Album der Natuur/1859/Honigdauw

Honigdauw (met naschrift van P. Harting) (1859) door Herman Christiaan van Hall
'Honigdauw, ' werd gepubliceerd in Album der Natuur (achtste jaargang (1859), pp. 129-140. Dit werk is in het publieke domein.
[ 129 ]
 
 

 

Met veel genoegen las ik, in het Album der Natuur 1858, bl. 257—266, een stuk van den Hoogl. harting over bovengenoemd verschijnsel, dat zoo menigmaal verkeerd begrepen is en tot zoo geheel onderscheidene opvattingen aanleiding gegeven heeft. Ik herinnerde mij, nu 30 jaren geleden, dit zelfde onderwerp behandeld en den honigdauw toen vooral aan eene uitzweeting of uitscheiding (excretie) van een suikerachtig vocht uit de oppervlakte der meer of min ziekelijk gewordene planten toegeschreven te hebben[1]. Later heb ik leeren inzien, dat eene andere oorzaak van honigdauw, vroeger niet genoeg door mij gewaardeerd, de honigachtige stof namelijk, die door bladluizen wordt afgescheiden, mede zeer algemeen is. In mijne Natuurlijke Geschiedenis van het Plantenrijk, Leeuwarden 1852 (bl. 168), had ik dit opgegeven met de woorden: "Er is ook eene, bij ons niet zeldzame soort van honigdauw, die het voortbrengsel van dieren is, van de bladluizen namelijk, die de sappen uit de plant opzuigen en aan haar achterlijf, als eene suikerachtige stof, wederom uitwerpen."

Ik meen ook nu nog die beide oorzaken van honigdauw te moeten aannemen en ben daarin door onderscheidene eigene opmerkingen en de waarnemingen, die ik bij andere schrijvers daaromtrent vond, meer en meer versterkt.

De Hoogl. harting meent slechts ééne dezer oorzaken en wel die, [ 130 ]dat de honigdauw uit bladluizen ontstaat, te mogen aannemen[2]. Dat bladluizen oorzaak kunnen zijn van honigdauw wordt door vele oudere en nieuwere schrijvers, zooals réaumur, curtis, kirby en spence[3], meijen[4] enz., als uit éénen mond en op grond van naauwkeurige waarnemingen verzekerd, en men wordt daarin nader bevestigd door de belangrijke mededeelingen van den Heer harting, die in vele opzigten een helder licht over deze zaak heeft verspreid. Zijne waarneming toch over de in digte zwermen vliegende bladluizen, die in hare vlugt de genoemde zoetachtige stof laten vallen, komt mij zeer belangrijk voor en allezins ophelderende de reden van het werkelijk nedervallen van honigdauw uit de lucht, zooals dit door vele schrijvers opgegeven en door anderen, zonder genoegzamen grond, betwijfeld is. Wiegmann[5], die anders het ontstaan van honigdauw alleen aan de uitzweeting uit de plant zelve toeschrijft, zegt hieromtrent het volgende: "Er zijn intusschen enkele, in deze streken (Noord-Duitschland) hoogst zeldzame, gevallen bekend, dat eene zoete, kleverige, aan honigdauw volkomen gelijke vloeistof, met fijnen regen vermengd, werkelijk uit den dampkring nedervalt .... Twee dergelijke gevallen kan ik met zekerheid aanvoeren, daar ik het een zelf waargenomen en het andere vernomen heb van eenen bedaarden, verstandigen opmerker, den overleden medicinaalraad ziz te Mentz. De laatste schreef mij in 1823: "In het begin van Junij bevond ik mij met twee vrouwen in eenen niet grooten tuin. Ik was aan het tegenovergestelde einde van den tuin en had niets opgemerkt; toen ik echter bij de vrouwen kwam, verhaalden deze mij, dat zij zoo even honigdauw hadden zien vallen, als hoogst fijne droppeltjes, in den zonneschijn flikkerend en in de openingen tusschen de boomtakken nedervallend. Alles wat zij, bij hun loodregt nedervallen raakten — en ook dit alleen—was kleverig geworden en zoet van smaak.

