Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 2

Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen. Radio-reglement 1930 (1936) door Rijksoverheid

Hoofdstuk II. Van den Radio-Omroep.

Hoofdstuk III. Van de radio-electrische uitzending van mededeelingen van zakelijken aard.
Uitgegeven in 's Gravenhage door Hoofdbestuur der Posterijen, Telegrafie en Telefonie.
[ 5 ]

HOOFDSTUK II.
Van den Radio-Omroep.

Artikel 2.

1. Zonder een machtiging van den Minister is het verboden aan te leggen of te gebruiken een radio-electrische inrichting, bestemd tot het uitzenden (waaronder begrepen heruitzenden) van mededeelingen van woord-, toon- of beeldinhoud van ontspannenden, leerzamen, politieken, aesthetischen, ethischen of religieuzen aard, bestemd voor allen, die deze wenschen te ontvangen. [ 6 ] 2. Deze mededeelingen mogen, behoudens het bepaalde in het achtste en negende lid van dit artikel, slechts afkomstig zijn van rechtspersoonlijkheid bezittende omroeporganisaties, die tot het voor het uitzenden van deze mededeelingen vereischte gebruik van de in het eerste lid bedoelde inrichting door den Minister zijn gemachtigd.

Zij mogen niet inhouden een rechtstreeksche dan wel zijdelingsche of bedekte ondermijning van godsdienst, zedelijkheid, gezag en volkskracht, noch kennelijk bestemd zijn voor het buitenland, indien bekend is, dat zij in een bevrienden Staat niet zijn toegelaten.

Mededeelingen van politieken aard mogen bovendien niet anders inhouden dan een stellige uiteenzetting of toelichting van politieke beginselen.

3. Om voor een machtiging in aanmerking te kunnen komen moeten de omroeporganisaties aantoonen, dat zij in zoodanige mate gericht zijn op bevrediging van in het volk levende cultureele of godsdienstige behoeften, dat hare uitzendingen uit dien hoofde geacht kunnen worden van algemeen nut te zijn.

4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid van dit artikel kan een machtiging, behoudens uit hoofde van bezwaren van techniek en uitvoering, slechts wegens gevaar voor de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden worden ge­ weigerd.

5. De beschikbare zendtijd wordt, den Radio-raad gehoord, door den Minister naar billijkheid verdeeld over de overeenkomstig dit artikel tot uitzending bevoegde omroeporganisaties.

6. Door den Minister kan worden bepaald, dat onder de in dit artikel bedoelde mededeelingen mede mogen worden begrepen mededeelingen van leerzamen aard, die voor bepaalde personen bestemd zijn.

7. Bovendien kan door den Minister worden toegestaan, dat in bepaalde gevallen en omstandigheden mededeelingen van zakelijken aard, bestemd voor allen, die deze wenschen te ontvangen, en mede­deelingen van politieken aard die niet voldoen aan het bepaalde in den slotzin van lid 2 van dit artikel, worden uitgezonden.

8. In de gevallen, dat Wij van den Nederlandschen omroep wenschen gebruik te maken, is de daarvoor noodige zendtijd op de bij dien omroep in gebruik zijnde zendinrichtingen te allen tijde te Onzer beschikking.

9. Zendtijd wordt eveneens te allen tijde beschikbaar gesteld, indien de Ministers, Hoofden van Ministeriëele Departementen, in hunne hoedanigheid van Regeeringspersoon, mededeelingen [ 7 ]aan het Nederlandsche volk hebben te doen. Van het voornemen tot het doen van deze mededeelingen wordt kennis gegeven aan den Minister, die belast is met de zorg, dat van den zendtijd, zoo­ wel in dit als in het vorige lid bedoeld, gebruik kan worden gemaakt.

10. De bepalingen ten aanzien van de controle op de uitzendingen van den Radio-omroep, alsmede de bepalingen van dit artikel met betrekking tot den inhoud van hetgeen wordt uitgezonden, zijn niet van toepassing op de in het achtste en het negende lid van dit artikel bedoelde mededeelingen.

11. Het uitzenden van andere mededeelingen dan in de bepalingen van dit artikel zijn voorzien, is verboden.


Artikel 3.

Behalve de voorwaarden, overigens aan de machtiging te ver­ binden, wordt als regel gesteld:

1°. dat de machtiging door den Minister kan worden ingetrokken bij niet-nakoming van de voorwaarden, waaronder zij is verleend;
2°. dat de overeenkomstig artikel 2 tot uitzending bevoegde omroeporganisaties verplicht zijn hare programma’s van uit te zenden mededeelingen onderling uit te wisselen, zulks op nader door den Minister te stellen voorwaarden en met dien verstande, dat de Minister in gevallen te zijner beoordeeling van deze verplichting ontheffing kan verleenen.


