoek van een geleert Heer een
stuk geschildert, verbeeldende de bruiloft te Kana, daar Christus het water in wyn
veranderde, en had met voordagt rooden wyn verbeeld. Den Heer dit Tafereel
beziende, viel juist zyn oog daar op. Des hy den Schilder vroeg, waar uit hy wist
dat'er roode wyn op deze bruiloft geweest was. De Schilder vroeg weerom, waar
het stond dat'er witte wyn geweest was?ondertusschen zogt men den text Joh. 2.
op, om te zien of 'er uit d'omstandigheid eenige gissing ten voordeel van den een
of den anderen, gemaakt kon worden. Dog niets vindende, wilde de Heer evenwel
weten, waarom hy in steê van witten rooden wyn verkozen had. De Schilder
merkende dat zyn verstand hier van een geleert man op den toetsteen gezet wierd,
antwoorde, dat hy veel waarschynlyke reden hadde, die hem om by de waarheid
te blyven daar toe noodzaakten. Want voor eerst(zeide hy) is het heel waarschynlyk
dat Christus het water in zoodanigen wyn herschept heeft, als in Galilea groeide,
en van de inwoonders gedronken wierd. Derhalven besluit ik dat hy het water in
zulken wyn verandert heeft, als men te dier tyd, en te vooren, en ook op hoogtyden
gewoon was te drinken, en dat dit nu geen witte maar roode wyn is geweest, blykt
hier uit dat 'er in de Heilige schrift van geen anderen wyn gemelt word, waar toe hy
bybragt de plaats uit Jes. 63 vers 2. Spreuk: 23 vers 31. en meer andere. In welke
goede redenen de geleerde man groot genoegen nam, zig verwonderende over het
welgeoeffent verstand van den Schilder.
Dus was 'er nog een Konstenaar, die zinnebeeldig de gesteldheid der Nederlanden
in de Jaren 1567 en 68 vertoonde, door den geschonden

160
Hoed der Vryheid, verscheurde Previlegienen den Hollandschen Leeu, geplet
tusschen de borden van een pers, welke van die mogentheeden, verbeeldende
Margarita Hartogin van Parma, de Spaanse Inquisitieen Duc d' Alva, elk aan een
spil staande zoodanig gedrukt werd, dat de tong uit benaauwtheid, als ten ende
ademtocht ten bek uithing. De teekenmeester gevraagt: Waarom de Beeltenissen
der Inquisitie, en die van Alva met meerder yver en kragt schenen de schroef aan
te zetten en de Landvoogdes maar even de hand aan den spil der bloedpers had?
gaf tot antwoord, om dat de Historyschryvers eendragtig zeggen, datmen in Spanje
oordeelde dat zy de Nederlanders niet streng genoeg behandelde, 't bestier heur
ontzeit, en Alba gesterkt met een strenger Inquisitie in haar plaats gezonden werd.
Een traagaart mag zeggen: waarom zal ik myn ledige uuren besteden, om dingen
te weten, die my ligt nooit te pas zullen komen? maar hy weet niet dat 'er niets
aangenaamer is, voor die'er den smaak af heeft, als wetenschap, en kent den zin
der oude Hollandse zinspreuk, Men moet beslaagen ten ys komen, nog niet.
By T. Livius leestmen van den Veltoversten Philopoemen, dat hy zig zo wel in
vrede als in oorlog geduurig in de Krygsoeffening bezig hield, op dat het hem, als
't 'er op aan zou komen aan geen bekwaamheid of raadsman in krygskunde
ontbreken mogt. Dus moet zig een jong Schilder in den ledigen tyd gestadig oeffenen
in 't lezen, ondervragen, navorschen, teekenen en ordonneren, om hier door zyn
vernuft te wetten, en zyn geest met bekwaame denkbeelden aan te vullen, tot dat
hy gelegenheid krygende om zyn verstand en