[ 131 ]Zoo vond ik daar eenen hamer liggen, welks houten steel zeer kleverig was, en op welks ijzeren gedeelte de droppelen duidelijk zigtbaar waren. Bladluizen waren niet aanwezig."

Wiegmann zelf vond in 1822, evenzoo in het begin van Junij, op eenen namiddag, eene ongeveer een halve morgen[6] groote afdeeling van zijnen tuin geheel met honigdauw bedekt. Niet alleen alle planten, zelfs de bitterste, alsem en gezegende distel niet uitgezonderd, maar ook alle nommerhouten, tuinbanken en de steel eener spade, die in den grond was blijven staan, alles scheen gelijkmatig met eene kleverige, zoetsmakende vloeistof overtogen te zijn, en buiten eene zekere grens was geen spoor daarvan meer te bespeuren. Den ganschen dag had men geenen regen bemerkt, en de grond van den tuin was volkomen droog.

In de oekonomische Neuigheiten van 1819 verzekert a.s.v. in Hongarije, dat honigdauw op zoele, drukkende morgens uit den hemel nedervalt, eene prikkeling te weeg brengt in het gelaat en op de handen en reeds voor zonsopgang eene zekere onrust veroorzaakt bij de insekten, die buitengewoon brommend rondvliegen.

Deze en soortgelijke waarnemingen laten zich, naar mijn inzien, slechts op tweederlei wijze verklaren, of dat honigdauw van hooger staande boomen enz. afvalt, of dat vliegende bladluizen, gelijk in de waarneming van den Heer harting, die stof ontlasten. Ook hier in Groningen had ik, op den 15den Julij van dit jaar (1858), een overgroot aantal vliegende bladluizen gezien, zoodat men ze in bijna iedere straat dezer stad elk oogenblik op de kleederen enz. zag nedervallen. Ik had de talrijkheid dezer diertjes in verband gebragt met de vrij algemeene mislukking van zomer-koolzaad, gele mostaard, koolrapen en onderscheidene soorten van kool, die op de meeste plaatsen in de provincie Groningen door de bladluis bijna geheel vernield waren. Dat deze bladluizen in de vlugt eene honigachtige stof lieten nedervallen, heb ik niet opgemerkt, maar had er ook niet op gelet daar ik de gevleugelde bladluizen slechts ieder oogenblik op mijne lakensche kleederen zag nedervallen.

[ 132 ]Het schijnt, dat de bladluizen niet de eenige insekten zijn, welke honigdauw vormen. Althans, volgens een berigt van nordlinger[7], wordt de honigdauw op de sparreboomen—en het is bekend, dat de bijen veel honigdauw van de sparreboomen tot honig opzamelen — afgescheiden door Coccus racemosus; bij welke gelegenheid nordlinger ook meer andere insekten als oorzaak van honigdauw opnoemt.

De Heer harting t.a. pl. meent, dat geen honigdauw als eene uitzweeting van de oppervlakte der planten moet beschouwd worden, maar dat zij alleen aan bladluizen moet worden toegeschreven. Gaarne alle regt, zoo als ik zeide, latende wedervaren aan de laatstgenoemde oorzaak van het genoemd verschijnsel, geloof ik echter, dat dit niet noodzakelijk de eerstgenoemde oorzaak uitsluit, zijn ontstaan namelijk uit eene uitzweeting van de plant zelve. Hiervoor kunnen vele redenen worden bijgebragt, sommige van welke mij toeschijnen voldingend te bewijzen, dat de honigdauw ook, en wel zeer dikwijls, uit de plant zelve ontstaat.

Behalve hetgeen ook bij den Heer harting niet onopgemerkt is gebleven, dat namelijk zeer dikwijls zoetachtige stoffen aan de oppervlakte der plant worden afgescheiden, en andere zaken, die voor de waarschijnlijkheid, althans in vele gevallen, van den plantaardigen oorsprong des honigdauws pleiten, voer ik daaromtrent nog het volgende aan:

1) Einhof zeide reeds, in een opstel over meeldauw en honigdauw, voorkomende in het derde deel van het Archiv der Agriculturchemie van hermstädt, Berlin 1807, p. 420: "Iemand, die op heete zomerdagen door roggevelden gaat, kan om zoo te spreken, den honigdauw onder zijne oogen zien ontstaan, zonder dat ergens een bladluis te bespeuren is."

