Eene kroon voor Karel den Stouten/XII.

XI. Eene kroon voor Karel den Stouten etc. (1886) door A. L. G. Bosboom-Toussaint

XII.

XIII.
Uitgegeven in 's-Gravenhage door Charles Ewings (bij drukkerij Thieme, Nijmegen).

[ 170 ]

XII.


In den raad, door den Hertog van Bourgondië belegd, waren de gevoelens als altijd zeer verschillend geweest. De Graaf Engelbert van Nassau had den moed gehad, het vredebrengend voorstel te doen, om de Jonkvrouw werkelijk aan den Aartshertog uit te huwen, waarna Keizer Frederik geen oogenblik aarzelen zoude, om de gewenschte kroning te volbrengen; maar schoon enkele Edelen hem ondersteunden, het werd met een hoonend woord door Karel verworpen. De Bastaard van Bourgondië in het belang der tegenwoordige Hertogin, drong aan op vaster verbintenissen met het regeerende Huis van Engeland, dat een trouwe Bondgenoot kon zijn tegen Frankrijk, zich strijdgenooten en vrienden te maken in de Zwitschers, de geboren vijanden van Oostenrijk, en gezamenlijk den Keizer onder eenig voorwendsel den oorlog aan te doen, of de kroon te maken tot voorwaarde van den vrede. Adolf van Ravenstein had tegen den oorlog met den Keizer, en meende, door onderhandelingen en door aanbiedingen in geld, des Hertogs wensch het spoedigst bevredigd te zien. Mijnheer de Chateau-Guyon kwam op zijn geliefkoosd ontwerp terug, het huwelijk van den Dauphin met Maria, of ten minste een oprecht en vast vredesverbond met Frankrijk, altijd met oogmerk, om tegen het hoofd van het Duitsche rijk te handelen. En zeker, het laatste ware het doeltreffendste geweest; Karel zelf zag het in; maar geen van die raadgevingen was eigenlijk meer te volgen, en alle minder dan de laatste. De Hertog had zich aan die zijde volmaakt den weg tot vrede versperd. Want, wij moeten het eens en vooral zeggen, vroeger noemden wij hem van zijn tijd; maar, om waar te zijn, hadden wij hem er beneden moeten plaatsen: want ziet, de tijd der ijzeren mannen van de middel[ 171 ]eeuwen begon langzamerhand voorbij te gaan, de beurt kwam aan het hoofd, aan de zedelijke kracht, aan den volhardenden wil, die met stille en langzame schreden op zijn doel afging, en het omzichtig en behendig wist te vatten, nadat hij met onuitputtelijk geduld het oogenblik van den greep had afgezien; zóó ten minste deed Lodewijk XI, die zeker zijne eeuw begreep, die een vastgesteld ontwerp nooit weêr losliet, het doorzette en er het oog op richtte door alle belemmeringen heen, maar langzaam, maar met geduld, maar met onvermoeide inspanning van al zijne krachten, er heen sluipende langs bochtige zijwegen. of er naar voortjagende langs een onmetelijken omweg; die zich er voor wist te krommen, te plooien, te vermommen, te laten vertrappen, als het zijn moest, maar die er zich zoo min van scheidde, als de spin van haar draad, hoe onzichtbaar zij ook bij machte is dien te weven; en die het bereikte, en die het hield, en die gestorven is na zijne taak voleind te hebben. Niet alzoo Karel. Nog droomende van de stoute, schitterende feiten der ridderschap; stelde hij zijn beste vertrouwen op zijn zwaard, hij wilde altijd doorhakken wat zijn mededinger voorzichtig weerde. Met zijne geduchte legermacht achter zich, hield hij niets voor onmogelijk, rekende hij alles in zijne macht, meende hij niets verder te behoeven. Ja, het is zoo, hij ook bracht zijne offers op de altaren der staatkunde; hij ook koos wel eens de sluippaden van list en de omwegen der voorzichtigheid; maar hij had geen geduld, om de uitkomst af te wachten van zijne offers; hij gebruikte de list onhandig en het bedrog ten ontijde: en als hij eens op een omweg was, liet hij zich afleiden van zijn doel; en nooit was een Vorst ongelukkiger in de keuze der middelen om het te bereiken. Zóó had hij niets dan een wapenstilstand weten te verkrijgen van zijn machtigen nabuur van Frankrijk, en in plaats van te zorgen, dat deze in een vasten vrede verkeerde, was hij het juist, die, met onverklaarbare nalatigheid, zijne onderhandelaars terughield, vergat te zenden of opontbood, zoodra die van Lodewijk ernstige voorstellen hadden aan te bieden. Zoo had hij, wel verre van zich te verbinden in eene nauwe vriendschap met die Zwitsers, die tegen Oostenrijk zijne nuttigste en oprechtste Bondgenooten konden zijn, hun wantrouwen opgewekt, en geen stap ge[ 172 ]daan om hen gerust te stellen, eene fout, waarvan Lodewijk XI met zijn geest van vooruitzien al de partij had getrokken, die hem mogelijk was. Van de zijde van Engeland had hij York gehuwd en Lancaster heimelijk de hand gereikt. Zóó altijd slechts vóór zich ziende, en nooit om zich heen of achterwaarts, had hij zich in velerlei ondernemingen tegelijk gestort, zonder er ééne deugdelijk ten einde te brengen, en, nog ten overvloede, door een onredelijk, ontijdig overgeven aan boozen trots of nutteloozen toorn, was hij veeltijds den beer gelijk, die alleen met zijne plompe kracht de angels van dreigende bijen rondom zich uittart. Maar het duchtigste bewijs, dat hij niet stond op de hoogte der eeuw, die men tegemoet ging, was juist dat vast. houden aan het leenstelsel, dat hem schromen deed, uit eigene macht de kroon op het hoofd te zetten, daar, zoo iemand, hij had moeten durven; daar hij na het gebeurde toch met den Keizer stond op een voet, die geen vrede kon blijven; daar hij toch oorlog ging voeren met het Rijk; daar hij toch zijne vazallen aan het ongewone moest wennen; maar hij durfde het niet; hij klemde zich met beide handen vast aan een gebouw, dat hij met één stoot van zijn voet had kunnen doen instorten; dat toch welhaast vallen ging, en waarvan Lodewijk de schranderheid had, de grondvesten met heimelijke slagen te ondermijnen, door den burgerstand op te heffen en de groote kroonvazallen in hunne rechten en onafhankelijkheid te knotten; door de eerste Koning der burgers te worden, in één woord; terwijl Karel niets bleef dan de opperste van de leenmannen, de laatste Vorst der Ridders. — Karel V was reeds wetgever.

