Majoor Frans/Huis de Werve V

Huis de Werve IV MAJOOR FRANS (1888) door A. L. G. Bosboom-Toussaint

Huis de Werve V

Huis de Werve VI
Uitgegeven in 's-Gravenhage door Charles Ewings (bij drukkerij Thieme, Nijmegen).

[ 246 ]Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan op gansch veranderden toon :

»Luister eens, freule Mordaunt ! het komt mij voor dat gij, onder pretext van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt, en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid verzet tegen eene verzoening tusschen [ 247 ]hem en mij; en het is wel vreemd, dat eene nicht, maar eene nicht, hier de rol speelt van een oudsten broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!"

»Och! met uw verloren zoon!" riep Francis toornig; »Gij zijt de verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling van sensiblerie, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde."

»Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal zijn!" viel hij in met zekere bitterheid. »Gij weet immers wel dat ik, verzoend of niet, geene aanspraak zal maken op de nalatenschap van mijn vader, die u sans conteste zal toevallen, daar ik noch den wil, noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!"

»Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht verdenkt!" viel Francis in met sprekende verontwaardiging.

»Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het al leen om u gerust te stellen omtrent de mogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?"

»Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst; gij komt altijd weer."

»Maar als ik nu eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader wij hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere bedienden…"

»Zullen u evenmin terughouden: uw vader is zoo arm, dat wij het met dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toelegt om den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf bij hem vinden! Rolf, die u vanouds kent, en die het consigne van zijn overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kos[ 248 ]ten moge. Voorziet gij niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?"

»De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook hier!" riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op de sofa neervallen.

»Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest, om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?" sprak Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die hij niet langer kon terughouden.

»Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet voltooide," riep Rudolf onder snikken, »en ik, die zoo welgemoed en opgewekt herwaarts heen was gekomen!…"

Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch, hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen, tegen hare bedoeling in.

»Mijnheer Rudolf!" sprak ik, »sta mij toe de tusschenpersoon te zijn om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule Mordaunt daartegen opziet!…"

»Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!" hernam Francis stroef en met hoogheid. »Ik zie er niet tegen op, maar ik weet, dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve, eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden, en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn."

»Dan zal ik moeten berusten," sprak Rudolf verbleekend en in de houding der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden, luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.

»Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige liefde toedraagt," hervatte Francis. »Ik wil u niet hard vallen om die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven, dat zij uit het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wel, gij zelf hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waarschijnlijk gemaakt." [ 249 ]

»Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen genomen en geëxecuteerd te worden!"

»Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs niet na al de jaren van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich over getroost."

»Al heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie."

»Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar toch, nu is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet) dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoonen zou, hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen; hij zal rust noch duur heb ben eer hij u weer veilig over de grenzen weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons herhaaldelijk heeft gekost."

»Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen te gaan zooals ik gekomen ben," verzuchtte Rudolf, en hief zich op met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht meent te moeten aanvaarden…

»Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te hebben," sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam; want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken…

»Ik zal u wat brood en v!eesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan dat gij hier nog wat uitrust."

»En als het zijn kan, een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee ure, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt." [ 250 ]

»Ik zal voor u zorgen."

»En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant verschuilen," zei Rudolf.

»Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom bedienen," antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek ver liet.

»Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze majoor!" riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer hoorde. »t Is me waarachtig, of ik in ’t schimmenrijk ben aan geland en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen, doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn woord van eer, een hart uit duizende"

»Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens een bloedverwant die in ’t ongeluk is," liet ik mij ontvallen.

»Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde; den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeg gen mijn ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen, evenmin het qu’en dira ton ik, die onbedacht genoeg was om dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder te we ten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was. bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelf mij door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo. gaf zij mij rendez-vous op zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat, ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen leeglooper die er zijn fort van maakte nieuwtjes te verzamelen; en schoon ons onderhoud [ 251 ]dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en ploertinnen van ’t kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden tot hare schade! De klare, zuivere waarheid had haar geen nadeel kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in \’t ware licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde, moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen, al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen, Het is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw, dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij \’t erkennen wil of niet, en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is."

»Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geene rancune hield."

»Pouâh! dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is, passez-moi la comparaison, evenmin te vinden als een paard dat alle goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom mag my dear Francis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd er onder buigen: ik ben weerloos tegen haar en…

Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den arm dragende.

Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkeIijk voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee glazen neer, terwijl zij mij zeide:

»Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden."

»Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te spreken zonder iets te laten merken."

»Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijs[ 252 ]aard, moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven zonder dat hij er iets van heeft bemerkt."

De »onweerswolk" had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond, dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis te wagen.

»Francis! my darling, zou ik den nacht hier niet mogen door brengen? in alle geheimzinnigheid, dat spreekt vanzelf," voegde hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronsde.

»Ik zou het wel willen voor u, Rudolf! maar ik zou niet weten waar."

»Och kom! er zijn zooveel Logeerkamers in mijns vaders huis."

»Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen is geen ander vertrek meer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker Leopold alleen."

»Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier."

»Er is hier geen koetsier meer," zei Francis eenigszins verbleekend.

»Hoe nu, hebt gij over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?"

»Harry Blount is dood!" antwoordde Francis zonder op te zien, met eene doffe stem.

»Harry Blount dood! hoe heeft de flinke jongen die malligheid kunnen begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik mij niet bedrieg. Ik heb hem zelf nog leeren rijden, toen hij mij als groom werd toegevoegd op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur; dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje ook al van de hand moeten doen?"

»Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de PauweIsen; maar ’t herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkeliik: ik — ik ben de oorzaak van zijn dood!" [ 253 ]

»Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van vivaciteit…" hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand hield, »maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?"

»Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels moeten wegdoen."

»Surely I am to be damned!" riep Rudolf; »dat prachtige span, mijn arme vader!"

»Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld niet: hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in \’t hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet dragen een zware afrijwagen, — ik naast Harry op den bok, ik nam de leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar het dorp voert, en al ging het met inspanning, met over spanning zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid."

