Edda/Völuspá

(Doorverwezen vanaf Völuspá)
Inhoudsopgave

Godenliederen

  1. De Zending van Skirnir
  2. Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf
  3. Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg
  4. Dwerg Weetal wil vrijen
  5. De Roof van de Regendrank
  6. Godentwist|
  7. Vermomde en Roodspeer
  8. Hymirs Ketel
  9. Het Feest bij Aegir
  10. Wodan bij de Waarzegster
  11. Het Voorspellied
  12. Billings Dochter
  13. Wodan bij Stormsterk
  14. De Wereldzang van de Wichelares
  15. Een Lied voor Herleving
  16. Wodans Runenlied
  17. Hoe de Standen ontstonden
  18. Völuspá

Heldensagen

  1. De Welandsage
  2. Helgi, Zwaardwachts zoon
  3. Helgi, die Honding doodde
  4. De Siegfriedsage
  5. Goedroen
  6. Ortroens klacht
  7. De Zang bij de molen
  8. Verklaring van Werk en Inhoud

1 stilte verzoek ik

de heilige geslachten[1]

de grote en de kleine

kinderen van Heimdall

ik wil nu, Odin

wijsheid verkondigen

de oude sagen

die als eerste ik ken


2

De negen werelden, 1928

mij heugen de reuzen

in oertijd geboren

die lang geleden

het leven mij schonken

negen werelden

negen ruimten

de oude maatboom

onder de grond


3

in oertijd was het

dat Ymir leefde

noch zand noch zee

noch zilte golven

er was geen aarde

noch wijde hemel

slechts gapende afgrond

en gras[2] nergens


4

eer Burs zonen

de aarde hieven

de wijdvermaarde

Midgaard schiepen

de zon bescheen

de stenen in het zuiden

de grond werd begroeid

met groene look


5

de zon uit het zuiden

gezel der maan

wierp de rechterhand

om de rand van de hemel

de zon wist niet

waar haar zalen waren

noch wisten de sterren

hun stand aan de hemel

noch wist de maan

welke macht zij bezat


6

de radende goden

ten rechtstoel gingen

de heilige goden

hielden toen raad

aan nacht en maanstand

gaven zij namen

bepaalden de morgen

de middag ook

avond en nacht

om de jaren te tellen


7

Idavoll is het centrale plein van Asgaard (met Yggdrasil; ook Midgaard, Jotunheim en Niflheim zijn aangegeven)

de Asen bewoonde Idavoll

tempel en altaar

timmerden zij

zij bouwden een smidse

en smeedden het goud

zij maakten tangen

en timmergerei


8

zij speelden verheugd

het heilige kansspel

de goden bezaten

in overvloed goud

tot drie geweldige

dochters van reuzen

vrouwen uit Jotunheim

de vrede verstoorden


9

de radende goden

ten rechtstoel gingen

de heilige goden

hielden toen raad

wie zou scheppen

de schaar der dwergen

uit Brimirs bloed

en Blains dijen


10

Ask en Embla krijgen hun gaven van Odin, Hoenir en Lodur, Robert Engels, 1919

drie goden maakten

minzaam en krachtig

van het Asengeslacht

zich op naar het huis

vonden aan de oever

onmachtig en zwak

Ask en Embla

het leven ontberend


11

zij hadden geen adem

en evenmin inzicht

stem noch warmte

noch wezenstrekken

adem gaf Odin

en inzicht Hoenir

Lodur gaf warmte

en wezenstrekken


12

een es weet ik staan

Yggdrasil heet hij

hoog en met helder

heilvocht begoten

vandaar komt de dauw

in de dalen vallen

aan de bron van Urd

staat hij eeuwig groen


13

De drie Nornen Urd, Verdandi en Skuld bij de bron van Urd aan de voet van Yggdrasil (met de adelaar Viðofnir en de eekhoorn Ratatoskr), Ludwig Pietsch, 1865
Gullveig wordt op speren boven een vuur gehangen door de Asen, Lorenz Frølich, 1895

drie meisjes komen

veel kennis bezittend

uit de woning

onder die boom

Urd heet de ene

de andere Verdandi

zij sneden de runen-

Skuld heet de derde

zij voorspelt de toekomst

bestemmen het leven

voor de stervelingen

hun lot in de strijd


14

voor het eerst ontbrandde

op aarde een strijd

toen goden met speren

Gullveig staken

en haar verbrandden

in de hal van Har

driemaal verbrandde

de driemaal herborene


15

Heiðr[3] werd zij geheten

waar zij een huis betrad

voorspelde Völva

toverkunst wetend

verdoolde de mensen

verdwaasde hun geest

was het best gezien

bij boze vrouwen

16

de radende goden

ter rechtstoel gingen

de heilige goden

hielden toen raad of de Asen zouden hun zonde boeten of alle goden offers ontvangen 17

