IV.De Mageren Pieter Bruegel zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928) door Felix Timmermans

Deel V: Antwerpen

VI.Bij Meester Coecke
[ 73 ]

ANTWERPEN


I


ZWERVEN, dolen, dagen Lang, onrustig als de Lente, die onder vlagen van regen en sneeuw, met haar sneeuwklokjes als voelhorentjes, uit de aarde opsteeg. Hij sliep in schuren, doedelde, bedelde. Hij vernam van groote gevechten tusschen bedelaars en rijke boeren. Naar 't scheen was de hoeve van Waggelnek tegen Herenthals in brand gestoken. Men had den verminkten kop van 'nen Dikke in 'nen boom gevonden, en men had een lijf zonder kop in de Nethe zien drijven, met pikkende kraaien op den gezwollen buik. Bedelaarshutten waren omver getrokken. Magere boeren waren door de Dikken opgehangen, en nog, en nog. En hoe verder de verhalen het land inhingen, hoe korter ze wierden, maar hoe geweldiger van gebeurtenissen. En Pieter deed er voor de menschen, die er hem over aanspraken, nog vijf bij van den laatsten slag. En hij kon zich niet houden, om in 't brood-wit vleesch van 'nen boom dien diekken drijvenden man te griffelen met die pikkende kraaien op zijnen buik. „Allemaal de maag, het monster van ons lijf," zuchtte hij. En hij trok voort, altijd dichter en dichter bij zijn dorp. 'Ne reuk van herinneringen dreef 'er hem, lijk een strootje op het water naar toe. En hoe verder hij ging, hoe minder Veronica, zijn dood lieveke, zijnen geest vervulde. 't Was vreemd.Als hij onder de menschen was, leefde hij door en van hen; dan wierd hij door hen karakater en hunnen wil gekneed; zoo was het met de gehechtheid aan zijn moeder, met den schrik voor De Tomatpad, en voor Kwabberbil, liefde voor Veronica, schrik voor Kraakbeen. Maar eenmaal van die menschen weg, uit hunnen asem onder uit, en zij veranderden tot 'nen droom, zij wierden figuren van een vertelselke, dat hij zich kleurig tot in de minste kleinigheid kon herinneren, maar waar hij niet meer in leefde. En zoo was Veronica met heur bleek wezentje als een printje aan zijn hart gespeet. Hij had het bij, maar 't leefde niet. 't Was alleen dat stom boerendorp, dat hem, waar hij ook was, bleef aanlokken en roepen. En hij ging er, - nu hij toch voelde dat hij er naar toe ging, bewust naar toe, maar als een nuchter mensch. Hij had [ 74 ] de holte van zijn gedroom gezien. Hij was het moe, zichzelf, wat op te vijzen .Hij zou 'nen boer worden, 'ne stommen boer. Zijn verlangen om schilder te worden was zonder verbeelding geraakt, alsof Veronica, die hij met verbeelding had levend gehouden, er hem had van uitgeput. Hij was zonder 'nen vingerhoed idealisme. Hij zou 'nen boer worden, en hij wist waarom. Van schilderen kwam er nooit iets terecht. Was er telkens niet iets, dat hem tegenhield? Dat was wel een teeken dat hij het niet moest worden. Daarbij om schilder te worden moest ge school en leerjaren doen. Wie zou hem aannemen? Maar zie eens! Quinten Metsijs. „'t Was 'ne smid en plots wierd hij schilder," had Pater Cornelis gezegd. „Eerst zien en dan gelooven," gromde Pieter. Hij zou boer blijven, maar daarom dan eerst gezorgd 'nen boer te worden. Hij zou gaan wonen in dat eenzaam dorp, en hard werken, doorzetten, en er komen! 's Zondags met de kaarten spelen en kegelen, 'nen ruimen pot Dommelsch bier snappen, om in de week aan 't werk goed to kunnen zweeten; een van de een en twintig meiskes die hij' gaarne zag, ofwel nog een ander, tot vrouw nemen; 'nen paternoster kinderen rond tafel hooren kraaien, 'nen dampenden pappot middenin en de schouw volgepropt met hespen! „Liever tien vogels in mijn hand dan eenen in de lucht!" riep Pieter en hij zag als boer de vier seizoenen door: hij zag vier schilderijen. Hij floot dat het sneed lijk een mes door den stillen Februari die een van zijn zeven schoone dagen zonnig over de wereld had opengevouwen. Hij kwam voorbij een kloosterkerkske, dat daar eenzaam op een verhoog van gras en aarde met zijn broos klokske aankondigde, dat het lof ging beginnen. Het kerkske stond open: hij zag kaarsen branden en 'nen monnik aan 't klokzeel trekken. Hij kreeg goesting om er binnen te gaan en to bidden om 'ne goeien boer te worden Maar hij ging door. „Niet doen," zei hij, „daar moest er zoo weer eens een schilderijken hangen, dat me overhoop gooit.... ik word boer!" En hij stapte al fluitend verder over den zwarten, sopperigen weg, waarin de zon scheen als in pruimenvlaaien-spijs. De weg draaide van 't een strooien hoeveke naar 't ander, als echt uit beleefdheid, en ge rookt in de abeelboomen en knotwilgen bezijds, het genoegen van weer leven en Lente te worden. Hij ging naar zijn dorp toe. Ginder ging 'nen oude man met een kist op den rug en [ 75 ]lodders om zijn beenen gebonden. Toen die man hem gewaar wierd, bleef hij wachten, en ging dan mee met Pieter voort, pratend over den oorlog, Keizer Karel en den hongersnood. „Komt ge van ver?" vroeg Pieter. De StoppeIbaardige man vertelde, dat hij in Zwitserland geweest was. „En hoe zijn de bergen daar?" vroeg Pieter. „Ik heb er Calvijn gezien," antwoordde de man, en hij vertelde over Genève waar Calvijn woonde, en zei dat hij vroeger Luther de verbodbulle van den Paus had zien verbranden op de markt te Wittenberg, dat hij Ignatius de Loyola had hooren preeken, en hier en ginder ketters had zien verbranden. „Die man heeft heel de wereld bii" dacht Pieter.