»Bravo! dat dacht ik weI!"

»Och, juich niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit, die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt, gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel, mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren; Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.

»Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk," sprak hij, »tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een man[ 254 ]nenhand noodig." En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester te maken.

Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd, dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.

Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, en wilde ’t niet opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de Hemel mij willen waarschuwen of mijn overmoed straffen, schoot er een felle bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikte, werden schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkeIijk met het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten… en… de verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten, doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde en heeft geen uur meer geleefd!"

Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde onder snikken:

»Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit meer van dien ongelukkige kan hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de oogen staat."

»Het is almachtig jammer, Francis!" sprak Rudolf, ook bewogen, ten ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken; er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn, kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik heb er menigeen van ’t paard zien vallen die niet weer opstond. Doch wat zal men daar tegen doen: wachten tot je beurt [ 255 ]komt en er maar niet te veel aan denken, dat is het beste." »Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen," viel Francis in met gesmoorde stem. »Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij zelve wijs maken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch… het zelfverwijt komt altijd weer boven. ’t Is de knagende worm, die men wel verdooven, maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw gevoelen is," hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om mijn antwoord uit te lokken.

»Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin vertwijfelen om de rust der consiëtie terug te vinden als zulke wroeging mij pijnigde."

Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeIoos de schouders op.

Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van ’t geen mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met eene onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde haar toe:

»Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede met u zelve, — waarom zoekt gij geen vrede met God?"

»Wie zegt u dat ik die niet zoek, Leo? Maar" — zij zuchtte »die laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete."

»Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet er ook iets van."

»Gij, Leo?" sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; »zoo gij in mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!"

»Neen! Ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het »onze Vader" bidden, en in praktijk brengen."

»Hoe meent gij dat?" Zij zette groote verwonderde oogen op.

»Ik zou geene vrijheid vinden het: »Vergeef ons onze schulden" uit te spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring, zoo ik er niet zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: »gelijk wij vergeven onzen schuldenaren." Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen; gij zijt hard voor dien man dáár , die onze medebroeder is in de schuld; vergeef hem van harte Wat hij tegen u misdeed, en…"

»Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin," zeide zij halfluid; »hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij [ 256 ]mij heeft toegebracht, maar allermeest dat, dat men niet op hem aan kan; hij geeft driemaal in een uur zijn »eerewoord" en toch…"

»Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm kind!" sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en in alle genoegelijkheid zijn souper had afgemaakt; dat moest hij niet doen, hij moest u niet moeielijk vallen, althans niet om mijnentwil, en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf, als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer , wordt als men denkt aan het vaderlijk kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is."

»Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren; en toch ik weet er geen raad op," zei Francis; »deze vleugel, de eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld."

»Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik op de planken kan neerleggen?"

»Die is er juist niet; sinds jaren is er alles leeg en overgelaten aan ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogen blik is daar waarlijk niets aan te veranderen."

Rudolf zuchtte en hernam:

»Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen en mij met de decoraties toegedekt."

»Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet… neen, het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft," sprak Francis nu zelve met leedwezen; »och weet; ik er wel iets op, maar… "

»En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?" viel ik in, hare aarzeling ziende.

»Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!"

»Maar ik wil wel gêne lijden voor den zoon van den huize, wiens recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is; ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan."

»Neen! neen!" riep deze met levendigheid, »’t zou al heel mooi [ 257 ]zijn, zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als Francis dit goedvindt."

»Dat is afgesproken," zei Francis; »maar Rudolf, dan belooft gij mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken… het is de verjaardag van grootvader en…"

»Juist daarom was ik gekomen!"

»Hebt gij daar nog aan gedacht?"

»Zeker! en daarom meende ik… is het dan volstrekt onmogelijk, Francis?"

»’t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt: er komen allerlei menschen van het dorp; Willibald komt ook!"

»Hm! ’t is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu! in ’s Hemels naam, ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis."

»Ik zal u nog eens op het woord vertrouwen, Rudolf! " sprak zij, hem de hand reikende. »En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga: ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten."

»Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutie voor u zelve, als eene zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel uit Amerika, maar een echte oncle d’ Amérique, die met millioenen dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden; maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooie greenbacks moeten u aanlachen."

Hij deed de portefeuille open en toonde haar het fijne bankpapier.

»Zijn ze echt, Rudolf?" vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen ziende.

»Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij mij voor aan!" riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd overtoog. »Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen, die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt dat hij geven kon; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard word be jegend, zeg ik tegen mij zelf: »Rudolf, mor nu maar niet, je [ 258 ]hebt het verdiend;" maar dat alles belet met, dat ik mij nog herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb, al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u: met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij dáár onderstelt, Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die, begaan met mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?" »ik wenschte dat het niet dan eene verdenking ware, Rudolf," hernam Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; »maar helaas! wij hebben de bewijzen en… "

»De bewijzen, dat ik een falsaris ben?" vroeg hij levendig en kennelijk in de smartelijkste verbazing.

»Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders hand… ja! die zijn in ons bezit; ’t is mogelijk dat ik er geen verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van een falsaris gelijk staat."

»Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, dat IK daaraan schuldig ben?"

»Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand en zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij zelven zonder verschooning zijn; maar… de waarheid is waarheid, en de feiten zijn het die tegen u getuigen!"

»Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaat hebben, een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op mij neerziet!"

»Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels kolonel von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd [ 259 ]hebben, omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij toen reeds lang aan de andere zijde van den Oceaan waart, maar dat uw vader gedwongen zou hebben reeds toen zijn ontslag te nemen uit den dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in ’t spel was!"

»Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kan zijn. Ik ben een zwak mensch, een jammerlijke panier percé ik erken het, maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik gedaan hebben juist in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te Z—? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor eene nieuwe onderneming naar Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?"

»Juist daarom acht ik uwe handelwijs nog te meer misdadig."

»Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat zegt gij er van, jonker Leopold?"

»Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast aan gelooven…"

»Mijn hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen, heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen voor opgeofferd! Mij dunkt, j’ ai payé pour savoir! Ongelukkig heeft grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen."

»Maar als ik ze zag, zou ik u kunnen overtuigen. Ik ben voorwaar zoo’n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen; en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! AI kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien."

»Ik geloof u," sprak ik, hem de hand drukkend.

»Dat doet mij goed;" en tranen sprongen den ongelukkige uit de oogen. Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist ge[ 260 ]daan hebben? Kan de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?"

»Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem. "

»Dus… geneest men van zekere passie?" vroeg Rudolf, even de schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.

»Faute d’occasion; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn partijtje te maken."

»Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?"

»Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen! Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoekt den schuldige elders. Rolf is tot zoo iets niet in staat."

»Nu, ik ben er ook niet toe in staat," sprak hij nu met drift, terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:

»De greenbacks zijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze dat gij mij gelooft…"

»Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf ook wel gebruiken."

»O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen: er kleeft niets aan dan mijn eigen zweet en bloed. Zij zijn zuur verdiend, maar eerlijk; althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft."

»Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een piqueur."

»Ik ben kunstrijder! Ik ben premier sujet de voltige bij het Great Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd dollars appointement ’s maands… Gij zwijgt, Francis! Gij vindt dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker!".

»Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw [ 261 ]geval het aangrijpt. Daarbij," voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje, »gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden."

»Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden gekost. Maar dat is l’histoire ancienne! voor ’t oogenblik ben ik te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus, my dear, kunt gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening."

»Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne hachelijke zijde."

»Aan wien zegt gij het! Van ’t paard vallen en den nek breken is nog het ergste niet; maar zooals ’t gisteren nog gebeurde, dat er een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem op de borst raakte, zoodat hij eene bloedspuwing kreeg daar hij voor zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouwen kind."

»WeI!" zei Francis, »mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing voor dat geld."

»Hm ja! ’t idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen; poor soul! En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen."

»Nu zijn we het eens," zei Francis, tevreden dat zij hem van zijn inval had afgebracht. »Rust goed uit en laat mij nu gaan! morgen in de vroegte zien wij elkander nog."

»Hoe zoo?"

»Wel, om u uit te laten. ’t Is onnoodig dat gij weer langs het balkon naar beneden en over den tuinmuur klimt."

»Ah Bah! dat komt er niet op aan: Premier sujet de voltige, parbleu! Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne verwijdering, dan is het wat anders…"

»Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet u souper niet geheel!"

Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen, en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij een glas wijn met hem te drinken, [ 262 ]en het zijne aanstootende sprak hij: »Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden."

Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn slag over Francis te spreken.

»Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor Frans, is toch eene vrouw eene vrouw met een mannengemoed — zooals Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen…

Et bientôt on verra l’infante
Au bras de son heureux vainqueur!

Zij ziet u naar de oogen, dat is zeker! ’t Is met haar als met een paard van edel ras: men moet er mee weten om te gaan — veel geduld, veel attentie, eene krachtige, vaste hand, maar die zacht weet te zijn, en men komt er mee terecht. Ik voor mij heb er nooit den slag van gehad, ik meen van de vrouwen! Ik ben te hartstochtelijk, te ongedurig, en ik heb geen vasten wil! These. gracious devils merken dat heel gauw, en als ze ’t eens weten, dan, dat begrijpt gij, dan ben je er onder, daar is geen helpen aan. Wat Francis betreft, al ware ik haar eigen vader en zij kende mij zooals zij mij kent, ze zou mij niet ontzien, U, dat’s wat anders — maar… mogelijk hecht gij niet aan de conquête?" ging hij voort, daar ik strak bleef zwijgen; »anders zou ik zeggen, ’t is te hopen dat gij fortuin bezit; ik zou het wenschen , voor Francis, die het verdient — ware haar grootvader niet geruïneerd."

»Door wien geruïneerd?" viel ik uit, vrij onbarmhartig; maar hij had mij zoo geprikkeld door telkens weer de corde sensible aan te slaan, dat ik er à tout prix een eind aan maken wilde.

"That’s the question! hernam hij, slim genoeg om een onderwerp te laten varen dat zoo blijkbaar mishaagde. »Ik heb er schuld aan, dat is ongelukkig maar al te waar; doch ik niet alleen, I may be damned als ik lieg. Ik heb hem geld gekost, veel geld, doch geen [ 263 ]grooter deel van de kolossale fortuin, die mijne moeder heeft aangebracht, dan mij als eenig zoon toekwam. Waar ’t andere gebleven is, John Mordaunt zou er ook wel wat van te vertellen weten als hij nog leefde; maar toen die met mijne zuster trouwde, kreeg ze ten minste haar bruidsschat mee; die zou Francis nu moeten hebben — als ze ’t niet opgemaakt hadden; want ze leefden, ze leefden… Ik werd altijd maar op de Werve gelaten met mijn gouverneur; want de dertienjarige knaap keek al goed rond in de wereld, en hij moest niet zien wat er daar ginds omging. Na den dood mijner zuster ben ik ook niet veel bij de Mordaunts aan huis geweest. Ik heb Francis voor ’t eerst gezien toen zij tien jaar oud was en de kleine Majoor heette en alles in huis drilde dat het een lost was. Ik viel toen in ongenade bij mijn vader, omdat… Maar ik babbel zoo voort, ik weet niet of ik u verveel; mogelijk wilt gij gaan slapen?"

»Nog niet; ga gerust voort. Ik stel er belang in een en ander van uwe lotgevallen te hooren, als het u niet pijnlijk valt daarvan te spreken."

