Zingende stemmen/Tusschen de jaloezieën door

[ 36 ]
 

TUSSCHEN DE JALOEZIEËN DOOR

 

Tusschen de jaloezieën door,
Die wiegen in de wind,
Zie ik de fonklende zon
In de wuivende tuinen.

En maar één dak van de stad
Zie ik boven het groen,
Eén dak, met een raam —
Maar dat is nooit open.

Wat is achter dat raam,
Achter dat droomende oog?
Is dat een lief geheim —
Of maar een blinde leegte?

Zie daar het waaiende groen
Tusschen de jaloezieën door, —
Achter het groen is de stad —
Gaan de raadselige menschen.

Hoe vaak ging ik door hen,
Tastend naar een kloppend hart,
En zocht ik een lief geheim
Achter ieder paar oogen!

[ 37 ]


Ach, maar zij zijn dicht,
Als dat starende raam —
En ik geloof niet zoo meer
Aan zooveel lieve geheimen.

Wat is mijn eigen geheim,
Waar ik zoo lang naar zocht —
Geloof ik nog zelve aan
Dat oneindige wonder —?

Beter is 't de zon te zien
Tusschen de jaloezieën door,
En naar den waaiende wind —
En beter droomen dan weten.

Zie zie! de fonklende zon
Tusschen de jaloezieën door ——
Zij klapperen zacht in den wind —
Zacht, zacht tegen mijn hart!