en hij luisterde; en toen die man vertelde hoe gruwelijk de ketters getortureerd wierden, kraakte Pieter verbolgen eenige vloeken vaneen. Nu kwam de oude man los: „Vloek God niet, jonge vriend, maar vloek hen die zulke gruwelen doen.Ik hoor het, gij kunt het woord Gods aanhooren. Zie, dit is het gebed dat wij ronddeelen en bidden, om van de adders verlost te worden!" En uit den valschen bodem van de kist, die gevuld was met garen, blink en nestels, haalde de man 'nen rot papieren, vouwde er éé papier van open, en las. Hij las met plechtige stem, nadat hij eerst vorschend had rondgekeken. „Waar Gij, o Heer, geen steen hadt om Uw hoofd op to leggen, zien wij degenen die U vervangen in weelde stikken. God is de Heer, en een mensch kan U niet vervangen, vermits Gij, o Heer, zelf tot mensch Pieter begun spits, ontbrand, te luisteren; maar toen zag hij, dat de andere kant van dit papier bloot was, wit als een lentewolk, wit, wit, wit als papier! Papier! hoe lang was 't geleden! Hij was als 'ne matroos die de kust weerzag. Hij [ 76 ]luisterde niet verder, want dit papier was wit, en wat kon daar allemaal niet op geteekend worden! En terwijl de man dwepend voortlas, dampte Pieter van nieuwe teekendrift; de oude geest overspoelde hem terug. „Geef mij dit gebed," zie Pieter levendig. ,Geef er mij meer om aan mijn vrienden voort te geven! „God lof!" dankte de oude, „dat ik u op deze baan ontmoette, en een nieuw zaad heb gezaaid! Ik zie 't, gij rilt van ontroering! God lof! God lof!" en hij ontrolde hem van den rol een tiental vellen papier. Pieter kuste de oude, bruine handen, en de man kreeg de tranen in de oogen. „En nu ga ik ginder dien binnenweg in," zei Pieter, nadat hij "nen heelen tijd zwijgend, maar niet luisterend, naast den preekenden man was meegegaan. „Ik heb langs ginder nog een kennis wonen." De oude man dankte en zegende hem. En eer het tien minuten verder was, stond Pieter in 't deurgat van een hoeveke, en vroeg om wat houtskool uit den haard, om een kwetsuur te genezen van een van zijn vrienden. Hij kreeg van de pezige, oude boerin 'nen vollen hoed. En ginder, het papier op het effene van 'nen omgekapten boom opengespreid, zat hij to teekenen! 't Overmeesterde hem heelemaal. Hij teekende het schilderijke van Bosch. Ja, zoo was "t! .... met die snuiten en dien transparanten Sint-Antonius. En hij teekende Kwabberbil, Kraakbeen.... neen Veronica niet, maar hij teekende "nen hemel met lange engelen. „Daar hangt ze tusschen," zei hij. Het goede, oude element was daar terug. Het zoefde in hem en groeide meteen, en hij teekende tot hij niet meer zag. Hij vouwde de papieren voorzichtig op, en dan ging hij voort, blij en opgejaagd, niet onder, maar als doorheen de sterren. En hij ging tot hij lijk in alle vertelselkes in de verte een lichtje zag branden. En toen hij in "t hooi lag, kon hij de oogen niet toedoen. Hij verbrandde van binnen. „Morgen trek ik naar Antwerpen !" Zeven dagen op weg, slenterend naar zijn dorp om boer, stomme boer to worden .... en bij 't zien van een blaadje wit papier barst de dichter uit het vel van den boer to voorschijn, als een gelaat uit een gescheurd masker. Hij krinselde, rolde, draaide. Hij bad nu niet meer: „O Heer, laat mij schilder worden," want hij voelde, dat het niet anders meer kon. De schilder zat in hem gevangen in al de rankers van zijn [ 77 ]bloed, als een lam in 'nen doornestruik; moest g' hem er uit scheuren, dan waren er twee dooden: Pieter en de schilder.


2



En 't was op 'nen Dinsdag, na den noen, dat Pieter besneeuwd, met den doedelzak onder den bleekpurperen loddermantel, en het hoedje diep in de oogen, onder den dunnen zemelsneeuw voor de poorten van Antwerpen kwam . Een heilige aanzuiging trok hem voort. Ginder aan het St. Willibrordusgehucht draaiden er vijftien molens. En dan zag hij verder, hoe achter de gordijnen van vallende sneeuw groote torens en trapgevels blauw-grijs achter de besneeuwde wallen oprezen. Dat was Antwerpe! Het was zoo stil als op pantoffels, alsof er daar niemand leefde. De sneeuw hield de geluiden vast. Ginder over de brug van 't vestingwater gingen wat gebogen menschen, zwart in de sneeuw. 'Ne vreemde, gele hond liep met den steert tusschen de pooten, als om zijnen mageren buik to warmen, achter Pieter aan. Zijn hart begon van ontroering, blijdschap, schrik, verlangen en nog van al ander dingen to kloppen. Zooveel jaren er naar verlangd! En nu ging hij er in komen, seffens er rats binnen zijn! 't Is om niet te gelooven. 't Wordt hem zoo zalig, dat hij er zal moeten inkruipen, want zoo'n geluk kunnen zijn beenen niet dragen. Seffens is hij er, seffens! Maar elke stap wordt als door looden voeten gedaan en schijnt meer dan een uur to duren.... en plots steekt er een bosch van duizend angstpieken in hem op. 't Is een te groot moment om niet angstig te zijn. De voorwendsels zijn dan weer: De Spanjaards zullen hem tegenhouden, voor 'nen dief aanzien, hem aftasten, - en niets vinden dan 'nen doedelzak en teekeningen. Maar God! - en 't is, of hij ineens weet, dat hij een slang onder zijn armen draagt - die teekeningen staan op kettergebeden! Zijn keel nijpt toe! Als zij ze vinden, gaat hij den brandstapel op! Hij blijft staan, en op 'nen weerlicht zijn die teekeningen onder zijnen mantel in duizend stukskes gescheurd, die hij onder de sneeuw stopt. "Morgen teeken ik er weer andere," troost hij zichzelf. En nu gaat hij vrijer voort. Hij wist al niet, waarom hij zoo beklemd was. Maar 't feest is to groot dan dat er niet zou uitgefloten worden.... Ge zult het zien! Hij zal Kwabberbil op de brug tegenkomen, juist op het laatste oogenblik, of de Tomatpa of den Parochiepater, of iemand die hem zal [ 78 ] doen vallen en hem zal beschuldigen, en de Spanjaards zullen hem dan in 't Steen Zetten. Maar hij gaat voort.... Verdomd! Al zat daar nu ook de Dood op zijn paard hem met duizend zeisens en al zijn geraamten den weg te versperren, hij zal voortgaan, hij moet Antwerpen binnen, al is 't met 'nen kogel en zwaarden in zijn hart! Daar is een tegenhouden aan! Bang of niet bang - er binnen! En hij gaat! Hij drukt het besneeuwde hoedje dieper op het hoofd, en houdt de hand op den schapulier. 't Is, alsof er een gedacht van uit den schapulier door zijn hand naar zijn schouders en zijn hoofd vloeit - en hij neemt plots een andere houding aan. Hij smakt het hoofd achterover en zijn vergrond gezicht komt bloot en koud in de sneeuw. „Die smerige Spanjaards zuigen ons uit onder voorwendsel dat ze 't geloof komen verdedigen. Ewel, ik zal eens zien, of ze zooveel van 't geloof houden," zegt hij tot zichzelf. Hij haalt zijnen schapulier boven en doet of hij bidt, met de oogen kwezelachtig ten hemel verheven. En hij gaat de brug op, voor den hond, die doet, alsof hij van Pieter Bruegel is, en zich ook precies probeert door te smokkelen. Nu gaat het groote moment komen. Eens de brug over, moet hij door 'nen koker, die den vestingwal doorsnijdt. Dat wordt iets als in 'nen droom ! En God weet, wat er daarachter is, en of er wel een einde aan dien koker komt.... Hij is de brug over. Hij lonkt opzij. Er zitten soldeniers, met een ijzeren kuras en pelzen aan, in 't wachthuizeken op een hooge trommel met de kaarten te spelen, en ze bezien hem nog niet. „'t Was dus niet noodig, den heilige to spelen," denkt hij spijtig. Maar hij is er nog niet: hij moet nu den donkeren koker in van de wallen . Hij verandert zijn houding niet. Hij durft niet rapper gaan, want dan is hij verraden. Hij voelt ineens, dat de soldeniers allen zijn buitengekomen en hem nazien. En hij moet zich tegenhouden om niet op 'nen hertenloop to schieten. Elke stap is een pijn. En al wat verbolgen is op hem, alle kwade en tegenstrijdige machten in en buiten hem gieren om hem heen met dolken en wijzende vingers. Maar hij verandert zijn houding niet en hij gaat voort. Nog "nen stap, nog eenen, nog eenen, nu gaat hij ontploffen!....Nog eenen stag! 'Ne glimlach barst zijn gezicht open, als hij er weer den dunnen sneeuw op voelt. Alle booze machten vallen slap . „Ik ben er, moeder!" zucht hij. En hij moet zijn woorden tegenhouden, willen ze niet in wilde, blijde kreten de lucht ingalmen. „Ik ben er, Jezuske!" dankt hij prevelend. Maar [ 79 ]hij verandert zijn houding niet. Hij trapt in de sneeuw. Huizen schuiven voorbij; Hij gaat een straat uit, een andere in. En daar valt hij, zoo groot als hij is, voorover in de sneeuw. Maar 't is - om den grond van Antwerpen te kussen.