»O, wat dat betreft in ’t minst niet; ik ben er lang over heen. Maar wat zal ik u zeggen, mijne geschiedenis is die van menig ander jongmensch van goede afkomst die in de diepte raakt. Ik heb twaalf ambachten gehad en de traditioneele dertien ongelukken zijn mij evenmin ontgaan; ja, ik geloof zelfs, als ik goed telde, dat er nog wel een half dozijntje boven dat getal bij gekomen zijn. Mogelijk klinkt het wat apocrief uit mijn mond als ik het zelf zeg; maar mijn vader is de eerste oorzaak van alles. Gecontrarieerd in de keuze van een beroep, gecontrarieerd in eene jeugdige liefde waarin ik mijn geluk had kunnen vinden, was de fine fleur van mijn levenslust er al af, toen ik naar Leiden ging om daar in de rechten te studeeren. Ik had den vurigsten wensch om officier te worden en had mij met ijver voor het examen aan de militaire academie voorbereid; maar mijn vader hield rancune tegen die instelling, hetzij hij gepasseerd was toen deze werd opgericht, hetzij om de reden die hij opgaf: dat hij zelfs als cadet in werkelijken dienst was getreden en van gevoelen was dat men alleen op die wijze jonge officieren moest vormen. Zijn zoon althans zou hij niet naar Breda zenden; die moest studeeren, die moest carrière maken! Hm ja! ik heb ook carrière gemaakt," herhaalde hij met een bitteren glimlach: »J’ai fait du chemin zooals de Franschen, [ 264 ]zeggen, wijd en wild. Ik studeerde voor ’t pleizier van papa, ik wilde er mijn pleizier ook van hebben; bij gebrek aan geluk, aan zelf voldoening, zoekt men genot. Papa wilde dat ik een goed figuur zou maken op de academie, en schonk er mij ruim de middelen voor. Ik had mijn rijpaard en mijn tilbury; ik wierp mij in den wildsten en woeligsten studentenkring; ik maakte enorm veel schulden en zeer weinig dictaten; toch bezocht ik enkele colleges; er waren vakken die mij aantrokken, en ik was niet zonder aanleg; ik zou er nog wel toe gekomen zijn om te promoveeren op theses, maar papa had intusschen processen gevoerd tegen tante Roselaer en verloren; hij kon of wilde mij althans niet toestaan het kostbaar leven aan de academie voort te zetten. Van een gesjeesden student is niet veel te maken; toch wist de majoor von Zwenken door zijne relaties mij een post te bezorgen, en nota bene nog wel een comptable! onder belofte intusschen dat ik eene riche héritière zou trouwen, die mij werd aangewezen; maar het was eene overrijpe freule met een rooden neus, en ik liet haar links liggen, tot groote ergernis van mijn heer vader, die verklaarde van toen aan niets meer met mij te doen te willen hebben. Ik had niet het minste hart voor mijn post; geregeld werken, geregeld uren lang op het bureau blijven convenieerde mij niet na het woelige leven dat ik geleid had. Ik vond een geschikten klerk, een ouden bureaucraat, die al twintig jaren op dezelfde plek had gezeten zonder zich dood te zitten; ik meende alles gerust aan hem te kunnen overlaten en ik vond vrienden en kennissen genoeg, om mij wat afleiding te bezorgen. Ieder hield ons voor rijk, de post was maar een eerste stap om en-train te komen, dacht men, en zoo ging het à grandes guides zonder opzien of omzien; toen op zekeren dag, dat wij een pick-nick hadden ergens buiten, mijn waardige plaatsvervanger zich met de kas uit de voeten maakte. Het geval maakte veel opschudding en was inderdaad erg genoeg: het was notoir dat ik geen deel had aan den diefstal, maar ik was toch de verantwoordelijke persoon, en majoor von Zwenken, in de verwachting dat ik de erfgename zou trouwen, had mijne borgstelling gestort. Er volgde een rechtszaak uit die opnieuw wat geld kostte, dat ik niet betalen kon, dat de majoor niet betalen wilde, en waar, zoo ik mij niet bedrieg, het moederlijke erfdeel van Francis voor aangesproken werd; het ging mij genoeg ter harte, maar een von Zwenken tot gevangenschap veroordeeld, [ 265 ]dat scheen iedereen in de familie te hard. Van haar wist ik dat ik niets meer van mijn vader te wachten had; ik beproefde zoo wat van alles, maar niet met goed geluk; mijne antecedenten waren mij in den weg, en, ik zal de waarheid bekennen, mijn karakter was mij ook tegen. Ik vloog van den hak op den tak, had nergens rust bij en had maar één verlangen, waaraan ik mij om de wille mijner familie niet kon overgeven. Ik had eene goede stem, altijd lust gehad in muziek, eene zekere gave van voorstelling, ik wilde een tijdlang buitenslands gaan om mij op een conservatorium te oefenen en dan als operazanger op te treden. Had men mij maar laten begaan, maar men wilde mij niet behulpzaam zijn tot dat doel; mijn vader wilde mij niets meer geven en liet mij de keuze om soldaat te worden of te bedelen. Ik verkoos het eerste, in de hoop dat majoor von Zwenken en zijne vrienden wel voor mij zouden zorgen als ik eens in dienst was, en dat ik toch nog eenmaal officier zou kunnen worden; maar op mijn leeftijd, na een weelderig en verwend leven als het mijne, valt het hard zich aan de discipline te gewennen; en, was het opzettelijke hardheid en een parti-pris om mij zwaar te doen boeten, eer men mij uit de diepte ophief? ik kan het niet uitmaken; maar men schonk mij zelfs niet den laagsten graad; mij werd geene corvée gespaard, geen vergrijp door de vingers gezien. Ik was niet bij het regiment mijns vaders geplaatst, maar in een afgelegen vestingstadje; toch was de kapitein van mijne compagnie een der vroegere tafelvrienden van mijn vader. Ik kon niet anders denken dan dat het op diens verlangen was dat men mij zoo behandelde, En hij had zijn lieveling Rolf wel tot luitenant gemaakt, de Hemel weet hoe! Ik werd verloochend, en bijgevolg vertrapt; ongelukkig had ik geen geduld om dien schrikkeIijken proeftijd door te staan; ik had voor vijf jaar geteekend, ik hield het geen vijf maanden uit; en op zekeren dag de kans schoon ziende, wierp ik geweer en wapen weg en wilde mij uit de voeten maken; maar mijne vlucht werd opgemerkt en ik achterhaald eer ik over de grenzen was; ik wist wat er op stond als men mij vatte, ik verweerde mij tot het uiterste, ik kwetste een onderofficier; ik behoef u niet te zeggen welk een lot mij wachtte toen ik voor den krijgsraad kwam; het vonnis werd geveld, maar niet uitgevoerd: dit maal ontkwam ik, ontkwam ik uit de gevangenis, ik zal niet zeggen als door een wonder, maar door oogluiking; ik vond zelfs een pak [ 266 ]burgerkleeren en geld tot mijne beschikking. Mijn vader had het toch niet over zich kunnen verkrijgen om zijn zoon als wederspannige, als deserteur te laten executeeren. Later vernam ik dat Francis, die toen al heel wat had mee te praten, het hare had gedaan om deze uitkomst voor mij te verkrijgen. Ik was nu vrij en in den vreemde, maar vogelvrij: ik moest zien het noodige voer op te loopen