[ 43 ]
 

III.

 

Lezen wij de hoofdstukken door Darwin in zijn "Oorsprong der Soorten" gewijd aan de instincten of geestelijke vermogens der dieren, en, in een zijner latere werken, aan het geestelijk leven bij den mensch, dan zien wij in de allereerste plaats, dat bij laag georganiseerde schepselen het geestelijk leven ook op een lage trap blijft, en zich ontwikkelt naarmate het organisme hoogere ontwikkelingsfazen doorloopt, zoodat het "bewustzijn" altijd bepaald wordt door het "zijn" of anders gezegd: de lichamelijke en geestelijke vermogens in wezen tot dezelfde orde van verschijnselen behooren, derhalve een éénheid vormen.

En nu berust, volgens zijn theorie, de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling der soorten op de wetten der variabiliteit nl. op het ontstaan van individueele variëteiten of verscheidenheden, die in den strijd om het bestaan door de natuurlijke teeltkeus worden behouden en bestendigd.

Het ontstaan van individueele geestelijke variëteiten,[1] [ 44 ]is afhankelijk van, staat rechtstreeks in verband met de levens- en bestaansvoorwaarden, waaraan de individuen eener soort onderworpen zijn. Het kunnen derhalve genoemd worden economische invloeden in de ruimste beteekenis, zooals invloeden van gebrek of overvloed van voedsel, van beschutting of het gemis daarvan, beschermende of bedreigende klimaat-invloeden, gesteldheid van den bodem enz. die niet alleen op het ontstaan van individueele geestelijke variëteiten inwerken, maar ook beslissende factoren zijn in den bestaansstrijd, derhalve met de verschillende elementen der natuurlijke teeltkeuze een eenheid vormen. De sterkst georganiseerden of meest geschikten of best aangepasten zullen in den strijd overwinnen, doordien zij, in een gegeven natuurverband, het beste en meeste voedsel tot zich kunnen nemen, de beste en doeltreffendste beschutting kunnen veroveren of tot stand brengen, in een woord, onder de gunstigste voorwaarden verkeeren om in leven te blijven en zich voort te planten.

Zoo zullen, om eenige voorbeelden van verscheidenheid van instinct te noemen, de nesten van vogels van geheel dezelfde soort verschillen, naar gelang het klimaat en de landstreek door hen bewoond. Darwin haalt aan natuuronderzoekers, die constateerden vele opmerkelijke verschillen bij de nesten van dezelfde vogelsoort in de Noordelijke en Zuidelijke Vereenigde Staten. Die verschillen van nestenbouw zijn het gevolg van aanvankelijke individueele variëteiten van instinct, te voorschijn geroepen door het milieu en de levensvoorwaarden—variëteiten die, zoo zij voordeelig zijn [ 45 ]voor de soort, en de beschutting doeltreffender maken, door de natuurlijke teeltkeus behouden en langzamerhand tot soorten bekrachtigd worden.

Evenzoo weten wij, dat op onbewoonde eilanden vogels zoo mak en onbevreesd zijn, dat men ze bijna met de hand kan vangen. Worden zulke eilanden later door menschen ontgonnen, dan doet zich het verschijnsel voor, dat het wantrouwen der vogels zich langzamerhand ontwikkelt, totdat zij in schuwheid de vogels in onze cultuurstreken gaan evenaren. Dat instinct van schuwheid door de omstandigheden bij eenige individuen ontstaan, is dus door de natuurlijke teeltkeus behouden (want alleen de meest schuwe exemplaren of variëteiten konden zich voortplanten) en tot een blijvend instinct geworden.

Zoo ook gaat Darwin in bijzonderheden na het instinct van de koekoek—die zooals men weet haar eieren niet in eigen nest legt en uitbroedt, maar vreemde nesten daarvoor kiest.