3



Ginder stompte de S. Jacobstoren in den hemel; en verder, boven andere torens en daken uit, rees de slanke gestalte van O.L. Vrouwentoren, onder 'nen sluier van vallende sneeuw. Toen viel de schrik als een Taken van hem of! En nu had hij ineens honderd oogen to kort. Hij ging als aangezogen naar then toren door een smalle, donkere straat, waarvan de hooge huizen boven zoo dicht bij elkaar kwamen, dat ge van uit de zoldervensters gemakkelijk op elkanders gezicht kondt kletsen.



Bijna geen mensch in de stilte van de sneeuw, alleen enkele vrachtsleden met veel bellen aan de paarden. Alles was nieuw voor hem; hij zag omhoog, opzij en achterom. Maar toen hij nu weer achterom zag, kwamen daar vier soldeniers aan, voorafgegaan door 'nenn langen vent in 'nen berenpels. Hij kende hem op ne sibot. „Baskwadder! 't Is 'ne verrader.... hij heeft mij hakend, ze komen mij halen...." Het was om dood te vallen van schrik. Hij sloeg d' hand op den schapulier en probeerde zich tot lucht te maken. Hij ging stijf en smal voort. Achter hem rinkelde het ijzer van de soldeniers. Z' hadden zoo maar hunnen arm uit to steken.... 't Was juist aan een herberg, „In de drie Vreugdekes." En hij ineens, als naar een verlossing, er binnen. Naar de soldeniers kwamen ook binnen, achter hem! Hij liet 'nen kreet, en meende al op zijn knieft to vallen. Maar Baskwadder wees naar 'nen blond-gebaarden man, die daar tegen een oude vrouw aan [ 80 ]een tafel zat te vertellen. Plots: een gebreek van potten erg kannen, hulpgeroep - en de vier soldeniers sleurden den man naar buiten. Zijn hoed viel af en Pieter raapte hem op. En 't vrouwke schreeuwde met wringende handen achteraan: „Mijn zoon is geenen Herdooper, Mijnheeren, hij heeft maar twee minuten geluisterd naar 'nen Duitschen prediker, meer niet. 't Is geenen Herdooper, 't is geenen Herdooper! De man smeekte, zag hulpeloos, en tevens moedgevend naar 't vrouwke, dat zich aan hem had vastgeklampt. Maar ze kreeg van 'nen dikken soldenier 'nen klop tegen haar kin, dat ze lijk 'nen bussel stroo achterover viel in de sneeuw. De man krinselde, sloeg en stampte toen van woede, maar de soldeniers maakten zijn verweer seffens lam, door hem eens duchtig met hun lansen to bestompen, en sleurden hem dan ma voort. Niemand van de buitengekomen menschen raapte de vrouw op: elkendeen, en ook die uit d'herberg, trok bang en laf terug naar binnen. „Hij heeft niet betaald," zei de bazin. Pieter zag tot zijn verbazing nergens geenen Baskwadder meer. De sneeuw viel op het vrouwke. Hij wist niet wat doen, voelde plots angstig den hoed in zijn hand, en liep den gevangene achterna om hem dien terug te geven. En ge weet niet hoe het komt, maar 't is of de schouwpijpen, de schalien en dakpannen het aan malkander voortvertellen. 't Is of de huizen het rieken. Deuren en vensters vliegen open. Angstige, nieuwsgierige gezichten komen zien. Pieter hoort brokken van rappe zinnen: ,Ne ketter.... "nen Herdooper.... verbranden.... brandstapel.... verkoolen.... Die man zal verbrand worden!" Iedereen weet het, ziet het, en 't verwondert Pieter, dat er niemand die soldeniers tegenhoudt! De menschen.... ze zijn als van stopverf, zonder zenuw of graat, niets. Ze koken niet. Ze zien lijk koeien naar even schip en zeggen melkachtig: „Ik zou in zijn plaats niet willen zijn.... Dat komt er van ketter to zijn." Pieter loopt mee als aan dien man vastgebonden - 't is de schuld van dien hoed. Volk en kinderen loopen mee, nieuwsgierig naar het ongeluk.... En hoe verder het ging, hoe meer de verbeelding van de menschen groeide. Hij hoorde: „'Ne ketter, die met tooverij omging. „Hij vierde den Sabbat met Duitsche maagden." „'t Is er eene, die de klein kinderen het hart uit hun lijf haalt, om er zalven van to maken." „Hij zoog het bloed van jonge meiskes uit hun schouders." [ 81 ]Op den hoek van de Paddegracht en de St . Jacobsmarkt kwam 'nen harige beenhouwer, met bloed aan zijn handen, in zijn deur staan lachen, en riep tot zijnen dunnen buurman van daarover, die in pelzen gewikkeld van uit zijn smal venster kwam zien: „Ze moesten van die ketters beuling maken! Verdomme! Ah, dat z'er mij eens lieten mee doen! wat zou ik er 'nen geweldigen kip-kap van maken!" De dunne lachte met een mager stemmeke: „Dien gaan we binnenkort ter eere van Keizer Karel zien branden lijk 'nen pekstok! Ik houd van zoo'n fakkels!" Pieter kon ineens niet voort, tegengehouden door het bloed aan d' handen en aan de woorden van then dikken man, en bleef angstig en verbaasd naar die twee staan luisteren. Ander volk luisterde mee.


„Nee," riep de beenhouwer, „ik blijf bij mijnen stiel. Ik zie liever, dat hunne kop op een peek wordt gestoken lijk met die zes van verleden jaar! Dat was een kermis van een week! Z'hadden er nog processie moeten mee doen!" „En toen ze dien Duitschen Herdooper verleden maand de darmen uit het lijf haalden, weet ge 't nog? „ 't Ging te rap, z' hadden dat nog langzamer moeten doen. Hadden ze mij de kans gegeven!..." En de eene riep tot den andere al wreeder en wreeder dingen. „Duivels, duivels," dacht Pieter, bevend van ontsteltenis. Maar als ineens uit den grond gewipt, stand er plots een klein ventje met peeenrooden baard uitdagend voor den been houwer en vroeg met verachting in de grijze, triestige oogen: „Zeg eens dondersmoel, waarom blijft ge dan thuis, als ge dat allemaal zoo gaarne zoudt doen, wordt beul! Ze komen er to kort. Maar daar zijt gij to laf voor. Ik wed, als ze naar u 'nen vinger uitsteken, dat g' een ander broek moet aantrekken! Zie hem daar nu staan met zijnen kalfskop!" [ 82 ] Het volk lachte. „Gij zijt zeker ook "ne ketter!" De beenhouwer probeerde den oude verdacht te maken. Maar deze kwam dichtbij en snauwde: „Moet ge dan "ne ketter zijn om een hart to hebben, ondier!" „Bezie eerst uw eigen, gij leelijke rosse kalot. Als ge zoo wel zoo oud niet waart, dan sloeg ik u met dees eene vuist zoo plat lijk een vijg!" t Volk, begeerig naar ruzie en gevecht, drumde dicht opeen rond de twee, die met hun gezichten hatelijk tegeneen grijnsden. „Ah! ge denkt, dat ik !n verroeste ben, te zien naar het koleur! riep de oude, „maar daar heb ik nog te veel olie voor in mijn lijf, donderpad! Zie maar eens!" En daarmee sprong hij lijk 'nen eekhoorn omhoog op den pooten beenhouwer zijn lijf, klauwde zijn linkerhand in then zijn lang haar, lijk 'ne matroos aan de touwen van den mast, en gaf met de andere, tot een vuist genepen; korte, rappe spijskloppen op het rood gezicht. Vlug lijk hij er opgespronge was, voor den beenhouwer goed wist wat er gebeurde, wipte de oude rosse lijk 'ne kousenband het yolk in, en was de gaten uit. 't Volk riep lachend en bewonderend „Jan Nagel! Jan Nagel!" En de beenhouwer wien 't bloed uit zijnen neus drupte, riep kinderachtig: „Hebt ge dat gezien ? Zoo 'nen deftigen mensch laf aanranden? Hij moet in 't gevang! G' hebt het allemaal gezien! Gij moet getuigen voor 't gerecht...." Maar bij het woord „getuigen" muisden de menschen er ineens van onder. Zelfs het smalle venster ging toe. En Pieter, die vreesde ook als getuige gevraagd te worden, was ook seffens een heel eind verder. Hij stond verloren tusschen het gekrioel van wagens en menschen met den hoed van den gevangene nog altijd in zijn hand en den daver in zijn bloed van alteratie en uitgestanen schrik. Van uit een herberg „In het Boterknolleke," klonk gezang en getier. Rijke lieden gingen voorbij, sprekend over geld en schepen. „'t Is alsof ik in Jeruzalem ben," zei Pieter. En hij dacht er aan, hoe Jezus door Judas wierd verraden, en hoe ook de Godde ijke Moeder achter de soldeniers moest geloopen hebben . En was er daar ook geen Simon van Cyrenen, die mee het kruis droeg ? - En toen zag hij naar den hoed, waar hij geenen blijf mee wist . [ 83 ]Hij kwam voorbij een kapelleke; de deur stond open. Hij zag eens rond, en meende toen den hoed daar binnen te werpen om er van of te zijn. „Maar neen, dat mag niet, 't is 'nen hoed van 'nen ketter," zei hij, ,iemand, dien 0.L. Vrouw niet gaarne ziet." En hij ging er mee voort.