en mij hier of daar een nest maken. Ik heb Duitsche boerenjongens Latijn en Fransch, Duitsche burgermeisjes zang- en pianoles gegeven; ik ben kamerzanger geweest van een Oostenrijksche gravin, die doof was en zich verbeeldde dat mijne stem op die van Roger geleek; ik heb omgezworven met een troep reizende operazangers en heb mij schor geschreeuwd op de theaters in de open lucht. Ik ben koetsier geweest van een Duitschen baron, reisbediende voor een huis in wijnen; maar dit moest ik opgeven omdat ze mij naar Holland wilden zenden. Toen werd ik eerst koffiehuisknecht en biljardjongen, maakte door mijne geoefendheid in dat spel de kennis van een Poolschen graaf, die mij als kamerdienaar en secretaris met zich nam naar Warschau, en mij welhaast in vertrouwen mededeelde, dat hij een middel had uitgevonden om Polen onafhankelijk te maken! Zooals vanzelf spreekt, mislukte de toeleg, maar de onvoorzichtige edelman miste Siberië niet. Ik raakte mee in de klem, omdat ik niet tegen hem getuigen wilde; maar ik hield me zoo dom, dat ik er met een weinig tortures van honger en dorst lijden en eenige weken carcero duro afkwam. Toen stond ik weer op straat zonder een penning in den zak en greep naar het eerste het beste, dat ik maar vatten kon; enfin, ik wil u en mij zelven niet vermoeien met de optelling van alles wat ik doorgemaakt heb om in leven te blijven. Het ware veel korter geweest hier of daar in \’t water te springen, dat is waar; dan, ik heb altijd zeker vooroordeel gehad tegen den zelfmoord. Daarbij, ik bleef onder alles gezond en sterk en leed niet aan melancholie; ik rolde door het leven zooals het het best kon. Jarenlang heb ik zoo omgezworven, heb alle groote steden, alle badplaatsen van Noord- en Zuid-Duitschland bezocht, alle landstreken van midden-Europa doorkruist, van de Rijnoevers af tot die van de Spree en Moldau toe, en ik stond op het punt om naar Bucharest te trekken met een zeer voornaam, maar zeer bizar personage, toen deze gevangen werd genomen, als betrokken in eene zeer geheimzinnige moordgeschiedenis, waarbij [ 267 ]het geld en de vrouwen als gewoonlijk hunne rol hadden ge speeld. Gelukkig kon ik bewijzen, dat ik eerst met vorst X in aanraking was gekomen nadat de misdaad gepleegd was, en ik kwam er weer af met eenige weken van enge opsluiting na lange en lastige verhooren. Hoe vaak ik onder dat alles van naam veranderd ben, weet ik zelf niet meer. Alleen den eenigen waarop ik recht had, hield ik standvastig buiten het spel. Ik had gezorgd dat het gerucht van mijn dood in Holland was verspreid; ik had alles gedaan om er waarschijnlijkheid aan te geven. Na die laatste historie waagde ik mij niet weer in \’t gedrang met voor name avonturiers of dubbelzinnige vrouwen, maar zocht rust in het landleven, in de vergetelheid van den boerenstand. Ik had in mijne jeugd op de Werve wel eenige notie gekregen van het boerenbedrijf; ik kon best met paarden omgaan; ik verhuurde mij als knecht bij een welvarenden pachter, die eene mooie hoeve te beheeren had. Hij vatte spoedig dat er op meer dan eene wijze partij was te trekken van zijn huurling, en dat handenarbeid juist niet mijn fort was. Ik werd welhaast meer zijn raadsman dan zijn knecht; ik kon hem een en ander van mijne lotgevallen vertellen zonder gevaar; ik was onder een goed slag van lieden gevallen, die mij als een lid hunner familie behandelden, en er bestond uitzicht dat ik daar werkelijk toe zou behooren. Ik merkte, dat de eenige dochter, eene allerliefste blondine met vergeet-mij-niet-oogen, zoowat op mij verliefd raakte. Ik vond deze gelegenheid om pater familïas te worden zoo onaardig niet! De ouders hadden er niets tegen; maar ik moest er voor uitkomen dat het mij moeielijk zou vallen de noodige documenten te verkrijgen om een wettig huwelijk aan tegaan. Dit bezwaar, en de berichten van een lid der familie, die met goed gevolg naar Amerika was uitgeweken en de zijnen opwekte om tot hem over te komen en gezamenlijk in die landstreek eene kolonie te vestigen met andere dorpsgenooten die daartoe waren over te halen, deed ons besluiten dien tocht te ondernemen. Maar de gemüthliche Bauernleute begrepen, dat ik ten minste de toestemming van mijn vader moest zien te verkrijgen, al voorzag ik dat het vruchteloos zou zijn; daarbij er moest geld wezen voor mijne uitrusting en ik moest mijn aandeel leveren tot de onderneming, wilde ik niet eene al te jammerlijke figuur maken onder de tochtgenooten. Ik berekende dat ik nu zoo ongeveer tien jaren buitensland had [ 268 ]doorgebracht en dat men mijn gezicht wel vergeten zou zijn; ik hoopte zelfs, dat na die langdurige vrijwillige ballingschap de spons zou gehaald zijn over mijne vroegere misstappen. Ik schreef aan Francis, dat ik voor korten tijd naar Holland dacht terug te keeren, en onder welke omstandigheden. Mijn aanstaande hare familie en de verdere tochtgenooten hadden zich te Hamburg ingescheept naar Engeland, waar ik mij uit Holland bij hen zou voegen, zoo ras ik geslaagd was in mijne wenschen. Maar het antwoord dat ik kreeg was op dat punt alles behalve geruststellend. Mijn vader, die kolonel was geworden en het bevel voerde in de kleine vestingstad Z., was zoo weinig ingenomen met mijne plannen, bovenal zoo weinig verheugd met de tijding, dat ik nog leefde en dacht weer te keeren, dat Francis mij dit laatste ernstig ontraadde. Zij wees op de gevaren die ik kon loopen en die de kolonel niet voornemens was af te wenden; met andere woorden: mijn eigen vader zou mij laten vatten en aan een krijgsraad over leveren, als ik het waagde hem onder de oogen te komen. Dat vond ik wreed, onmenschelijk, onmogelijk, en ik geloofde het niet! Ik verbeeldde mij dat Francis maar dreigde om mij af te schrikken; ik waagde het er op, kwam vermomd en door valsch haar en knevels onkenbaar gemaakt te Z. en trachtte toegang te verkrijgen tot het huis van den kolonel. Zijn adjudant, die er zeker op afgericht was, ontving mij en deelde mij de verkwikkende tijding mee, dat ik den commandant der vesting niet zou zien; dat er geen kwestie kon zijn van een weergekeerden zoon, daar de dood van den jongen Rudolf von Zwenken was geconstateerd, en dat iemand die er zich voor uitgaf niets kon zijn dan een indringer en bedrieger, over wien men kort en goed recht zou doen als hij lastig werd en zijn bedrog volhield. Daarop was ik niet verdacht geweest. Ik was dood, ik moest dood blijven, en zoo ik mijne identiteit wilde bewijzen, was dat zoo goed als mijn eigen doodvonnis onderschrijven. Ik herhaalde de poging niet; maar Francis ontfermde zich toch over mij. Zij zocht mij op, zij hielp mij voort. Zij lenigde de bitterheid van dit verstooten. Gij weet het overige, gij weet wat er voor haar uit volgde."

