Handvest van de Verenigde Naties/Hoofdstuk II

   Handvest van de Verenigde Naties   
Preambule · Hoofdstuk I Doelstellingen en beginselen · Hoofdstuk II Lidmaatschap · Hoofdstuk III Organen · Hoofdstuk IV Algemene Vergadering · Hoofdstuk V Veiligheidsraad · Hoofdstuk VI Vreedzame regeling van geschillen · Hoofdstuk VII Optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie · Hoofdstuk VIII Regionale akkoorden · Hoofdstuk IX Internationale economische en sociale samenwerking · Hoofdstuk X Economische en Sociale Raad · Hoofdstuk XI Verklaring betreffende niet-zelfbesturende gebieden · Hoofdstuk XII Internationaal trustschapsstelsel · Hoofdstuk XIII De Trustschapsraad · Hoofdstuk XIV Internationaal Gerechtshof · Hoofdstuk XV Het Secretariaat · Hoofdstuk XVI Diverse bepalingen · Hoofdstuk XVII Overgangsregelingen inzake veiligheid · Hoofdstuk XVIII Amendementen · Hoofdstuk XIX Bekrachtiging en ondertekening

Hoofdstuk II

Lidmaatschap

Artikel 3

De oorspronkelijke Leden van de Verenigde Naties zijn de staten die hebben deelgenomen aan de Conferentie van de Verenigde Naties betreffende Internationale Organisatie te San Francisco, of die eerder de Verklaring van de Verenigde Naties van 1 januari 1942 hebben ondertekend, en dit Handvest ondertekenen en het bekrachtigen overeenkomstig artikel 110.

Artikel 4

1. Het Lidmaatschap van de Verenigde Naties staat open voor alle andere vredelievende staten die de in dit Handvest vervatte verplichtingen aanvaarden en die, naar het oordeel van de Organisatie, in staat en bereid zijn deze verplichtingen na te komen.

2. De toelating van zulk een staat tot het lidmaatschap van de Verenigde Naties geschiedt bij besluit van de Algemene Vergadering op aanbeveling van de Veiligheidsraad.

Artikel 5

Een Lid van de Verenigde Naties waartegen door de Veiligheidsraad een preventieve of dwangactie is ondernomen, kan, op aanbeveling van de Veiligheidsraad, door de Algemene Vergadering worden geschorst in de uitoefening van de aan het lidmaatschap verbonden rechten en voorrechten. De uitoefening van die rechten en voorrechten kan door de Veiligheidsraad worden hersteld.

Artikel 6

Een Lid van de Verenigde Naties dat bij voortduring de in dit Handvest vervatte beginselen heeft geschonden, kan, op aanbeveling van de Veiligheidsraad, door de Algemene Vergadering worden uitgestoten als Lid van de Organisatie.