4


Het sneeuwde nog altijd dun en fijn, alsof de grijze hemel wierd afgevijld. Toen zag hij juist twee paters Franciscanen ginder voorbijgaan. „Pater Cornelis!" ontviel het aan Pieter zijnen mond. Daarmee gaf hij den hoed aan een passeerenden bedelaar en liep de paters achterna. Hij volgde hen tusschen 't volk, door allerlei straatjes. „Als hij het is, dan is mijne koek geboterd," lachte Pieter, Aan 't klooster in de Minderbroedersstraat lieten zij den k1opper op de poort vallen, en gingen binnen. Pieter ging nu ook blij naar de spitse kloosterpoort toe. Hij nam den k1opper vast, hief hem hoog op, om hem hard te laten neervallen, maar ineens voelde hij zich danig belachelijk: Dat was immers Pater Cornelis niet! Hoe kon hij iemand van achter aan zijn hoofd kennen? En voorzichtig, als met een boordevolle tas melk, bracht hij den klopper stillekens terug omlaag, zuchtte en ging voort. Maar onderweg dacht hij: „Waarom zou ik denken dat hij het is, als hij het niet is?" Hij zag den winter terug toen hij den pater met 'nen sneeuwbal op zijn kaal hoofd wierp. Hij trok dit hoofd als met 'nen verrekijker bij. „'t Is hem!" zei Pieter. „of anders, is 't zijn broer!" Overtuigd ging hij terug, en boenk! boenk! boenk, hij liet den klopper hardnekkig vallen, nog eens, nog eens, - en in de gang daarbinnen vielen als stukken plaaster van de muren van 't lawijd. Verbaasd opende de broeder-portier de poort. ,Wat is 't? Wat is 't?" vroeg de roze man van uit zijnen zonnigen baard. „Seffens, seffens Pater Cornelis," hijgde Pieter. „Iemand om to berechten?" „Als 't dat maar was! 't Is niet voor iemand die gaat sterven, maar voor iemand die moet gaan leven. Zeg maar, dat het vanwege den Pastoor uit Bruegel is, zijnen vriend; de rest weet hij wel, zag maar, dat het de misdiener zelf is!" De broeder ging weg in 't muziekgerammel van zijn [ 84 ]sleutels. Ten einde van de gang, achter een brandende kaars, was De Nood Gods. „Och, O .L . Vrouwke," smeekte Pieter, „'t is nu de nood Pieters, help me nu een beetje goed doorliegen, dan ben ik er uit, en 't val u niet meer lastig." Ginder kwam de portier met Pater Cornelis terug. „Wat komt gij mij vragen, lieve vriend, voor den Pastoor van Breugel? Is hij ziek? Is 't voor een preek? Hoe vindt gij mij hier! Ik ben gisteren pas uit mijn klooster van Gent bier aangekomen! Hij wreef met zijn kleine handen genoeglijk in elkaar. „Wel, de Pastoor zei me: „Ge vindt Pater Cornelis zeker te Antwerpen of te Gent. Hij heeft mij gezonden tot u. Ik zal u zeggen waarom. Mijn moeder is dood... Ge weet wel, dat ik met 'nen sneeuwbal naar uwen kop gooide." „Ja, ja! Ah, dat zijt gij, die daar zoo goed kondt teekenen?' „'t Schaap is in huis," dacht Pieter. „Mijn moeder is het toen, door uwe woorden, in haren kop gaan steken, dat ik 'ne groote schilder zou worden, en als ge 't niet kwalijk neemt, Pater, ik ook. Mijn stiefvader is gelukkiglijk gevangen, en toen mijn moeder stierf, zei ze voor 't laatst „Ga nu naar Pater Cornelis, die zal u, lijk hij u beloofd heeft, bij 'nen schilder to Antwerpen in de leer brengen. De Pastoor van Breugel had 'nen brief voor u geschreven, dien ik bij mijn teekeningen had gestoken; maar toen ik in 'nen huifwagen sliep, hebben sjanfoeters alles afgepakt en mijne kleeren er bij, zoodat ik blij was dat ze mij wat van hun lodders overlieten. En nu kom ik uit Breugel, -vijf dagen er op gegaan. De Pastoor van Breugel hoopt zeker, dat ge van mij "nen kunstschilder zult maken." Broeder Cornelis had vriendelijk geluisterd, maar krabde nu bezorgd op zijnen grooten, blooten schedel. „Maar, lieve vriend," jammerde hij, „van zoo scherp naar mijn woorden geluisterd to hebben! Dat kan ik bijna niet op die manier gezegd hebben. Ik ken niets van schilderen. En wat een gedacht, mij niet eerst to schrijven.... Ik ben uit Gent.... Ik ken hier geen schilders...." en hij zag naar Broeder-Portier. En die zei: „G'hebt daar Pater Alex, die zich veel met bouwwerken bezig houdt; die is altijd met die mannen in onderhandeling; daarstraks is er nog eene hier geweest...." „Kom, we gaan naar Pater Alex," zei Pater Cornelis, toen hij het droevig gezicht van Pieter zag. Pieter speelde geen comedie; maar hij west genoeg, dat zijn gelaat het hevig [ 85 ]verdriet van zijn gemoed niet kon weergeven en daarom deed hij er wat bij. Pater Alex was in zijn cel aan 't schrijven op een bouwmeestersplan, in 't licht van een olielamp. 't Was 'ne lange, vinnige, jonge pater, met 'nen lach opzij. En toen hij goed naar Pater Cornelis geluisterd had en ondertusschen door de smeekende blikken van Pieter meer en meer ontroerd geworden was, zei hij. „Ik ga morgen met u naar den grootsten schilder van Antwerpen, naar Pieter Coecke, mijnen vriend.

Spijtig, dat ge niets kunt laten zien!.... Wacht eens wat! Ik weet iets. Indien ge hier nu eens kondt overnachten? Als Pater Gardiaan het toelaat... Ik zal het hem seffens vragen. Dan geef ik u papier en potlood, en dan kunt ge nog een eindeken in den avond teekenen; want Coecke is moeilijk om aan te nemen. Hij is schilder van den Keizer." Toen bezag hij Pieter zijn kleeren. ,Er hangt op zolder nog wel een burgerkostuum van 'nen broeder die gestorven is." Pieter kon het niet meer houden en lei 'nen kus met tranen op de patens hun handen.