Artikel 4.

Het gebruik van de inrichting wordt, zoodra dit door Ons in het algemeen belang wordt noodig geacht, geheel of ten deele gestaakt.


Artikel 5.

1. Tot aanleg, wijziging of uitbreiding van de inrichting mag niet worden overgegaan, alvorens daarvan is kennis gegeven aan den Directeur-Generaal en deze tot de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijke toestemming gegeven heeft; bij de uitvoering moet aan de door of namens den Directeur-Generaal te geven aanwijzingen van technischen aard naar diens genoegen gevolg gegeven worden.

2. De inrichting mag na aanleg, wijziging of uitbreiding niet in gebruik genomen worden, alvorens door proefnemingen en metin­gen is aangetoond, dat aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanwijzingen gevolg gegeven is en dat de uitzending geen storing teweegbrengt. [ 8 ]


Artikel 6.

De plaats, waar de inrichting wordt gevestigd, de frequentie (golflengte) en het vermogen, waarmede uitgezonden wordt, behoeven de goedkeuring van den Minister.


Artikel 7.

1. Het is verboden door den aanleg, het hebben of het gebruik van de inrichting te belemmeren den aanleg, de instandhouding of de exploitatie onderscheidenlijk het gebruik van voor het open­baar verkeer bestemde telegrafen en telefonen en daarmede door den Minister gelijk te stellen radio-electrische inrichtingen, van telegrafen en telefonen bedoeld in artikel 13 der Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stbl nr 7) of van inrichtingen, bedoeld in arti­kel 3 ter dier wet, indien de aanleg en het gebruik daarvan van Rijkswege geschiedt.

2. Voorzieningen ter opheffing of ter voorkoming van belemme­ ringen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geschieden op kosten van dengene, aan wien de machtiging is verleend.


Artikel 8.

1. De houder van de machtiging is verplicht:

a. de door den Directeur-Generaal aan te wijzen ambtenaren op vertoon van hunne bijzondere lastgeving in de gelegenheid te stellen na te gaan of aan de bij de machtiging gestelde bepa­lingen of ter uitvoering daarvan gegeven aanwijzingen is voldaan;
b. een schriftelijke verklaring af te leggen, dat de machtiging op de gestelde voorwaarden door hem wordt aanvaard en dat hij zich aan de gestelde of nader te stellen bepalingen zal houden.

2. De houder van de machtiging, die krachtens deze belast is met de verzorging en behandeling van de inrichting, is ver­plicht de door of namens den Minister met betrekking tot de inrichting verlangde voorzieningen te treffen, alsmede zich te onderwerpen aan de maatregelen, welke krachtens de bepa­lingen van artikel 10 noodig zijn voor de uitoefening van de in dat artikel omschreven controle.


Artikel 9.

1. De in artikel 2 bedoelde omroeporganisaties zijn verplicht er voor zorg te dragen, dat de inhoud van hetgeen wordt uit­ gezonden, niet in strijd is met de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden. [ 9 ] 2. Het uitzenden door middel van de inrichting van mede­deelingen, die in strijd zijn met de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden, alsmede het uitzenden buiten voorkennis of tegen de opdracht van de in artikel 2 bedoelde omroeporganisaties is verboden.


Artikel 10.

1. De controle op hetgeen door middel van de inrichtingen wordt uitgezonden, alsmede de richtlijnen volgens welke deze zal worden uitgeoefend door een door Ons te benoemen lichaam, worden door Ons bij afzonderlijken algemeenen maatregel van bestuur geregeld.

2. De in artikel 2 bedoelde omroeporganisaties zijn verplicht zich aan deze controle te onderwerpen en op te volgen hetgeen ter uitvoering daarvan overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aan haar is voorgeschreven of wordt opgedragen.


Artikel 11.

Aan de uitzending van mededeelingen, bedoeld in artikel 2, kan door den Minister de verplichting tot betaling van een door hem te bepalen vergoeding worden verbonden. Deze vergoeding, welke dient ter bestrijding van de kosten voor de bemoeiingen, die voor het Rijk uit de controle op de juiste naleving van de in de machtiging gestelde voorwaarden voortvloeien, zal worden berekend per zenduur of gedeelte daarvan en zal niet meer bed­ragen dan ten hoogste f 2 per zenduur, behoudens Onze mach­tiging aan den Minister tot overschrijding van dit bedrag.