2) Dikwijls ziet men van twee naast elkander staande gewassen het een door honigdauw bedekt, het ander daarvan bevrijd, zonder dat op het eerste een grooter aantal bladluizen dan op het tweede gevonden wordt.

3) Men vindt, zegt meijen (Pflanzen-Pathologie, p. 228), boomen [ 133 ]in de opene lucht en in kamers, welke, dikwijls plotseling, over en over met honigdauw bedekt worden en men kan zich door bijomstandigheden daarvan overtuigen, dat deze stof noch uit de lucht gevallen, noch door bladluizen afgescheiden had kunnen zijn, omdat deze laatste niet aanwezig waren.

4) Er zijn jaren, dat de bladen van sommige boomen eene zoo overgroote menigte van een honigachtig sap uitzweeten, dat het droppelsgewijs van de boomen afvloeit. Dat eene honigachtige stof in zeer heete zomers van de bladen van den gewonen esch in de heetste deelen van Italië uitzweet, wordt door onderscheidene schrijvers opgegeven.

Targioni-tozzetti[8] verzekert, dat de manna in Toskanen en Kalabrië ook wel uit de bladen van esschen en haagbeuken uitzweet. Ik zelf herinner mij vóór vele, vele jaren, op het dorpje Heikop bij Vianen, bij eene gansche rij der in Zuid-holland zoogenoemde schietwilgen (Salix alba L.), van de bladen een vocht droppelsgewijs te hebben zien afvallen, tijdens eene buitengemeen warme wedersgesteldheid. Ik was destijds echter nog zeer jong en heb toen verzuimd na te gaan, of die afdruppelende vloeistof suikerachtig van smaak was.

De opmerking der Ouden, dat vele boomen in warme landen somtijds eene honigachtige vochtigheid, die zij elaeomeli (olie-honig) noemden, en op olijfboomen, enz. bemerkten[9], en de vorming van manna, eene suikerachtige uitzweeting op blad en schors of bij verwonding van de schors van Fraxinus- (Esch-) soorten in het Zuiden van Europa, staat met dit een en ander waarschijnlijk in naauw verband.

5) Belangrijk is de arbeid van l.c. treviranus[10] over de zoete uitzweetingen der planten. Hij ontkent niet den door reaumur en anderen opgegeven oorsprong van honigdauw uit bladluizen, ja bevestigt dien door eigene waarnemingen, maar toont aan, dat de honigdauw ook, en dit zeer gewoonlijk, uit de plant zelve ontstaat. Een citroenboom bij hem in het najaar uit de opene lucht in een te warm en te droog [ 134 ]vertrek overgeplaatst, zweette aan de bovenste oppervlakte van alle zijne bladen droppels van een helder zoet vocht uit, zonder dat er een spoor van insekten, bepaaldelijk van bladluizen, op eenig deel der plant te zien was (p. 86—87).

Hij zag uitzweeting van een zoet vocht bij witblad-populieren, zoo zelfs, dat droppels vocht daar afvielen, op linden, wilgen, en op eene distelsoort, steeds aan de bovenoppervlakte der bladen en zonder dat er van insekten op deze gewassen iets te bespeuren was.

6) In een werk van j. rennie, Wunder der Insektenwelt, Leipzig 1835, wordt eene waarneming van john murray vermeld[11], welke ons de zaak, dat de honigdauw ook door uitzweeting uit de plant kan worden voortgebragt, voldingend schijnt te bewijzen. "In den verloopenen zomer," schrijft hij, "onderzochten wij dit verschijnsel met alle naauwkeurigheid. De wedersgesteldheid was eenige weken te voren zeer zoel en droog geweest en de honigdauw was zoo algemeen, dat de bladeren der aalbessen, der frambozen enz. in de tuinen, in den letterlijken zin des woords, klaren en vloeibaren honig aan hunne toppen afscheidden, welke in droppels nederviel. Deze honigdauw was door de planten zelve gevormd; want wij merkten denzelven ook aan zoodanige planten op, bij welke geen spoor van bladluis zigtbaar was, en daar zelfs, waar deze diertjes voorhanden waren, was de honigdauw in zulk eene overvloeijende menigte aanwezig, dat al waren de bladluizen hier honderdmaal talrijker geweest dan thans inderdaad het geval was, zij nogtans niet de bron van zulk eenen overvloed hadden kunnen zijn. Om echter de zaak met zekerheid te doorgronden, bezag ik de oppervlakte der bladen met eene loup, nadat ik allen aanwezigen honigdauw met eene spons vooraf afgewischt en weder afgedroogd had, en bemerkte nu, hoe de onmiddellijk afgescheidene honigbolletjes, onder mijne oogen, uit het blad zelf, te voorschijn kwamen."