De oorzaak van die parasitische gewoonte heeft hij ontdekt. De koekoek legt haar eieren met groote tusschenpoozen, soms van twee dagen. Gesteld dat zij vier eieren legt, dan zou het eerste ei zeven dagen vroeger uitkomen dan het laatste. Dit zou haar noodzaken te blijven broeden, zonder in staat te zijn het eerste uitgekomen jong te voeden. Ook zouden die jongen van verschillenden leeftijd in hetzelfde nest zeer ten nadeele komen van de laatstgeborene en zwakste. Dientengevolge is het verworven instinct van de koekoek gunstig voor de soort, daar zij altijd een ei legt [ 46 ]in een nest van kleinere vogels, zoodat de grootere sterkere jonge koekoek alle voedsel verorbert, en al spoedig zijn z.g. broeders en zusters verdringt, hen zelfs het nest uitwerpt. Hierin zien wij den bestaansstrijd in de natuur in een zijner scherpste vormen.

Darwin toont aan, hoe het instinct van de koekoek zeer langzaam, en geleidelijk verworven is, daar er in Amerika soorten bestaan, die wel degelijk hun eigen nesten maken en zelven hun jongen uitbroeden, die toch ook van ongelijken leeftijd zijn. Dus geeft het voorbeeld van de Europeesche koekoek ons te aanschouwen een variëteit van instinct, die door teeltkeus zich heeft bestendigd, waarbij natuurlijk tal van overgangen bestaan. Een merkwaardig voorbeeld van natuurlijke teeltkeus, alsook van aanpassing aan en vervorming naar de omstandigheden, is, dat de Europeesche koekoek die haar eieren in een ander nest legt, zeer kleine eieren heeft, zoodat het vogelpaar in dat nest niet schrikt van dat ééne groote ei, maar het argeloos met zijn eigen eieren uitbroedt. De Amerikaansche koekoek daarentegen, die zelve haar eieren broedt, heeft zeer groote eieren, hoewel de vogel zelf niet grooter is dan de Europeesche.

"Eenige soorten van de Molothrus, een zeer verschillend geslacht van Amerikaansche vogels, aan onze spreeuwen verwant, hebben dezelfde gewoonte als onze koekoek, en zijn merkwaardig "in de trapsgewijze volmaking van hun instincten".[2]

[ 47 ]Eenige hoofdstukken wijdt Darwin aan de bijen, aantoonend hoe er vele graden van arbeidsbekwaamheid bestaan tusschen de verschillende bijensoorten. Hem hierbij op den voet te volgen, zou ons te ver leiden. Stippen wij slechts aan, dat hij telkens door voorbeelden, en ingevolge tallooze proeven door hem met ontwikkelde honigbijen genomen, bewijst dat geringe wijzigingen van instinct werden te voorschijn geroepen door veranderingen in de levensvoorwaarden.

"Op die wijze kan het verwonderlijk instinct van de honingbij worden verklaard, namelijk doordat de natuurlijke teeltkeus gebruik heeft gemaakt van tallooze opvolgende geringe wijzigingen van een minder volmaakt instinct. De beweegreden van de natuurlijke teeltkeus tot dat alles is niets anders geweest dan het besparen van was. Die zwerm welke de geringste hoeveelheid was noodig had, en dus de grootste hoeveelheid honig kon bijeenbrengen en bewaren, was natuurlijk het voorspoedigst en heeft zijn nieuw verkregen instinct om was te besparen, overgebracht op jonge zwermen[3], welke op hun beurt wederom de beste kans zullen hebben gehad, om den bestaansstrijd met goed gevolg te voeren."