't Was een klein, wit celleke, waar alleen een beddebaksken en een tafeltje stonden en een crurifix en 'ne St. Franciscus aan den muur hingen. Hij kreeg boterhammen met 'nen visch in azijn, en een stoopke knollekesbier, potlood, 'nen riem papier en een dikke processiekaars. En in dat ros licht zat hij aan dit tafeltje op dit wit papier zijn hart uit to teekenen, zijn leven to geven, zijn roeping to volgen. Hij teekende gespannen, dat de magere schouders er zeer van deden, met de tong genepen uit zijnen mond. Hii teekende zich uit, hij teekende zich door. Soms zag hij met smeekoogen naar St. Franciscus en naar 't crucifix. En hij teekende zoo op de papieren: paardekes, [ 86 ] zijn stiefvader, 'nen ooievaar, zijn dorp zus en zijn dorp anders, het schilderijke van Bosch, dikke, mageren, processies, kermissen, helleverbeeldingen, heel zijn leven, zijn lijden, zijn verdriet, zijn geloof, zijn vrees, zijn -hart. Hij teekende den man die door de soldeniers meegenomen wordt; de oude vrouw die valt; Baskwadder, aan 't preeken om de menschen to kunnen verraden; Jan Nagel, die op den beenhouwer zijnen snuit timmert. Heel zijn hart door bladerde hij. Hier was hij de rozeknop, waarin onbewust heel de latere bloem zat, nog jong en in elkaar geplooid, maar heelemaal aanwezig.

Buiten sneeuwt het nog altijd, dun en langzaam. Hij heeft geenen tijd om to zien; ook de boterhammen blijven liggen; 't bier in 't tinnen stoopke verschaalt. Hij denkt aan Veronica en hij teekent de bergen en landschappen, waar ze naar verlangde. De teekeningen liggen op de tafel en op den grond. Heel den nacht teekent hij door. Dat is misschien een van d' heiligste uren van zijn leven. Als dit niet lukt, dan maar terug bij de varkens! Plots springen de morgenklokken los in den nog duisteren, nieuwen dag; heel het klooster loopt er van vol. Endan staat Pieter op en smeekt, met de roode handen in d' hoogte: ,Als 't u belieft, laat me nu toch schilder worden".

5


Nadat ze in 't portaal gewacht hadden, leidde 'ne manke knecht hen door de weelderige kamers naar Mijnheer Coecke. Pieter vielen zijn oogen haast uit zijnen loop. Schilderijen op het goud-1ederen behang van de muren, rijk gesneden kasten met Delftsche potten op, zware tafels, schapenzachte tapijten, knapperende houtvuren in de breede gecariatiede schoorsteenen. En ten einde van die kostelijke zalen was 'nen breede trap met roos-damasten gordijnen, waar tusschendoor een malsche klaarte druipte, citherspel en gemengd gezang. Toen ze daar boven kwamen, in het volle licht, zag Pieter, op een draaischijf, een met gazen en bloemen besluierde vrouw in een groote schelp liggen, die jonge schilders aan "t uitschilderen waren. Hij hoorde haar helder lachen, en wist seffens, dat het met hem was, „of misschien met Pater Alex," troostte hij zichzelf. Acht jonge heeren in fluweel en [ 87 ]stijven pijpkeskraag waren aan 't schilderen, voorlezen, cither spelen . Er was daar een schoone wanorde van allerlei schildersmodellen, klassieke beelden, vanen, harnassen, tapijten, vazen, groote schilderijen en teekeningen. De manke knecht leidde hen een verhoog op, en daar, achter een goud-lederen scherm en zware Oostersche tapijten, te midden van stapels kussens, Arabische schenkkannen en Moorsche wapens, helmen, bogen, zwaarden en schilden, zat Mijnheer Coecke, gekleed in 'nen maneschijn groenen, zijden Turk, met bepluimden tulband op het hoofd en een krom zwaard aan de zijde, „Het Laatste Avondmaal" to schilderen. Het was klaar geteekend, Italiaansch van kleur en vorm, vol theatrale beweging, met veel zwierigheid van gebaren en plooien, en de reeds afgewerkte deelen poezelachtig afgelikt. „Dat is hier geen spek voor mijnen bek," dacht Pieter. „Als ik niet rap weg ben langs de deur, zwieren ze mij door de vensters." Mijnheer Coecke had een vierkantig gezicht met 'nen korten, vierkantigen, bruinen krollekesbaard 'nen horizontalen, langen knevel, rechten neus, uitsprinende, blozende jukbeenderen en dappere oogen onder het gefronst voorhoofd, alles architectachtig afgemeten; maar in zijn dappere oogen lag iets achterdochtigs, smeekends en onvasts.