toen slingerde Odin

zijn speer naar de vijand

voor het eerst ontbrandde

op aarde de strijd

toen brak de wal

de burcht der Asen

de Wanen betraden

verwoestend het veld

18

de radende goden

ter rechtstoel gingen

de heilige goden

hielden toen raad

wie gans de lucht

met gif had vermengd

aan de reuzen gegeven

de gade van Od

19

Thor streed alleen

in toorn ontbrandend

-hij blijft zelden zitten

als hij zoiets verneemt-

toen zwichtten eden

gezworen woorden

alle beloften

elkander gegeven


20


Heimdallr met de Gjallarhoorn en een caduceus, manuscript uit IJsland, 18e eeuw

zij weet verholen

Heimdallrs hoorn

onder de heilige

hemelboom

en gouden mede

zit zij gegoten

uit Alvaders[4] pand-

wat weet gij nog meer?

21

alleen zat zij buiten

toen de oude kwam

de schrik der Asen

in het oog haar keek

wat vraagt gij mij?

en vorst mij uit?

Odin, ik weet wel

waar uw oog gij verborg

22

in de vermaarde bron

van Mimir

drinkt hij mede

elke morgen

uit Alvaders pand-

wat weet gij nog meer?

23


Odin met ringen bij de Völva, Lorenz Frølich, 1895

haar reikte Heervader[4]

ringen en spangen

voor toverkrachtige

toekomstwoorden

zij zag wijd en zijd

de wereld rond

24

zij zag Walkuren

van verre gekomen

gereed tot de rit

naar de radende goden

Skuld met haar schild

Skogul als tweede

hun, Gild, Gondul

en Geirskogul

25


Loki zorgt ervoor dat Hodur zijn blinde broer Baldr doodt met de maretak, manuscript uit IJsland, 18e eeuw

aan Baldr zag ik

de bloedige god

de zoon van Odin

onheil beschikt

er stond op het veld

een stengel gegroeid

tenger en sierlijk

een maretak

26

toen werd die twijg

die tenger scheen

een smartelijk wapen

door Hodur geschoten

de broer van Baldr

was weldra geboren

en Alvaders zoon

voltrok de wraak


27

hij wies zijn handen

noch kamde zijn haar

eer hij deed sterven

de doder van Baldr

maar Frigg beweende

in de fenzalen[5]

Walhalla's wee-

wat weet gij nog meer?

28


Sigyn probeert het gif van de slang op te vangen voor Loki, Mårten Eskil Winge, 1890

geboeid zag ik liggen

in het bronnenwoud

de sluwe Loki

die list beraamde

daar zit ook Sigyn

met smart beladen

om het wee van Loki-

wat weet gij nog meer?

29


door Wadderzalen

zwelt uit het oosten

met messen en wapens

het water van Slid[6]

30

in het noorden stond

op de Nidavelden[7]

een gouden zaal

van Sindris zonen

een andere stond

op Okolnir[8]

de bierzaal van de reus

die Brimir heet

31


Náströnd, Lorenz Frølich, 1895

een zaal zag ik staan

voor de zon verborgen

op het dodenstrand

de deuren noordwaarts

gifdruppels vallen

door het gat van het dak

en slangen omwinden

de wanden der zaal

32


Nidhoggr knaagt aan de wortels van Yggdrasil, manuscript uit IJsland, 17e eeuw

daar zag ik waden

door wielend water

meineedzweerders

en moordenaars

daar likte Nidhoggr

het lichaam van de doden

de wolf reet lijken-

wat weet gij nog meer?

33


Fenrir opent zijn mond, Alexander Murray, 1874

in het oosten zat

de oude in het ertswoud

en baarde daar

Fenrirs gebroed

een zal worden

van hen allen

de zonverslinder[9]

een slechte Trol

34

hij vreet het vlees

maakt rood van bloed

de banken van de goden

zwart wordt de zon

de zomer daarna

stormen woeden-

wat weet gij nog meer?