Zoo ook krijgen gevangen en tam gemaakte dieren, [ 48 ]onder geheel andere economische omstandigheden geplaatst, langzamerhand geheel andere instincten en geestelijke vermogens dan wanneer zij in natuurstaat leven. Vaak gaat hun geestelijk vermogen achteruit (zooals bij konijnen) terwijl ook hun organismen, zooals een ieder weet, belangrijke wijzigingen ondergaan. In zijn "Het varieeren der huisdieren en cultuurplanten" is Darwin in alle bijzonderheden hierop ingegaan, steeds weder, zoowel bij de kunstmatige als de natuurlijke teeltkeus, in het licht stellend de grondgedachte van zijn theorie: dat individueele variëteiten, die het geheele ontwikkelingsproces leiden, te voorschijn worden geroepen door oorzaken, welke direkt met de economische voorwaarden van hun bestaan verband houden. Bij de tamgemaakte soorten, is het de wil of de keuze van den fokker die ingrijpt. Bij de natuursoorten is het de bestaansstrijd, door middel waarvan de natuur hare keuze doet. Zooals Darwin het uitdrukt: "vermeerdert u, verandert u, strijdt, opdat alleen de allersterksten leven en de zwaksten sterven."

Alle ontwikkeling in de natuur heeft dus tot voorwaarde, tot hefboom den bestaansstrijd of het economisch zijn.

Bij de primitieve organismen heeft die bestaansstrijd, ingevolge den aard van het bewustzijn, de meest primitieve vormen. Bij de hoogere diersoorten, zooals bij vogels en mieren en bijen, berust die strijd reeds op geestelijke factoren nl. op het met die geestelijke factoren verband houdend arbeidsproces, dat regelt of bepaalt alle onderlinge verhoudingen; dat òf individuen [ 49 ]tegenover individuen, òf groepen tegenover groepen, òf soorten tegenover soorten zwakker of krachtiger doet zijn.

Hier vangt dus aan de groote ontwikkelingslijn, door Darwin in zijn "Oorsprong der Soorten" aangegeven, en die van de eerste eencellige wezens geleidelijk tot de hoogere en hoogste diersoorten wordt doorgetrokken.

Bij het laatste hoofdstuk van dat werk afgebroken, wordt diezelfde ontwikkelingslijn in zijn later werk[4] weer opgevat en volgens dezelfde methode de menschsoort aangelegd.

Darwin gaat thans uit van de stelling, dat het verschil in de geestelijke vermogens bij de hoogere dieren en de menschen is alleen quantitatief, niet qualitatief, dat er derhalve geen fundamenteel verschil bestaat, alleen een verschil van meer of minder. In verband hiermede legt hij uitvoerig uit, hoe alleen het gangbaar spraakgebruik op dieren uitsluitend het woord instinct en op menschen uitsluitend het woord geestelijk vermogen of verstand toepast. Even als bij alle hoogere diersoorten de handeling of actie wel degelijk van hun verstandelijk vermogen of hun gedachtengang afhangt, evenzoo verricht de mensch vaak handelingen, waaraan geen denken kan voorafgaan. Èn menschen èn dieren kunnen derhalve bewust, d.w.z. na overleg, of onbewust d.w.z. zuiver instinctmatig, zonder voorafgaand overleg handelen. Voorbeeld: het instinct van zuigen bij het pasgeboren kind, het luid schreeuwen [ 50 ]bij een vermeend of werkelijk gevaar, enz. enz.

"Ongetwijfeld," zegt hij, "is er een ontzettende geestelijke afstand tusschen de hoogste aapsoort en den minst ontwikkelden wilde. Maar een veel sterker geestelijk verschil bestaat tusschen een der laagste vischsoorten, bijv. de slakprik, en een der hoogste aapsoorten." En Haeckel betoogt, dat het geestelijk verschil tusschen de laagste vischsoort en het hoogst georganiseerde dier of insekt—zooals bijv. een bij of mier—veel geringer is dan het geestelijk verschil tusschen den laagsten wilde en den hoogst ontwikkelden cultuurmensch.[5]

Het is volgens de groote natuurvorschers derhalve slechts een verschil van graad, niet van hoedanigheid.