»En gij gelooft dat het daarom is, dat zij u ditmaal zoo hard bejegende?"

»Vooreerst omdat ik nu weer teruggekomen ben tegen belofte, dat is waar; maar allermeest, ik zie dat nu in, om die ongeluk[ 269 ]kige zaak van de wissels — om datgene waaraan ik niet schuldig ben, zooals \’t meer gaat. Doch ik zal mij die schuld nu maar laten aanleunen: een schreef je meer op mijn kerfstok is zoo erg niet, terwijl Francis al te ongelukkig zou zijn, als ik haar te kennen gaf, welk vermoeden ik heb gevat."

»Hebt gij werkelijk een vermoeden?"

»Ja, er is mij een licht opgegaan. Hebt gij nog wat geduld om naar mij te luisteren? Ziet gij, ik heb zwakheden, maar niet eigenlijk datgene wat men hartstochten noemt. »Le vin, le jeu, les belles" hebben mij beurtelings veel geld, tijd en rust gekost; en nog ben ik op zekere punten een groot kind; maar eene passie, eene passie die niets ontziet om hare voldoening te hebben, en waar men een groot misdadiger of een groot man door wordt, zulke passie houd ik er niet op na; dat ligt zeker aan de wuftheid mijner natuur. Maar er is iemand in mijne familie, die er wel door bezeten is… In mijne jeugd heb ik daar zoo niet op gelet, niet over nagedacht althans. Later was ik niet veel in de gelegenheid hem te observeeren; maar eens, eens heb ik hem waargenomen, terwijl ik duizend redenen had om mijn incognito te bewaren. Gij zijt een van de menschen die zwijgen kunnen niet waar? anders had Francis niet voor u ingestaan. Zoo bewaar datgene wat ik u nu ga zeggen als een diep geheim voor haar; want het zou haar bitter verdriet doen, en zij heeft toch al zoo\’n onpleizierig leven."

»Gij kunt er staat op maken. Om Francis leed of last te sparen, zou ik veel doen of laten."

»Ook blijf ik gelooven, al houdt gij u nog zoo leuk, dat gij nog wel eens nader aan de familie geparenteerd zult worden; daarom is het ook goed dat gij alles weet. Mogelijk wordt gij eens geroepen om heel wat linge sale uit te wasschen. Luister! Maar neen! wacht even tot ik dit laatste glas heb gedronken; mijne keel is droog van het praten." Eerst na eenige seconden rusten gin hij voort:

»Onder al de métiers die ik heb waargenomen, staande mijne omzwervingen in Duitschland, is er ook een, dat niet precies tot de achtingswaardigste behoort, maar dat de nood mij dwong aan te nemen. Ik ben croupier geweest bij eene speelbank. Ik heb er mijn vader, mijn eigen ongelukkigen vader, zien spelen met een acharnement, dat mij de oogen opende voor het diep ver[ 270 ]val waarin hij met de zijnen is geraakt. Ik heb er schuld aan, dat weet ik; maar toch, zonder die passie, die alles verslindt en toch onverzadelijk is, zou zijne groote fortuin en ’t geen Francis had moeten bezitten niet zoo reddeloos verloren zijn gegaan."

»En mijnheer von Zwenken herkende u niet?"