In dien raad werd er dan niets beslist, niets vastgesteld, schoon men door den valschen bode, dien Süschen had voorspeld, de zekerheid kreeg, dat Frederik den Moezel afgezakt was in de richting van Keulen, schoon de Hertog toebereidselen liet maken tot een overhaast vertrek. Maar toen hij den raad dier trouwe en schrandere mannen uiteen liet gaan, en zij allen hem smeekten, nu ten minste ruste te nemen, antwoordde hij met een trotschen glimlach, dat hij zijn krijgsvolk monsteren ging, en dat de Sire van Hagenbach hem verzellen zoude. Wie herinnert zich niet den noodlottigen invloed, dien de handelwijze en de beraadslagingen van dezen man op Karel’s volgend lot [ 173 ]hebben uitgeoefend; hoe hij het was, die hem sterkte en aanvuurde in zijne roekelooze ontwerpen, in de bemachtiging van alle sterke steden des linker-Rijnoevers; hoe hij hem wikkelde in den gevaarlijken oorlog tegen het vrije en krachtige herdersvolk van Zwitserland; hoe… maar zijne verdere geschiedenis ligt niet in ons plan. Wij willen alleen bewijzen, hoezeer teleurstelling en dolle wraakzucht hem in de armen wierpen van een man, die zijn kwade geest was, verlichaamd in een ijverigen dienaar. Hoe het beleg van Nuis de eerste daad van wrake was, die Karel ondernam tegen den Keizer en het eind van zijn krijgsgeluk; hoe de laatste daar wel schande wegdroeg, maar hij zelf ook weinig eere, en hoe hem toch nog eenmaal eene kroon is op het hoofd geplaatst; maar dat was te Nancy, door René de Vaudemont, erfgenaam van Nicolaas van Calabrië en dat was eene Hertogskroon op het hoofd van een verminkt lijk!

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Door goedhartige bedienden, die geroepen waren om de kapel op te ruimen, werd Süschen gevonden, tot zich zelve gebracht en verpleegd, en door den Sire de la Marche, op hare bede, onder een voegelijk geleide teruggezonden naar Trier; zij genas van haar zinneloozen hartstocht, die door niets was gevoed geworden, dan door hare eigene verbeelding; dien zij nog had kunnen kweeken, zoolang het alleen een rampzalige was, maar dien hare deugd met afschuw uitrukte, zoo ras zij dien als een schuldige kende. Onnoozel kind! dat zich vergaapt had aan den glans van een gouden mantel, aan de schittering van een fonkelend oog; had zij den Hertog van Bourgondië bemind, om alles wat met en van hem was, zonderdat hare onschuld dieper over mogelijkheden had nagedacht: zij had zich slechts overgegeven aan haar gevoel en nooit berekend. Maar hoezeer zij er in slaagde, de schadelijke hersenschim van zich te weren, de gevolgen van de handelingen, die deze reeds veroorzaakt had, waren niet te ontgaan. Haar teeder lichaam herstelde niet zoo goed als hare ziel; verzwakt, ondermijnd, bleef zij het voortsleepen; het was haar eene gestadige herinnering, eene gedurige straf, en hoe vroeg reeds de dood haar de wang zou ontkleuren, was die taak reeds voor lang door den hartstocht volbracht. Den frisschen blos der gezondheid en [ 174 ]der jeugd had zij geofferd aan den kroningsnacht van Karel den Stouten.

Te Keulen reeds wilde Keizer Frederik Romuald beloonen, door hem Ridder te slaan; maar de jongeling verkoos liever zijne sporen te winnen door roemrijker daden, dan het overbrengen van een Vorstengeheim. Hij verdiende zich die bij de verdediging van Nuis.

De Markgravin van Spangenheim heeft zich somtijds beroemd op het aandeel. dat zij had in Karel’s teleurstelling, maar nooit toch in het bijzijn van haar zoon, die daarmede de gunst des Aartshertogs voor altoos verloren had; onrechtvaardig zeker, — maar de Aartshertog beminde!