Dan gaat Darwin in den breede na alle geestelijke en moreele vermogens en aandoeningen zooals: oplettendheid, verbeeldingskracht, geweten, plichtbesef, opoffering, schoonheidsgevoel, toewijding, liefde, energie, overleg, combinatie-vermogen, godsdienstig gevoel, bijgeloof, nieuwsgierigheid, verwondering, wraakzucht, angst, ijdelheid, schaamte, berouw, vreugde, geluk enz. enz. Al deze en dergelijke aandoeningen en vermogens, [ 51 ]door hem achtereenvolgens in alle bijzonderheden nagegaan, bestaan bij de hoogere diersoorten in meer of minder ontwikkelden vorm, naar de mate van hun organisch zijn en naar gelang de voorwaarden waaronder zij bestaan; waarbij vooral in 't oog is te houden het verschijnsel, dat het verstandelijke in veel hoogeren vorm zich openbaart wanneer het sociaal levende dieren zijn, omdat het sociaal instinct, geboren uit en gevoed door de bestaans- en beschermingsbehoeften eener soort, de eerste schrede vormt tot een hoogere sfeer van geestelijke ontwikkeling dan anders mogelijk ware, wijl nu een begin van plichtbesef, hulpbetoon: derhalve zedelijkheid zich openbaart.

Daarna volgt Darwin de aangegeven lijn bij eenige wilde menschenrassen, het allerlaagst staande op de ladder der menschwezens, wier taal zich slechts begint te ontwikkelen, en die maar tot vier kunnen tellen. Vervolgens nadert hij de hooger staande natuurvolken, reeds uit de perioden van wildheid tot de barbaarschheid[6] geklommen, aantoonend, hoe steeds de bestaansvoorwaarden, derhalve de bestaansstrijd welken die volken te voeren hadden, de geestelijke vermogens tot ontwikkeling brachten; hoe die geestelijke en moreele evolutie geheel afhankelijk was van klimaat, geografisch midden, vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van den bodem, kortom, van alle mogelijke natuurinvloeden direct werkend op het economisch zijn, dat op zijn beurt weer bepaalde de sexueele en maatschappelijke vormen.

[ 52 ]Dit verklaart, het zoo groote verschil in zeden, in gevoelen en denken bij alle volken en rassen op onze planeet. Dit verklaart, waarom op sommige plekken der aarde zedelijk en zelfs godsdienstig worden geacht vormen en gebruiken, die onze beschaving ten diepste verafschuwt, zooals kindermoord, oudermoord, kannibalisme, ja zelfs het opeten zijner ouders, volgens godsdienstige voorschriften o.a. bij de Batakkers in eere; of het levend begraven van zieken en ouden van dagen die hulpbehoevend worden. Bij wilde volkstammen, die moeite hebben hun dagelijksch voedsel aan een stiefmoederlijke natuur te ontworstelen, die woeste, koude, onvruchtbare streken bewonen, wier economisch zijn zoo primitief mogelijk is, of bij volken die nomadisch leven, kunnen deze en dergelijke ideologische vormen, zoo geheel in strijd met ons cultuurbewustzijn, geacht worden te behooren tot dezelfde orde van verschijnselen, door Darwin langs de verschillende trappen van het dierleven in alle bijzonderheden nagespeurd.

 

 
  1. Het ontstaan van organische verscheidenheden zullen wij, als voor onze beschouwingen niet noodzakelijk, in dit artikel onbesproken laten.
  2. Het ontstaan der soorten. Blz. 310 e.v.
  3. Voor diegenen onder de lezers die wellicht over de onderzoekingen van Weissmann gelezen of er van gehoord hebben, zij hier opgemerkt, dat Darwin hier geenszins bedoelt de eenvoudige overerving van verkregen eigenschappen, maar het ontwikkelingsproces op geheel andere wijze verklaart.
  4. De Afstamming van den Mensch.
  5. Ter voorkoming van misverstand ook te dien opzichte, is het wellicht raadzaam hier een volzin van Darwin uit het derde hoofdstuk van zijn werk over De Mensch woordelijk te citeren: "Het onderzoek naar de wijze waarop de verstandelijke vermogens zich het eerst bij de laagste organismen ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong het leven. Dit zijn vraagstukken voor de verre toekomst, als zij zelfs ooit door den mensch zullen kunnen worden opgelost."
  6. Zie indeeling van Morgan in het vorige artikel.