»Wat zal ik u zeggen? Ik geleek niet meer op mij zelven. Haar en baard geverfd, de kleur van ’t gelaat verbruind en verouderd, en daarbij croupier! Let men op de machine die het spel in beweging brengt, als men zóó vervuld is met winst en verlies? Ik — dat is wat anders, ik herkende mijn vader, al was hij in politiek, al was hij zeer verouderd, aan zijne fijne, bewegelijke trekken, aan zijne rechte houding, aan alles in één woord wat mij onvergetelijk was. Daarbij, er waren Hollandsche heeren met hem in gezelschap; zij spraken onder elkaar hunne moedertaal; zij noemden kolonel von Zwenken bij den naam. Ik heb hem op één dag eene fortuin zien winnen, eene fortuin zien verliezen. Ik had moeite mij te weerhouden om mij aan zijne voeten te werpen en hem te smeeken zijn reddeloozen onder gang niet te bewerken. Ik weet wel het zou niemand minder gepast hebben dan juist mij, en toch, ik die bij ondervinding wist wat gebrek en ellende zijn, kon er met alle recht tegen waar schuwen. Alleen de overtuiging dat het toch niet baten zou, en dat ik mij zeker daarmede verraden zou hebben, hield mij terug. Maar dat ik op hem bleef letten, behoef ik u niet te zeggen; en zoo werd het mij zekerheid dat hij geld heeft opgenomen van een Hollandsch bankier, dat hij daarvoor wissels heeft geteekend…"

»Hoe lang kan dat geleden zijn?"

»O, dat’s nu al vele jaren geleden."

»Maar het schijnt toch dat hetgeen de ergernis van Francis wekte eerst kort na uw vertrek heeft plaats gehad, en zoolang zal die bankier geen respijt hebben gegeven?"

»Neen! en sinds schijnt hem de gelegendheid niet meer gegeven te zijn om op die wijze aan zijn hartstocht bot te vieren; maar die is daarom nog niet uitgeroeid. Ferme lui la porte au nez, il reviendra par la fenêtre; Francis omsingelt haar grootvader en houdt hem nu kort, ik wil dat gelooven; hij is daarbij bang voor haar! maar is het zeker, dat hij niet achter haar om en op andere wijze zijne revanche neemt of genomen heeft? er zijn menigerlei [ 271 ]wijzen om wat men noemt zijne fortuin te beproeven, al is het niet met de roulette."

»Gij hebt gelijk; ik vrees maar al te zeer, dat de generaal nog in ’t geheim verkeerde speculaties doet…"

»En is het dan zoo onmogelijk, dat hij, om aan geld te komen, opnieuw zijne toevlucht heeft genomen tot den bankier; zijne eer voor Francis willende redden, en toch in de noodzakelijkheid zijn de haar offers te vragen, de schuld maar op mij heeft geworpen, den afwezige, die zich niet kon verantwoorden, wiens rug heel breed, wiens naam reeds bevlekt was?"

»Zijn eigen zoon dus te belasteren…"

»Wel bezien was ik er de naaste toe; hij moest zich redden, en het kwam er voor mij niet op aan. Ik neem het hem zoo heel kwalijk niet! alleen zou ik er heel wat voor willen wagen om de zekerheid te hebben dat mijne gissing juist is; en toch, al had ik die, hoe dan nóg Francis de overtuiging te geven van mijne onschuld, zonder mijn vader te betichten, iets wat niet zijn mag?"

Ik beloofde hem dat ik daartoe het mijne zou doen; maar ik kon niet nalaten mijne verwondering uit te drukken, dat hij, na al de ondervinding die hij had opgedaan, nog lust gevoelde om naar het vaderland, naar de zijnen terug te keeren, waar hem niets dan vernedering en terugwijzing wachtte.

»Wat zal ik u zeggen, Jonker! het blijkt wel, dat gij niet weet wat ballingschap is, en hoe de trek naar het vaderland, het vaderlijk huis onweerstandelijk wordt, juist door de bezwaren die er zich tegen verzetten. Had ik, arme zwerver, in Amerika mijn geluk, mijn gezin gevonden, zooals ik eens had gehoopt, dan had ik er mij mogelijk een tweede Heimath van gemaakt, waarvoor ik de andere kon vergeten; maar, verwenschte Jonas die ik ben, eerst door allerlei tegenspoed veel te lang in Holland opgehouden, kwam ik pas in Engeland toen mijne reisgenooten reeds den tocht naar Amerika hadden aanvaard. Ik zocht en vond gelegenheid hen te volgen op een ander schip; maar wij leden schipbreuk, reeds met de kust van het beloofde land in ’t gezicht; de Zee nimf, las men later in de nieuwsberichten, was met man en muis vergaan. Dat was de waarheid, maar één ongelukkige schipbreukeling, die zwemmen kon en zijns ondanks als bij instinct van dat talent gebruik maakte, werd gered. Ik bereikte eene rotsachtige kust, werd door arme visschers ontdekt, die mij uitgeput en [ 272 ]bewusteloos vonden liggen, liefderijk opgenomen, dat moet ik zeggen ter eere der menschheid, en van alles verzorgd zoolang ik er behoefte aan had; maar van alles beroofd, en, zooals ik later vernam, op honderden mijlen afstands van de plek, waar vermoedelijk mijne Duitsche vrienden zich hadden neergezet, schoot mij niets over dan bij die herbergzame kustbewoners te blijven tot er voor mij eene gelegenheid opdaagde om verder te komen. Die gelegenheid deed zich voor in de gedaante van een koopman uit Chicago, die handel dreef in kreeften en oesters, en die met deze lieden prijs kwam maken voor leverantiën op groote schaal. Ik maakte kennis met hem, vertelde een en ander van mijne rampspoeden, en toen hij vernam dat ik kennis had van paarden en daarmee wist om te gaan, sloeg hij mij voor hem te vergezellen op zijne handelsreis, daar hij uren ver langs ongebaande wegen met een zeer primitief voertuig moest reizen en de voerlieden van die karren meest onverbeterlijke dronkaards of brutale afzetters waren, waarvan hij reeds allerlei onaangename ervaringen had. Hij had dan ten minste iemand bij zich die hen staan en terechtwijzen kon. Zoo geschiedde het, en deze overeenkomst bracht mij ten laatste naar Chicago, waar ik weer in een doolhof van avonturen raakte, die mij voor goed afbrachten van het voor nemen om de Duitsche landverhuizers op te zoeken, en eindelijk in aanraking brachten met den heer Stonehorse, ondernemer van een Equestrian Cirque, waarmee deze voornemens was Europa te bezoeken.