7) Hartig[12] onderzocht den honigdauw op eenen rozenstruik, die niet buiten de kamer gekomen was, en vond, dat de zoete vloeistof [ 135 ]zich in kleine droppels uit de bovenste opperhuid der bladen afzonderde, en dat, te gelijk met de uitzweeting van dien honig, de bladen zelve aanmerkelijk veranderd waren: de groene kleur namelijk was verdwenen en door eene graauwe vervangen, terwijl de cellen, die in gezonden toestand naar buiten gewelfd (bolrond) zijn, zich nu als kleine uithollingen vertoonden. De groene cellensap-kogeltjes waren verdwenen op die plaatsen, waar de honig uitgevloeid was, en er bevond zich hier in elke cel slechts ééne zeer groote, meestal de helft der cel opvullende, waterheldere blaas, die uit afgescheiden honig scheen te bestaan.

8) Deze laatste waarneming staat in verband met het oude volksgevoelen: dat de gevallen honigdauw oorzaak is van ziekte bij de plant. Ik meen dit echter liever zóó te moeten uitdrukken, dat het gewas door sterke veranderingen van de weersgesteldheid of andere oorzaak ziekelijk wordt, en dat, even als bij ziekten van het menschelijk ligchaam, menigmaal geheel onnatuurlijke, kleverige, stinkende afscheidingen uit de huid plaats hebben, de honigdauw, daar, waar hij uit de plant ontstaat, (en niet van buiten door bladluizen of andere insekten is aangebragt), het eerste verschijnsel is van eenen ziekelijken toestand, die naderhand tot de vorming van meeldauw, roest en andere zoogenaamde uitslagziekten der plant overgaat, en dat men zich de opmerking van vele landbouwers, dat meeldauw, roest en diergelijke ziekten uit gevallen honigdauw ontstaan, op die wijze moet verklaren[13]. Hiermede stemt overeen de waarneming van denzelfden naauwkeurigen opmerker, hartig[14], over de gevolgen van den honigdauw, dien hij op een rozenstruik, in eene kamer staande, had opgemerkt en aldus beschrijft: "Wanneer men deze uitgescheidene droppels honigdauw onder het mikroskoop brengt, ziet men spoedig de suiker in ruit- en teerling-vormige krystallen aanschieten, waartoe echter eene zekere sterkte van licht behoort. Reeds na 4—6 uren kreeg de oppervlakte van het dropje enkele uitdiepingen, die meer en meer toenamen, tot er zich ten laatste eene soort van celachtig weefsel uit vormde. Na [ 136 ]eenige dagen vormde zich over het ontstane cellige vlies een tweede donkerder vlies en in het inwendige van het dropje ontstond daarentegen een enkele draad, die eindelijk het vlies doorbrak en als een werkelijk gelede zwamdraad naar buiten te voorschijn trad."

Wij gelooven met dit een en ander de zaak genoeg toegelicht te hebben, om als slotsom te mogen aannemen, dat de honigdauw uit bladluizen ontstaat, zooals dit door den Heer harting t.a. pl. op zulk eene fraaije wijze nader bevestigd is; maar dat hij ook door eene uitzweeting der plant zelve veroorzaakt wordt en dikwijls als het begin van eenen ziekelijken toestand moet beschouwd worden, die zich later door velerlei zoogenaamde uitslagziekten[15] der plant, zigtbaar in onderscheidene zwammetjes (roest, meeldauw of het wit, het rood enz. enz) op de bladen en stengen openbaart.