Hij bood hun een Arabisch stoeltje aan, maar nadat Pater Alex had gegroet, Pieter voorgesteld en de teekendrift van den jongen had uitgelegd, fronste Coecke nag meer de wenkbrauwen. „Uit Breugel ?" „Ja, Mijnheer." [ 88 ]„Waart gij daar misdiener?" ja, Mijnheer." „Waart gij het, die bij den Pastoor hebt gewoond?" „ja, Mijnheer." „En daar tekeningen hebt laten hangen?" „ja, Mijnheer." „Wacht dan eens wat." „ja, Mijnheer." Pieter werd angstig. Nu zou het uitkomen, dat de Pastoor van heel de historie niets wist. Mijnheer Coecke haalde uit een dons 'nen brief, en uit dien brief eenige kleine teekeningen, „Kent ge die?" „Die heb ik geteekend," zei Pieter, verbaasd en bang Mijnheer Coecke bestarende, die als 'ne strafrechter ondervroeg en als 'nen toovenaar te werk ging. „Mijnheer Pastijn had mij over u geschreven, toen hij laatst bij uwen pastoor gelogeerd had," zei Coecke. „Waarom zijt ge niet vroeger naar hier gekomen? Waarom heeft de Pastoor niets meer laten hooren?" Pieter wist er geen letter op to zeggen, verstond er geen gram van. „Ik was op reis, Mijnheer." „En nu heeft de Pastoor u gezonden?" Dat kon een strikvraag zijn, en Pieter zei kalm: „En Pater Alex heeft mij naar hier gebracht." hebt daar nog andere teekeningen bij?" Coecke bezag ze vierkantig. „Niet slecht, niet slecht, maar ge moet nog veel leeren, jongen!" „Ik vraag niets beter, Mijnheer, hoe meer hoe liever, en hoe rapper hoe liever ook," waagde Pieter. „Leerlingen heb ik te veel," zei Coecke. „Die jonge mannen betalen mij 20 gulden daags. Ik zal u als knechtje aannemen, dan kunt ge 't geheim van de verven leeren. 't Valt juist mee, Pater Alex; ik heb zoo een paar knechtjes noodig. En zoo komt' de jongen stillekens in de koleuren en de kunst. Mevrouw Verhulst, mijn vrouw, zal u voor haar miniatuurschildering ook wel kunnen gebruiken; verder hebt ge kost en inwoon en 't loon hangt of van uw werk." Pieter liepen de tranen over zijn kaken: "t was gelukt ! Toen Coecke Pater Alex ondervragend bezag, lachte Pieter beschaamd. „Ik dacht maar eens aan mijn moeder, Mijnheer." „Braaf, braaf," zei Coecke. „Ik zal u heelemaal anders leeren teekenen. Zie, die paarden, die hoeven, die men[ 89 ]-schen, dat is allenmaal te boersch gezien, te gothiek gezien. Ge moet modern worden. Zie," riep hij, een teekening vooruitstekend, „maar kijk, is dat Jan Nagel niet?" „Dien heb ik gisteren zoo zien vechten, Mijnheer," zei Pieter. En Coecke begon smakelijk to lachen: 'ne ronde mond in dat vierkantig gezicht! ,Goddelijk! Jan Nagel! Jan Nagel!" „Die werkt hier," zei Pater Alex tot den verbaasden Pieter. „Ja, die doet hier zoo wat den aanleg van de schilderijen," zei Coecke en begon opnieuw te lachen. Daarop kwam de manke knecht met een schreeuwend kindeke van achter de tapijten. „Meester," zei hij, het kind aan Coecke overreikend, „Marieke wil bij mij, noch bij Mevrouw zwijgen." „En de meid dan?" „Die is om vleesch, Meester." „En 'k heb hier menschen, 't is altijd hetzelfde!" „'k Heb het aan Mevrouw gezegd, Meester; maar ze zei, dat Mijnheer de Pater haar wel zou willen verontschuldigen, daar Marieke braaf en zoet bij vader is, en de Pater het kindeke toch goed kept. En ze was juist bezig aan een miniatuurke, -- aan den neusvleugel van Proserpina. - Wat heel lastig is! zei ze." „Werk maar!" lachte Mijnheer Coecke, goedig het kind overnemend, „heel den dag bezoeken ontvangen, lessen geven, brieven schrijven, vergaderingen bijwonen, en dan nog kindermeid spelen terwille van den neusvleugel van Proserpina. Maar 'k zou het opeten, ons Marieke!" En meteen neep hij het kind hartelijk tegen zijn kaken. „Is 't geen modelleke van Raphael voor een Kindeke ezus, met zijn blauwe oogen en gouden krollekes?" riep hij. Hij hief het kindeke in de hoogte, dat nu kraaide en lachte en in zijn poezelige pollekes sloeg. „Maar nu loopen," zei de blijde vader, ,nu moet ons kakernestje loopen. Ga eens aan den Pater een polleke geven, en daar, aan Mijnheerken ook! Verleden maand zette z' heuren eersten stap, en nu klimt ze al alleen naar boven ! Toe, geef den Pater een handje !" En 't kindeke kwam schalks naar Pater Alex, kletste in zijn groote, open hand, ging dan naar Pieter en gaf hem een handje. Hij trok een scheef snuitje naar heur, en ze gichelde het uit, en wees naar het pluimken op zijn hoedje. [ 90 ]Hij nam Marieke op, bukte zich, zoodat ze aan het pluimke kon, en 't was heelemaal in heuren schik, aan 't pluimke to streelen en to trekken. Mijnheer Coecke lachte genoeglijk, en zei toen verder tot den Pater en tot Pieter. „Ik zei, ge moet modern worden; dat wil zeggen, ge moet de schoonheid huldigen van den mensch, zooals ik dat hier heb binnengebracht, den eersten in ons land, voor Bernard van Orley, die denkt, dat hij het gedaan heeft. Ik heb met Michel-Angelo gesproken, met Raphael en Da Vinci, de grootste genieen van alle eeuwen. Dat zijn Humanisten! Humanisme dat is het! Dat is: de goddelijke schoonheid van den mensch zien, de schoonheid van alles. Weet ge, wat Michel Angelo zei? Hij zei mij: de Gothiek, dat is goed voor vrouwen. - Natuurlijk, dat Memlinc en Van yck straffe schilders zijn - maar z' hebben de schoonheid, de lenigheid, de harmonie van het menschelijk lichaam niet gezien... Wat een Eva heeft van Eyck geschilderd! Een vodde! lijk ze bij ons in Aelst zeggen. Ze zou moeten zijn: de milde, weelderige moeder der menschheid, de bloeme, naar wier borsten al de geslachten der aarde prijzend en lovend opzien! Zoo versta ik Eva! Maar ach, de Gothieken hebben hun menschen aangekleed met zware plooien, of ze zijn verstrikt geworden in duivelsdroomen lijk Bosch, die vieze kwast, - z' hebben het leven veracht!" Hij schoof de tapijten toe om 't luid gepraat en gelach van de leerlingen to dempen. Marieke had intusschen de pluim van 't hoedje getrokken, stak ze telkens in heur mondje, en schilderde er mee over 't gezicht van Pieter, die al lachend toch voortluisterde. Maar tusschen twee pluimstreken van Marieke in waagde Pieter toch to vragen, --- die nog niets van de Humanisten kende, maar danig veel van "t schilderijke van Bosch hield, als van iets van hem zelf : ,Is Bosch dan niet schoon, Mijnheer?" Mijnheer Coecke trok daarmee den krommen sabel bloot; Pieter dook zijnen kop al tusschen de schouders. „We zullen uw goesting voor de Gothieken wel doen slabakken! zei Coecke. Een deur werd hevig toegeslagen en een kwade stem galmde beneden in de zaal. Meester Coecke sprong op, trok de tapijten open. Ginder stond Jan Nagel tegen de leerlingen en de vrouw uit te varen: ,Ge moogt eens wat gaan zwijgen, he! Eerst is 't een muziekske, gelijk ik er [ 91 ]thuis op zolder twintig heb liggen, en dan is 't een lawijd en dwaas gelach, dat ge er geenen borstelstreek kunt van zetten! Ik wil stilte! Dat het stil is, of 'k trek er uit voor vandaag." 't Ging moeilijk voor Coecke, de nobele heeren iets te verbieden, en daarom zei hij voorzichtig: ,Als 't u belieft, een beetle stiller, probeert eens door te werken, 't is 's winters zoo vroeg donker." Jan Nagel ging grommelend terug, maar Coecke riep hem: „Kom eens, Jan; 'k heb u iets te laten zien!" Jan kwam, grommelend, met wiegende schouders, de handen in de zakken, en bleef zwijgend met bitteren mond, afwachten. „'t Werk gaat niet," morde hij. „zie eens," zei Coecke. Jan Nagel bekeek het strak met zijnen blauwen, verdrietigen blik. „Wie heeft dat gedaan ?" vroeg hij kort. „Deze jongen, die hier knechtje komt zijn." „Waart ge daarbij ?" „Ja, Mijnheer," zei Pieter, terwijl Marieke aan zijn haar trok. „Ik vond het zoo schoon, wat ge daar deedt." Jan Nagel richtte zijnen wijsvinger naar Pieter. „Als ge naar mij luistert, dan maak ik van u 'nen klepper!" Hij zwaaide met zijn vuist in de lucht. „En 'nen grooten! Verdomd! Verdomd! Dat doen er veel grooten niet na!" Pieter staart hem aan, vol ontzag en dankbaarheid. Marieke zit ineens stil. Zie, ze watert Pieter onder. Coecke en de pater beginnen to schateren en Pieter zegt blij en verlegen: „Nu is 't gezegend!" Juist komt de knecht aangemankt. „Meester, den ondersecretaris van Zijne Majesteit, Keizer Karel, is daar met twee Spaansche edellieden." Coecke springt op, heelemaal in de war, de tapijten wijd openschuivend, zoodat men hem van ver zal zien zitten schilderen. „Rap," roept hij, „rap": -- tot Pieter: „Gij naar de keuken met het kind!" - tot den Pater: ,Dag, Pater kom straks eens terug, of ik kom liever zeif eens!" - tot Jan Nagel: „Ga, ga of blijf !" -- en tot de leerlingen : „'t Model in stand! Schilderen!" Op 'ne sibot was alles in regel en weg, wat weg moest zijn - en Coecke zat to schilderen. Toen, terwijl hij naar de keuken ging, die al rook naar spek met eieren -- maakte Pieter een kruisken en kuste

Marieke dankbaar op haar perzikachtige wangen. [ 92 ]