Well! Ik had nu al ruim drie jaren het oude continent verlaten, ik kende Engeland en Frankrijk niet, ik was, al zeg ik het zelf. een goed piqueur, geen slecht rijder; forsche lichaamsoefeningen stonden mij aan, ik engageerde mij bij zijn gezelschap. Eens in Frankrijk, kwam de trek naar ’t vaderland bij mij op, en ik haalde master Stonehorse over, die er geene groote verwachtingen van had, om zijne reis naar Duitschland over Holland te nemen en zich in enkele groote steden op te houden. Het succes in de hoofdstad gaf hem vertrouwen op mijne voorlichting; hij liet de reisroute die hij volgen zou aan mij over; ik waagde het er op, Arnhem aan te wij zen; ik behoefde niet meer voor ontdekking te vreezen. Ik reis onder Amerikaansche vlag; niemand mijner confrères weet iets van mijne antecedenten.

Eens in de provincie, bekroop mij met onweerstaanbaar geweld [ 273 ]de lust naar de Werve; vooral toen eene toevallige ontmoeting met iemand uit Z., die mij niet kende, maar dien ik op ’t chapitre bracht, mij zoo een en ander van de von Zwenkens vertelde, en den grootvader het slachtoffer noemde van de inconsequenties zijner kleindochter. Arme Francis! gelasterd, zoo gelasterd, en om mij! Ik moest haar zien en spreken; ik moest op mijne knieën, met het hoofd in ’t stof gebogen, hare vergiffenis vragen; gij hebt gezien hoe zij het opnam en hoe mijne terugkomst wordt beschouwd als de grootste zonde die ik tegen haar plegen kon! Het is ook ergerlijk: onkruid dat niet vergaat, eene schipbreuk die niet afdoende blijkt!" sprak hij met bitterheid, waarin zich weemoed mengde. »u, ’t is geschied, die gekke streek is weer begaan; maar ik zal haar geene ergernis meer geven; ik heb het haar beloofd! dat is zoo goed als een eed. Ik hoop maar dat ik dien houden kan," eindigde hij met een zucht, terwijl zijne stem altijd doffer en matter werd. Hij liet het hoofd vallen tegen het weeke kussen van de sofa; als door den slaap overmand strekte hij de leden daarop welhaast uit, en hoorde ik de ontwijfelbare bewijzen dat hij rustig sliep. Ik had er nu ook het mijne van en ging zelf de rust zoeken die ik hem van harte gunde.

Toen ik juist niet heel vroeg in den morgen ontwaakte, had Rudolf von Zwenken zich al uit de voeten gemaakt, op dezelfde wijze als hij gekomen was; de blinden waren blijkbaar opengemaakt en niet meer gesloten; maar hij had het zoo stilletjes bered als men dat wachten kon van iemand die meer dan eens had weten te ontsnappen. Alleen, hij had vergeten zijne portefeuille mede te nemen! De onverbeterlijke loshoofd! Nu, ik zou hem wel uitvinden om hem die te doen toekomen. Het was goed, die niet aan Francis op te dringen. Hare kieschheid, hare fijnvoelendheid op dit punt was mij lief. Na zooveel opgeofferd te hebben, soms verlegen te zijn om eene kleinigheid, en toch honderden te versmaden als teruggave, omdat zij de herkomst van het geld verdacht, of wel om den gever niet te berooven, dat was eene groot moedigheid van karakter waarvoor ik respect had. Wat den generaal betrof, zijne schuld stond bij mij vast na ’t geen ik zelf van hem waargenomen had; en meer dan ooit moest ik de voorzienige wijsheid van tante Sophie loven, die hare maatregelen had genomen om Francis te begunstigen zonder hare fortuin in dien afgrond te werpen. Maar de ontdekking die ik [ 274 ]gedaan had, was voor mij eene waarschuwing, die tot omzichtigheid vermaande. De grijsaard, hoe machteloos hij ook scheen, was un homme à expédients; indien hij te vroeg wist wie de erfgenaam van tante Sophie was, en zijne verhouding tot Francis, was hij in staat om op haar toekomstig vermogen te speculeeren.

Ik zag hem als een bezwaarpunt, als een donkere stip aan den horizont van mijn geluk, die voortdurend mijne opmerkzaamheid zou vorderen, en ik voelde de drukkende waarheid van de uitspraak: »die het goed vermeerdert, vermeerdert de kwellingen!"

»Gij begrijpt, Willem! dat ik onder zulke bijgedachten, die zich mijns ondanks telkens aan mij opdrongen, zeer slecht gestemd was om mijn oud-oom met een opgeruimd gelaat geluk te wenschen met zijn feestdag.

Zes en zeventig jaar! al het uiterlijke van ’t geen men een respectabel man noemt, en toch zoo diep gevallen; doch waartoe u deelgenoot te maken van al het strijdige en pijnlijke dat er toen in mij omging! ik moest er mij tegen verzetten en een visage de circonstance vertoonen, dat spreekt vanzelf.

Gij zult voor het oogenblik ook wel genoeg hebben van die sombere legende van de Werve, en ik ga eens naar Francis om zien, die vooreerst nog niet weten moet dat ik een vriend heb die haar karakter leert kennen, trek voor trek, zooals het zich aan mijn blik voordoet. En nu, laat mij eens spoedig van u hooren; mij dunkt gij hebt nu al genoeg gehoord en gezien van het Indische leven, om er uw gevoelen over te kunnen zeggen, al weet ik dat gij de zaken liefst van alle kanten beziet eer gij er u over uitlaat.

Salut et Amitié
L. v. Z.