161
Konst te toonen, zig bedienen van den kostelyken voorraad, in zyn geheim Kabinet
opgesloten, daar de rede de sleutel af heeft. Nu valt hier omtrent niet meer voor te
stellen, als de goude spreuk van Epictetus, die zeit: Die wys is, doet gewillig dat hy
doen moet.
Hier mede eindigen wy, alzoo de Toneelgordyn (deze tusschenrede wat te lang
uitgerekt) reeds word opgeschoven, op dat de Konstschilders B A R E N T
A P P E L M A N en P I E T E R V A N S L I N G E L A N T ten Toneel komen.
[Barent Appelman]
B A R E N T A P P E L M A N geboren in 's Gravenhage in 't jaar 1640, was een braaf
Schilder van Landschappen en Roomsche Gezigten. In het Prinselyke Lusthuis op
Soesdyk is een groote zaal met Landschap en fraaije beelden door hem geschildert,
die zeer geroemt word. Gelyk ook meer andere groote werken, daar hy in zyn tyd
wel voor betaalt is. Maar naderhand heeft hy dikmaals ten dienste van Jan de Baan
agter des zelfs pourtretten Landschappen geschildert. Wat zal ik zeggen? Het geluk
is geen erf. 'T is ook zoo met gemelden de Baan gebeurt, dien lang voor den wind
gezeilt hebbende, eindelyk de stroom tegen liep.
A P P E L M A N , stierf in 't jaar 1686. oud 64 jaren.
[Pieter van Slingelant]
P I E T E R V A N S L I N G E L A N T , Zoon van Kornelis Pietersz. van Slingelant,
en Tryntje van Polane, is geboren te Leyden, op de oude vest, in 't jaar 1640 den
20 van Wynmaand. Deze volgde zyn Leermeester Ger. Dou niet alleen omtrent
gelyke verkiezingen, maar evenaarde hem ook in netheid. Ja ik heb van zyne
Konstwerken gezien, die in uitvoerigheid en gepolystheid bo-

162
ven die van zyn Meester uitstaken; maar dit is 'er van dat de zelve door zulk doen
wel wat styver zyn. Dog is hy een groot licht in de Konst geweest.
Onder vele van zyne waardige penceelwerken word de verbeelding van een
Meysje dat een muis by de staart hout, waar een Kat na springt, om des zelfs
verwonderlyke uitvoerigheid en natuurlyke verbeelding geprezen, als ook een stukje
waar in een Bootsgezel staat afgebeeld, in wiens geweven muts de draatjes, en de
loop van 't weefzel zig vertoonen. Dog dit baart geen verwondering, als men weet
wat een onvermoeiden vleit, en tyd hy tot zulk doen besteede: want hy heeft over
het bekende stukje, waar in de Beeltenissen van den Heer Meerman en zyn huisgezin
komen, drie jaren geschildert, en geduurig daar aan bezig geweest. Ja my is voor
waarheid verhaald dat hy een maand of zes weken heeft zitten schilderen over een
Bef met kant.
Hy won door zyne veel tydslytende wyze van schilderen meer roem als geld aan.
Hy was van een deugtzamen stillen aart, en stierf op den 7 van Slachtmaand 1691.
[Ary de Vois]
A R Y D E V O I S is geboren te Leyden in 't jaar 1641. Zyn Vader, die orgelist tot
Leyden was, bespeurende dat zyne genegentheid tot het leeren van de Schilderkonst
overhelde, bestelde hem eerst tot Utrecht by Kniffert, naderhand by Abraham vanden
Tempel. Dog hy nam een eyge wyze van schilderen aan, waar door hy zig roem
behaald heeft, en was zoo om zyn Konst als hups gedrag by elk geagt en bemint,
't geen hem geleegentheid gaf van met een Juffrouw te trouwen die veel geld bezat,
waar door het penceel

163
voor eenige agter een volgende jaren agter de bank raakte, als het spreekwoord
zeit. Want hy ging toen veel om een trantje, voormiddags op de Vismarkt, en
naamiddag by gezelschap, of met een paart naar buiten.
Dog ik moet niet vergeten dat hy voor zyn trouwen een Konststukje maakte, dat
hy zyn vader ter gedagtenis liet, waar in verbeeld was Cecilia spelende op een
Positief(kleen orgeltje)* St. Lucas met zyn Os daar nevens, schilderende het
zinnebeeld van Dankbaarheid, den Ojevaar.
Als nu zyn geld door die wyze van leven, als boven gemelt is, wat begon te
minderen, begon hy weer om 't schilderen te denken, en ging, om buiten 't gewoel
van menschen te wezen, te Warmont wonen; maar de gelegentheid, die hy daar
vont tot visschen, deed hem de penceeloeffening vergeten, zoo dat hy zulks
bespeurende weder tot Leyden kwam wonen. My is verhaald dat hy in dertien jaren
een stuk had gemaakt, verbeeldende Dido en Eneas op de Jacht, daar zy van verre
het onweer zien opkomen, 't welke de zeehulken doet stranden. Anders heeft hy
gemeenlyk naakte beeltjes in een Landschap geschildert, die het oog der keurigste
liefhebbers konnen voldoen.
Seker de Konstgodes vint reden van klagen dat hy, een van hare braafste
Scholieren, met geen grooter yver het Konstpenceel geoeffent heeft;

  • Men zeit dat 'er onder andere Reliquien nog beschilderde Tafereelen van St. Lucas in wezen

zyn en te Rome bewaart worden. Maar wat de Konst der Tafereelen aanbelangt, men verhaald
dat zeker Konstschilder, als hem een der zelve vertoont wierd, daar op zei: o St. Lucas, wat
zyt gy, gelukkig geweest! zoo gy thans leefde, gy zout geen droog brood daar meê konnen
winnen.