 

 

NASCHRIFT OP HET VORIGE;

DOOR

P. HARTING.

 

 

De lezers van ons Album zullen het voorzeker den heer van hall dank weten, dat hij hun ook de keerzijde van den penning getoond heeft. De feiten, die hetzij voor den dierlijken, hetzij voor den plantaardigen oorsprong van den honigdauw pleiten, zijn thans uiteen gezet, het proces is behoorlijk geïnstrueerd en, daar het eene zaak betreft, waarover het oordeel toekomt aan elk, die een paar goede oogen en genoeg gezond verstand bezit om uit het waargenomene een juist besluit af te leiden, zoo noodigen wij alle onze lezers, die in het volgende jaargetijde in de gelegenheid mogten zijn het ontstaan en de vorming van den honigdauw gade te slaan, uit, ons hunne be[ 137 ]vindingen, voor zoo ver deze mogten bijdragen tot opheldering van het verschijnsel, wel te willen mededeelen.

De heer van hall zal mij ten goede houden, dat ik de aangevoerde gronden niet overtuigend genoeg vind, om mij met zijn eindbesluit, dat de honigdauw ook somwijlen eene uitzweeting der planten zelve is, voor als nog geheel te kunnen vereenigen. Men versta mij hier echter niet verkeerd, alsof ik beweren zoude, dat er nimmer aan de oppervlakte van bladeren en van andere plantendeelen zoete stoffen kunnen worden afgescheiden,—iets dat trouwens ook reeds vroeger, gelijk de geachte schrijver vermeld heeft, door mij is erkend,—maar de vraag is eigenlijk alleen deze: kan het ontstaan van het verschijnsel, dat algemeen onder den naam van honigdauw bekend is, en hetwelk bestaat in het binnen een betrekkelijk kort tijdsbestek overdekken der bladeren van velerlei gewassen met droppels van een honigzoet vocht, dat soms in zoo groote hoeveelheid voorhanden is, dat het de bladeren als een vernis bekleedt of zelfs daarvan afdruipt, somtijds als het voortbrengsel eener afscheiding dezer bladeren zelve beschouwd worden, of, met andere woorden: komen er gevallen voor, waarin het met stellige zekerheid moet worden aangenomen, dat dit vocht van binnen uit de plant naar buiten gedrongen is, omdat er geen mogelijkheid bestond, dat het er van buiten op gevallen kon zijn?

In geen der door mijnen geachten ambtgenoot aangevoerde, door anderen verrigte waarnemingen vind ik eenen voldoenden waarborg om die vraag met afdoende zekerheid te beantwoorden. Ik zoude echter meenen misbruik te maken van de beperkte ruimte, die het Album aanbiedt, indien ik hier alle de gronden, waarom ik meen het oordeel voor als nog te moeten opschorten, uiteen zette. Ik vergenoeg mij dus met hier een paar feiten aan te stippen, die reeds op zich zelve niet van belangrijkheid ontbloot zijn en mede iets kunnen bijdragen tot verklaring van het verschijnsel.

Het eerste betreft den aard van den suiker, die in den honigdauw bevat is. Uit de door den heer van hall medegedeelde waarneming van hartig, die kleine kristallen in de droppeltjes zag ontstaan, zoude men het besluit kunnnen afleiden, dat de suiker des honigdauws [ 138 ]kristalleerbare rietsuiker is, en daar deze tot hiertoe nimmer in dieren, maar alleen in planten gevonden is, zoo schijnt deze waarneming te pleiten voor den plantaardigen oorsprong dezer stof. Doch dat zulk eene gevolgtrekking onjuist zoude zijn, wordt bewezen door het volgende. Ik had eenige glazen platen, die met uit de lucht gevallen, van bladluizen afkomstigen honigdauw bedekt waren, aan Dr. gunning op zijn verlangen tot een scheikundig onderzoek afgestaan. De merkwaardigste uitkomst nu van dit onderzoek is: dat de suiker daarin werkelijk in den vorm van rietsuiker bevat was.