6

Drie dagen achtereen had Jan Nagel, met verlof van Meester Coecke, aan Pieter de stad Antwerpen laten zien. Hij was van d' eene verbazing in d' andere gevallen. Hij juichte, toen hij de Schelde zag met haar prachtig en kleurig gekrioel van duizenden schepen, galjoenen en galjoten, riekend naar oorlog en naar verre landen. Hij had gezucht voor de schoonheid van menig ding in de schilderateliers, kerken, kloosters en bij particulieren, maar vooral die O. L . Vrouwekerk en haar toren, als kantwerk door de zon geborduurd, had Pieter ontroerd en doen zeggen: „Een schooner kaars kunt ge voor O .L. Vrouw niet draaien!" En toen hij in de slanke, zevenbeukige ruimte wandelde, als tusschen de pijpen van een orgel,- en in 't licht van de Paradijzen-glasramen voor de heldere „Graflegging" van Quinten Metsijs stond, als voor den subliemsten dageraad, dien ooit 'ne morgen maakte, trilden de tranen van bewondering in zijn oogen en zei hij met kroppende stem: „Daar heeft God aan meegeschilderd en daarom is die kerk zoo schoon!" Maar toen hij bij 'nen Italiaanschen koopman in zijn verzameling verschillende werken van Jeroom Bosch zag, al die duivelarijen, St. Antonius bekoringen, Vagevuren en boeren, toen wierd Pieter zijn hart als opengescheurd en "t liep over van visioenen. „Zoo moet ik schilderen, zoo kan ik het ook, zoo wil ik het ook!" Maar ineens zei Jan Nagel: „Ge hangt mijn keel uit met uwen Bosch. Ik vind hem zelf een van de beste schilders, maar dat Ziet gij nog niet. Dat zult ge zien, later als ge kunt schilderen; want luister goed: gij ziet to veel naar 't onderwerp; dat heeft niks to maken. 't Is eender wat ge schildert, vrouwenvleesch, eieren, visch, fruit, landschappen, grafleggingen, duivels, St. Antoniussen of engelen, - als 't maar goed geschilderd is, is 't goed. Gedachten, ontroering, mystiek, en wat ze daar rond vertellen, dat is zeever in pakskes, dat schrijft g' in een boekske. Poot! - borstel! - dat moeten w' hebben!" „'t Spreekt vanzelf," zei Pieter voorzichtig, „dat alles goed moet geschilderd zijn; -- maar verbeelding van 'nen engel die goed geschilderd is, is toch meer dan een gebersten kruik die goed geschilderd is." „goed geschilderd, is die kruik ook 'nen engel!" zei [ 93 ]Jan en hij riste opgewonden met zijn vingeren door zijnen bos safranen haar. Pieter wist of durfde daar niets op to antwoorden. „Maar ik zal u meer zeggen," betoogde Jan Nagel luid, zonder er op to letten, dat hij op straat was, die vol volk liep, daar de beurs uit was, -- en al zijn vingeren dansten. „Ziet ge dien rotten vischkop daar liggen in de goot? Ewel, ik kan hem nog niet bezien! - ik mag geene visch - maar goed geschilderd, is die vischkop zoo mystiek als 'nen engel, en nog mystieker, als hij beter geschilderd is. Dat is mystiek: Kunnen! Mystiek is: God in de verf trekken! Wat kunnen mij al die frambozen heiligen van Coecke schelen en zijn porceleinen Venussen, als ze niet kloeker in de verf gevangen zitten dan hij het doet. Ja, gevangen! Wij, schilders, vangen: Wij vangen God met ons verf, lijk 'nen heilige met zijn gebeden; en Hij heeft het gaarne! En ik zeg, en 'k zeg het nog: 'Ne goeie schilder is ne zoon Gods!

7

Ze kwamen tegen de schemering in de smalle, donkere straatjes van St. Andries. Plots zei Jan Nagel: „Nu gaan we naar mijnen vriend Jefke Slagkop, - die later op den brandstapel zal kissen -- 'nen goudmaker, 'nen alchimist. Volg mij maar." Pieter volgde Jan Nagel in een smal straatje. 't Was te nat en papperig van den door en 't kletste paternosters dooinoten van de pannen op hunnen kop. „Dat is hier, helaas, een vervallen brouwerij bij gebrek aan goed water, zei Jan Nagel vol heimwee, toen ze op een overhoope koer met vervallen afdaken kwamen. Jan Nagel klopte op een soort staldeur. „Hier woont mijn vriend Jefke Slagkop." Daar kwam "ne kleine, gebochelde, jonge .. man opendoen, die naar den blaasbalg rook, zwart zag lijk 'ne neger en groote, verwonderde oogen had met veel wit. „Is Magister Neptusurio thuis ?" vroeg Jan Nagel. „De sterren hebben het zoo geschikt, dat gij thans Magister zult vinden," zei 't manneke beleefd met moeilijke, genepen stem. „Goed, zeg merci aan de sterren, en aan Magister: [ 94 ]dat ik hier ben met 'nen jongen vriend, die met hem wil kennis maken." Zij volgden het osseknieënd ventje twee ledige vertrekken door, en kwamen dan in een lage, slecht verlichte plaats, waar - te midden van roetreuken, 'nen donkeren, slordigen warboel van flesschen, kruiken, alambieken, trechters, potten, boeken, eierloopers, hout en allerlei distilleergerief - Jefke Slagkop aan een fornuis in een potteke zat to roeren, al lezend in 'nen boek. Hij moest door 't bultje bij de mouw getrokken worden. Hij schoot kregelig en snauwend als gebeten om; maar toen hij Jan Nagel zag, wierd zijn gezicht plechtig en vroom groetend. „Broeder," zei hij, gedempt als door to veel liefde, en groette ook Pieter. „Mag ik hem ook Broeder noemen?" „waarom niet," zei Jan Nagel. „Die ik meebreng, zijn er goeie!" Hij trok het potteke weg, en kwam tot hen. Het was 'ne kassei-bleeke, dunne man, met 'nen halven baard, - waarvan de andere helft was afgebeten - en 'nen blauwen, ontwijkenden blik. „Ik ga vandaag niet mee Jan Nagel, ik ben juist bezig goud to vinden langs een andere formule maar natuurlijk langs het heilig getal zeven." 't Gebocheld manneke spitste meteen zijn ooren om te luisteren, en zijn witte oogen blonken blij in zijn zwarte gezicht; hij vergat de kooltjes to ziften. „Ja laat mij u Broeder noemen wij zijn alien druppels van eenen God dien wjj met een stof omkleeden uw stof en mijn stof is dezelfden Ether maar ze trilt anders 't verschil van heviger leven van God," zei Jefke Slagkop tamelijk rap, maar duidelijk en overtuigd, zonder aarzelen of haperen, lijk een kraantje dat loopt. Het was 'ne man die zonder komma's sprak en ook zonder punten, vraagteekens of wat anders. Aan al wat hij zei, was een begin en een einde, maar daartusschen was er niets anders. Elkeen ging op een baksken of een tonneke zitten. Jefke stak zijn handen in de loddermouwen van zijnen doormotten tabbaard, of genet met of gepelden pels. „Ha Broeder," zei hij tot Pieter, „ik zie aan 't licht dat van u uitstraalt dat ge nog niet in gewijd zijt God brandt in ons dat is een zeven keeren zal het vuur zich omsluieren met vleesch en bloed zeven keeren terug komen dat is twee wie dan nog in zonden en be eerten leeft daar dooft het vuur in uit dat is de Hel en God is de grooten Architekt bouwt met dezelfde stof Ether die in elk ding anders trilt [ 95 ] dik of dun of stil of luid verstaat ge mij goed is van dezelfde stof als lood de Steen der Wijzen die is in mij in geen potteke dat is de vonk van den Bouwmeester dat is het lichaam stil leggen dat is de kalmte bereiken de harmonie der sterren het lot overwonnen ik stoef niet als ik zeg dat ik hier in mijn zevende leven sta en ik kom niet terug 'k ben feitelijk in mijn vijfde leven maar door wil en concentratie en inwijding heb ik er twee ingewonnen de stof is overwonnen ik kan zeggen 't is volbracht 'k heb hier niets op aarde meer te doen voor mij maar wel om anderen vooruit te helpen lijk ik doe met dezen vriend die is in zijn vierde leven 'k help hem in zijn vijfde dees jaar nog ik heb de kalmte wat ze noemen in de boeken de stilte van den Grooten Zwaan dat is heiligheid." Daarop viel het gebocheld manneken op zijn knieën, kuste den mottigen tabbaard en zei: „Meester, ik zal alles doen! Beveel, beveel, help mij in 't vijfde, houd mij in 't heilig licht der getallen; 'k heb u mijn geld gegeven, red mij van mijn zonden!" Er was smeeking en angst in zijn woorden. Jefke streelde hem over de gitzwarte, lange haren en zei, even glazig als daarstraks: „O heilige kalmte avondvuurke dat op den heuvel brandt." Een deur nevens 't fornuis ging open en Jefke's vrouw, geel onder heuren hoofddoek, met een kind op den arm en een aan heur rokken, kwam smeekend tz voorschijn „Jefke, kunt ge mij een paar penningen geven: in 't klooster van de Witheeren schrijven ze in tegen de tandpijn; och, ik heb er weer zooveel pijn." „Wat," zei Jef, opspringend, niet roepend, alleen maar aan zijn woorden harder duwend, „tandpijn zuur in de darmen 't is altijd iets daardoor houdt ge tegen het goudworden van uw ziel en 't goud in 't potteke van den levenselixer weg ik geef niets 'k heb zelf niks." En zich tot Jan en Pieter richtend: „Ik zit hier mijn pees of to draaien om zalf to maken om wat goud te krijgen om van lood goud te maken zij komt mij 't geld aftruggelen ter eere van de heilige Apollonia sta het uit wil het niet voelen zoo helpt ge Gods plan en ge komt zoo rapper in uw derde leven want ge zijt er nog maar in uw tweede." Het rood dampte in zijn oogen, zijn aderen kwamen als koorden van onder zijn vel to voorschijn. „Zwijg, zot," riep de vrouw, „met uw goud; achtereen loop ik met een dood kind in den arm. Wat kan mij Gods plan schelen. God is goed genoeg, maar gij zijt zot: als [ 96 ]God ons iets geeft door een liefdadige hand, dan smelt gij het op, zot, zot!" En Jefken ontplofte nu: hij sloeg zijn armen in de lucht.