35


daar zat op de heuvel

de harp bespelend

de wakkere Eggthér

de wachter van reuzen

en naast hem kraaide

in het kreupelbos

een felrode haan

die Fjalar heet

36

en guldenkam

bij de goden kraaide

die wekt de helden

in Heervaders hal

een andere kraait

onder de aarde

een bloedrode haan

in de hal van Hel

37


Garmr[10] huilt grimmig

voor Gnipahellir

de strik zal scheuren

en springen de wolf[11]

veel wijsheid weet ik

-veel kan ik schouwen-

het sterke noodlot

der strijdbare Asen

38

broeders bestrijden

verslaan elkander

bloedverwanten

bloedschande plegen

overspel heerst

op heel de aarde

speertijd, zwaardtijd,

schilden splijten!

windtijd, wolftijd!

eer de wereld vergaat

geen enkel mens

zal de andere sparen

39

de reuzen zijn vaardig

de maatboom ontvlamt

luid blaast Heimdall

tot hoog in de hemel

Odin haalt raad

bij het hoofd van Mimir

40


Ygdrasils stam

siddert en schokt

de oude boom kreunt

het ondier komt los

vrees bevangt allen

in de wereld van Hel

als Surts verwant

zijn strikken verscheurt

41

wat is er bij de Asen?

wat is er bij de alven?

reuzenheim dreunt

raad plegen de Asen

de dwergen steunen

voor de deuren van steen

en de wand van de rotsen-

wat weet gij nog meer?

42

Garm huilt grimmig

voor de deuren van Gnipahellir

de strik zal scheuren

en de wolf springen

veel wijsheid weet ik

-ver kan ik schouwen-

het sterke noodlot

der strijdbare Asen

43


Hrym rijdt uit het oosten

en heft zijn schild

de wereldslang kronkelt

in wilde woede

en geselt de golven

de arend schreeuwt

de lijken verscheurt hij

los komt Naglfar

44

een kiel uit het oosten

komt met de mannen

van Muspel beladen

en Loki aant roer

tezaam met de reuzen

rent nu de wolf

en hen begeleidt

de broer van Byleist

45

uit het zuiden komt Surt

met vlammend zwaard[12]

en gensters fonkelen

van dit godenwapen

rotsen barsten

reuzen vallen

de helweg gaan mannen

de hemel splijt

46


en Frigg moest lijden

haar tweede leed

toen tegen de wolf

Alvader vocht

en Freyr de strijd

met Surt begon

dan zal vallen

Friggs geliefde

47

sterk komt de zoon

van de Zegevader

Vidar, ten strijde

met de lijkenwolf

hij stoot met zijn hand

zijn zwaard in het hart

van de wrede wolf

zo wreekt hij Odin

48

heerlijk komt dan

de zoon van Hlodyn

de Landomgorder[13]

gaapt tot de lucht

moedig doodt hem

Midgaards

schermheer

alle mensen

verlaten de aarde

49

de zoon van Fjorgyn

gaat zonder schande

negen schreden

van de dode slang

50



de zon wordt zwart

de zee zinkt ter aarde

uit de hemel vallen

de heldere sterren

damp en vuur

dringen dooreen

hoor tot de hemel

stijgt een hete vlam

51

Garmr huilt grimmig

voor Gnipahellir

de strik zal scheuren

en springen de wolf

veel wijsheid weet ik

-ver kan ik schouwen-

het sterke noodlot

der strijdbare Asen

52

op zie mij komen

ten anderen male

etgroene aarde

uit de zee

bekken schuimen

weer schiet de arend

omlaag van de rotsen

belust op vis

53

de Asen komen

op Idavoll

spreken hun oordeel

over hun band van de aarde[13]

bezinnen zich

en zoeken weer

de oude runen van Fimbultyr[14]

die Odin vond

54

daar worden weer

de wonderbare

gouden tafels

in het gras gevonden

hun eigendom

in oude tijd

55


akkers wassen

schoon ongezaaid

het boze wordt beter

Baldr zal komen

Hod en Baldr

blijven verzoend

wonen in Walhalla[15]-

wat weet gij nog meer?

56

de lottwijg kiezen[16]

kan weer Hoenir

daar wonen van beide

broeders de zonen

in het wijde Windheim-

wat weet gij nog meer?

57

in zonlicht glanzend

zie ik een zaal

met gouden daken

op Gimle[17] staan

wakkere helden

zullen daar wonen

een zorgeloos leven

leiden in vreugde

58

dan komt de draak

duister gevlogen

de schitterende slang

uit schemerig diep

vliegt over de velden

draait op zijn vlerken

Nidhoggr, de lijken-

nu verzinkt hij voor goed.

59

Ik zie de aarde

voor de tweede maal

Groenverfrist oprijzen

uit de zee;

Watervallen klateren,

erboven de adelaar,

Langs de bergwanden

jaagt hij op vis.

  1. genera; generaties van verwante wezens
  2. groei