In de tweede plaats vestig ik hier de aandacht vooral ook op het feit, dat de Aphiden somtijds in groote menigte van het eene oord naar het andere verhuizen, en daar het slechts de van vleugels voorziene individu's zijn, welke aan die togten deel nemen, zoo kan het ligt gebeuren, dat de droppeltjes honigdauw, die, gelijk wij zagen, niet anders dan hunne uitwerpselen zijn, nedervallen op plaatsen, die zeer ver verwijderd zijn van de boomen, waarop deze diertjes oorspronkelijk geleefd hebben. Bevinden zij zich dan daarbij eenigzins hoog in de lucht, dan zal men van de bron der nedervallende droppeltjes niet het minste ontwaren, en, daar deze droppeltjes uiterst klein zijn, zoo is het voorwaar ook geene gemakkelijke zaak om met zekerheid te zeggen, of zulk een vochtig stipje, dat men plotselijk op een blad ziet verschijnen, er uit naar buiten getreden of wel er op gevallen is.[16] Alleen dan, wanneer die droppeltjes, gelijk in het door mij waargenomen geval, in zoo groot aantal vallen, dat in korten tijd alle voorwerpen in den omtrek daarmede bedekt worden, houdt alle twijfel op.

Voorbeelden van zulk eene verhuizing van Aphiden vindt men medegedeeld in het bekende werk van kirby and spence (An Intro- [ 139 ]duction to Entomology 7the Ed. p. 294). Ik ontleen daaraan de volgende:

"De heer white verhaalt, dat omstreeks drie ure des namiddags van den 1sten Augustus 1785, de inwoners van het dorp Selborne verrast werden door een zwerm Aphiden of bladluizen, die aldaar nedervielen. Zij die toen zich op straat bevonden werden geheel overdekt met deze insekten, welke ook op de heggen en in de tuinen nedervielen, zoodat de planten daardoor gedurende verscheidene dagen zich als met een donker kleed overtogen vertoonden. Deze heirlegers van bladluizen, merkt hij op, waren toen zonder twijfel in eenen staat van verhuizing, zij hadden hunne vroegere verblijven vaarwel gezegd en kwamen vermoedelijk van de uitgestrekte hop-velden van Kent of Sussex, daar de wind dien geheelen dag oost was. Zij werden ten zelfden tijde in groote wolken waargenomen in den omtrek van Farnham en langs de geheele vallei van daar tot aan Alton.—Eens was ik zelf getuige van zulk eene voor mij zeer lastige verhuizing van bladluizen, toen ik op een lateren tijd des jaars op het eiland Ely reisde. De lucht was zoo vol van deze diertjes, dat zij mij onophoudelijk in de oogen, in de neusgaten, enz. vlogen en mijne kleederen er geheel mede bedekt waren. En in 1814, in den herfst, waren de Aphiden gedurende eenige dagen in zoo groote menigte nabij Ipswich, dat zij de verwondering ook zelfs van de minst opmerkzamen wekten, evenzoo ook den 26 en 27 September 1836 te Hull, alwaar, zooals de nieuwspapieren mededeelden, zulke zwermen de lucht vervulden, dat het onmogelijk was te wandelen zonder dat zij bij iederen stap in de oogen en den mond vlogen, en op denzelfden dag waren zij even talrijk te York en te Derby."

Het is een regel in de natuurwetenschap, dat de grootte der gezochte oorzaak moet beantwoorden aan de grootte van het gevolg, dat is van het verschijnsel, welks verklaring men zoekt. Klein op zich zelf is wel is waar elk bladluisje, doch waar zoo vele millioenen vereenigd zijn, dat hunne voorbijtrekkende zwermen bij wolken vergeleken worden, en zij nedervallende geheele landstreken overdekken, daar kunnen zij voldoende rekenschap geven van het plotselijk verschijnen des honigdauws op in de open lucht groeijende planten, zelfs wanneer deze groote uitgestrektheden gronds bedekken en er geen bladluis in [ 140 ]de buurt te vinden is, hetzij dan omdat zij na eene kortstondige rust hunnen togt weder hebben voortgezet, of dat zij alleen over de streek heengevlogen zijn, maar onder weg het zoete sap ontlast hebben.