't Gebocheld manneke kroop bevreesd achter een ton, en de vrouw stak heur vuist uit: „Zie hem daar staan! Dat spreekt van kalmte en hij scheurt haast van gramschap!" Toen werd Jefke zoo kwaad, dat hij "nen steenen alambiek kapot sloeg. „Wees maar kalm," vloekte hij, „als ze u zoo judassen weg weg weg of 'k sla u den kop in lamlendig wijf." „Halt, vent," zei Jan Nagel en greep hem bij den nek. - „Kom, we gaan een pint drinken; rap u verkleeden!" En hij duwde hem het kamerken in, en stopte de vrouw eenige muntstukken in de hand. Jefke kwam direct terug, gekleed, of beter hij had zijnen bruinen tabbaard uitgedaan en 'nen groenen aangetrokken. „Kom dat we uit dit stoffelijk boeltje uit zijn." 't Gebocheld manneke viel hem voor de voeten: gister, mag ik in de Geheimen van Ambrosius lezen?" Jefke dacht na en zei dan plechtig: „Ge moogt maar niet in d' andere boeken!" En hij hief den knecht zijn kin op en bezag hem straf in d' oogen, dat er de andere de zijne van toe deed. En voor de drie buiten waren, zat het ventje al gulzig bij "t venster in den dikken boek to bladeren. „Die man heeft zijn fortuin aan u verloren," zei Jan Nagel, eenigszins verwijtend. „God ter eere," antwoordde de magister koel. En dan tot Pieter: „Broeder begrijp 1k was niet kwaad op mijn vrouw ik deed zoo maar om ze doen weg te, gaan ik kan dat ook met tooverkracht maar dat doe ik bij mijn eigen [ 97 ] bloed niet zouden we niet in „'t Witte Paard" gaan daar is 't goed bier." Pieter was heelemaal onder den indruk van wat Jefke had verteld. Het was zoo nieuw, raadselachtig, vaag en asntrekkelijk. „Ik zal het, geloof ik, gaan gelooven," dacht hij. Ze gingen gedrieën achtereen. „Gelooft gij, wat hij zegt?" vroeg Pieter stil. „Daar moet ge mij nooit meer naar vragen," zei Jan Nagel, koud lijk glas


8


't Was een bruin gerookte taveerne en een jonge weerdin met puttekes in haar armen. De kroezen wierden schuimend op tafel gebracht, de gele kaarsen brandden in den zwarten, ijzeren luchter. „Last ons drinken op 't goed Antwerpen," zei Jan Nagel. „Wacht Broeder," stelde Jefke voor, „Pieter jonge Broeder dat ik hier bier kom drinken moet u niet verbazen bier is een trilling van stof die ik waardeer niet om het bier maar om zijn getal wij voeden ons met getallen en ik kom hier om de menschen te verschalken want eenzamen worden gauw verdacht de vlam in mij verliest er niet bij daar ben ik de kalmte veroverd heb de stilte van den Grooten Zwaan en ik mij altijd terug naar mijn eenzaam middenpunt — dat is de moeilijkheid voor "nen mensch in de wereld - kan trekken God is te prijzen in al de trillingen van de stof omdat het Zijn trillingen zijn maar altijd uw middenpunt behouden onafhankelijk van de begeerten blijven God is te prijzen in een bloem in ijzer lood en ook in dezen arm van Carolien." En meteen lei hij 'nen kus op dit poezelig vleesch; maar hij kreeg van heur malsche hand een klets, die knokte lijk een omelette. „Voelt ge "t trillen?" vroeg Jan Nagel. „De kus was goud de klets was lood." „Troost u," zei Jan, „'t is toch van dezelfde stof. - En nu," zei hij tot Pieter, „gaan we op schoon Antwerpen drinken. Maar eerst he'b ik u vier raadgevingen te ven. Nu is uw geest no frisch seffens danst hij door dit bierke van tra la la la. Daarom: het u nu gezegd, voor de Antwerpsche bierziekte uw bloed verheugt." Jefke wou iets zeggen. „Neen, Magister: zwijgen tot we gedronken hebben; dan zegt ge weer wat ge wilt!" En weer tot Pieter „Nu frisch gezegd, dan kunt g' er altijd frisch over pein[ 98 ]zen. Wilt ge 'ne kunstenaar worden, luister dan naar dit Houd u niet bezig met politiek – dat verbrandt uw energie en dan kunt ge niet meer rechtuit spreken. Houd u niet bezig met theologie; en laat het u koud blijven of Adam 'nen navel had of niet, en of de slang wel of niet gesproken heeft - ge zult er toch niet beter om schilderen. Drink juist zooveel, dat ge den deugdelijken smaak behoudt; en blijf van de meiskes af. Bijzonder: blijf van de meiskes af. Dat zijn de vier gouden raadgevingen van Jan Nagel. Hebt ge ze verstaan? Ge moet ze niet volgen om mijnentwille. Ik zeg ze maar voor uw eigen goed. Hebt ge ze verstaan? Want morgen begint uw werk!" „Ja," zei Pieter. „Probeer ze dan te volgen en dan wordt gij 'ne groote schilder, dat voel ik! Wij drinken op schoon Antwerpen en zijnen- nieuweling: Pieter van Bruegel!" De kroezen gingen omhoog en aan den mond. „Engelbewaarder, loop met dit bierken mee in mijn keel en hap naar alles, wat kwaad is voor de schilders!" zei Pieter Bruegel toen. En hij dronk zulken grooten teug, dat hij er van moest naar asem scheppen.