Slechts op ééne wijs kan, mijns inziens, het voldingend bewijs geleverd worden, dat de honigdauw ook door uitzweeting uit de plant zelve ontstaan kan. Het is door de waarneming daarvan op planten, die niet in de opene lucht, maar in kamers, oranjerieën of broeikasten gekweekt worden. Echter spreekt het van zelf, dat men zich ook dan wel vooraf moet overtuigd hebben, dat er geene bladluizen zich met de planten in dezelfde ruimte bevinden, eene voor waarde, die, met eenige zorg en oplettendheid, in dit geval kan vervuld worden, doch hetgeen voor planten in de opene lucht groeijende eene onmogelijkheid is. Tot hiertoe echter is mij geene enkele waarneming bekend, waarbij deze noodige voorzorg behoorlijk is in acht genomen, want het is daartoe niet voldoende onderzocht te hebben, of zich op de plant zelve, waarop men den honigdauw ziet ontstaan, bladluizen bevinden, maar men moet zich ook verzekerd hebben, dat deze diertjes zich op geene andere planten in hetzelfde vertrek ophouden, of daar van buiten kunnen ingedrongen zijn.

Overigens stem ik den heer van hall geheel toe, dat de honigdauw de oorzaak kan zijn van vele ziekten der planten, bepaaldelijk van de door hem opgenoemde, die zich alle kenmerken door het ontstaan van verschillende soorten van schimmels. Trouwens dit ontstaan van schimmels pleit noch voor de eene, noch voor de andere bron des honigdauws. Bevindt zich eenmaal, op welke wijze dan ook, het suikerhoudende vocht aan de oppervlakte der bladeren, der bloemen of vruchten, dan biedt het eenen vruchtbaren bodem aan voor de ontwikkeling van allerlei soort van schimmelplantjes, welker kiemkorreltjes daarop uit de lucht nedervallen, en welke draden vormen, die weldra ook in de weefsels doordringen en deze allengs vernielen.

 

 

  1. Gedachten over den Honigdauw, in Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenschappen III, bl 303—319 (Amsterdam 1828).
  2. Als ik het wel heb, komt in het stuk van den Heer harting bl. 258, regel 10 van onderen, eene kleine drukfout voor, die tot eenige misvatting aanleiding zoude kunnen geven. Men leest daar: van de mieren. Dit zal, dunkt mij, moeten zijn: aan de mieren. (Deze opmerking is volkomen juist. Hg.)
  3. Inleiding tot de Entomologie I, bl. 200—201.
  4. Pflanzen-Pathologie. Berlin 1841, p. 225.
  5. Die Krankheiten der Gewüchse, Braunschweig 1839, p. 102 - 103.
  6. Een Duitsche morgen kan aan een ¼ bunder omtrent gelijk gesteld worden.
  7. Agronomisehe Zeltung 1855, p 235—237.
  8. Aangehaald bij treviranus, Vermischte Schriften, IV, p. 89.
  9. L.c. treviranus in Vermischte Schriften anatomischen und Fhysiologischen Inhalts, van hem en van g.r. treviranus, IV, (1821) p. 81—82.
  10. Vermischte Schriften, IV, p. 81—94.
  11. Overgenomen in den Recensent. 1836, Mengelwerk, bl. 464—465.
  12. Forstliches Conversations-Lexicon, Berlin 1834, p. 409, aangehaald bij meijen, Pflanzen-Pathologie, p. 223—224.
  13. Verg. mijne aangehaalde Gedachten over den honigdauw, onder anderen op bl. 312—315.
  14. Aangehaald bij wiegmann, die Krankheiten der Gewächse, p. 100—101.
  15. Verg. unger, die Exantheme der Pflanzen. Wien 1833.
  16. Aan de uitkomsten der mikroskopische waarnemingen van Hartig, die door den heer van Hall zijn medegedeeld, kan ik geen groot gezag toekennen. Deze meer ijverige dan naauwkeurige waarnemer heeft daartoe reeds te dikwerf gezegd dingen gezien te hebben, die den toets van een later grondig onderzoek niet hebben kunnen doorstaan. Ook weet elk, die met miskroskopische waarnemingen vertrouwd is, dat het met zekerheid aanwijzen van het reeds vooraf bestaan van honigdauw-droppeltjes in de opperhuidcellen eener plant, bij de middelen ter herkenning van suiker, die de tegenwoordige wetenschap aanbiedt, eene bijna wanhopige poging zoude zijn.