Leycester in Nederland/Eene beslissing van den kanselier

[ 356 ]

XIV.
EENE BESLISSING VAN DEN KANSELIER.


Hoe ging het intusschen Jacoba?

Toen het feest op Rijnauwen niet langer te rekken was, in het afzijn van den gastheer, door die zijner vrienden, welke hij er de leiding van opgedragen had, had Elias Leoninus zijne moeder eene wijle heimelijk en ernstig toegesproken, en had daarop Jacoba ter zijde genomen, en haar verklaard, hoe het Reingoud’s wil was, dat zij in zijn ouderlijk huis zou verblijven tot diens terugkomst, en zij was daarop, onder zijn geleide, vrouwe Leoninus gevolgd naar de woning van den Kanselier. Eenige dagen daarop was Elias naar Amersfoort teruggegaan, en toen hij ging, scheen zij volkomen verzoend met de betrekking, die haar voortaan aan hem bond. Was dat, omdat de dag ter voltrekking van het huwelijk nog in het onbestemde lag? of was het, omdat ze le Lion beter dan ooit had leeren schatten, na een lang en ernstig onderhoud, dat ze samen hadden gehad? Het is nog het oogenblik niet voor ons, om het uit te vinden; maar intusschen was zij tevreden in het huis van dien bruidegom; intusschen vond ze in vrouwe [ 357 ]Barbara eene moeder, en te eerder, sinds deze van dag tot dag het harte meer had afgewend van de arme Ivonnette, en in haar, de half Roomschgezinde, als zij meende, eene overeenstemming van geloofsbegrippen wachtte, schoon de woeling der tegenwoordige voorvallen haar niet de gelegenheid liet, die te peilen; want er waren vele ongewone drukten in het huis van den Kanselier, als wij zullen zien.

Het is zoo; het plotseling scheiden van den man, die haar bij wijlen eene uitzinnige teederheid bewees, en bij wijlen gansch scheen te vergeten, smartte Jacoba, en zijn wegblijven eindigde met haar te ontrusten; doch zij was zóó gewend aan het ongewone, waar het Reingoud gold, dat die onrust verdween, zooals zij opkwam, en dat zij de stil medelijdende blikken niet zag, of voor ’t minst niet begreep, die alle leden van den familiekring op haar wierpen. Zoolang er niets bepaald was omtrent Reingoud’s lot, had Elias gewild, dat men haar daarmede niet zoude ontrusten.

Tot hiertoe had ze Gideon niet weer gezien; toch somwijlen kwam hij in het huis van den Kanselier, maar het waren slechts korte vluchtige oogenblikken. Zijn naam werd tusschen de meisjes nooit met opzet uitgesproken. ’t Was, of alle behoefte aan vertrouwelijkheid tusschen haar in terughouding was verkeerd, en waar die naam, als bij toeval, één van beider lippen ontgleed, boog Ivonnette het hoofd met iets, dat naar beschaming zweemde, en lichtte er iets zonderlings uit het oog van Jacoba; het had iets van eene vraag en iets van een verwijt.

Op zekeren dag echter trad Gideon den familiekring binnen, terwijl ook Jacoba tegenwoordig was. Op dien dag had de dochter van den Kanselier belijdenis afgelegd van de Gereformeerde religie, onder de leiding van Wernerus Helmichius, en ten overstaan der leden van het consistorie, daartoe gerechtigd!

En nu kwam hij, als de verloofde van Ivonnette; het eerste was echter niet een gevolg van het laatste. Veeleer omgekeerd. Overgaarne had de jonge doctor den Kanselier en het jonge meisje beiden nog dat jaar beraads gegund, aan welks einde eerst het noodige van dien stap zou worden beslist; maar sinds de Kanselier had toegegeven aan den ernstigen drang van Helmichius en van Gideon, om zijne dochter niet te weerhouden in zake van consciëntie; sinds de helderziende man het had gevoeld, dat den geest van den tijd, inwerkende op de harten der menschen, moest [ 358 ]worden toegegeven, en dat tegenstand vruchteloos was, waar dus het noodlot had beslist, was Ivonnette haar weg gegaan op dit pad harer keuze, met eene snelheid, waarbij Wernerus veeleer zich te bemoeien had, haar ongeduld te temperen, dan haar ijver aan te vuren. Toen de Kanselier had toegegeven, moest vrouwe Barbara volgen; maar nooit zeker had »haar Elbert” eene moeielijker overwinning behaald op haar wil en eene meer onvolkomene; want waar ze ten laatste zich geliet te berusten, was dit een berusten vol van zulke heftige opwellingen van bitterheid, dat in waarheid de geloofskracht der arme Ivonnette op de sterkste en smartelijkste proeve werd gesteld, niet die van eene enkele grootsche daad van zelfverloochening, waar het leven of dood geldt, ten aanschouwe van menschen en in ’t gezicht van een martelvuur, — proeve, waartoe menigeen in zulken stond moed zoude vinden, al ware ’t slechts dien der overspanning; — maar dat stille, ongekende martelvuur van geheime kwellingen, van huiselijk verdriet en van huiselijke kleingeestigheid. Zeker zou de Kanselier haar daarvoor beveiligd hebben, zooveel het hem doenlijk was; maar de toenemende verwikkelingen der openlijke zaken maakten hem afgetrokken in het midden van de zijnen, en veelmalen ook riepen zij hem daarbuiten. Wernerus Helmichius had Gideon dien toestand van Ivonnette geschetst, en deze had begrepen, dat men het arme kind niet nutteloos aan zulke smarten behoefde bloot te stellen; en daar de groote voorwaarde van het testament zijns oudooms nu toch reeds was overtreden, en uitstel hierin geene verandering meer kon brengen, had hij den Kanselier voorgesteld, nu geen jaar te wachten, om den eenigen wensch van den overledene te vervullen, en de achtbare man had geantwoord, »dat hij daarin volgen kon de geneigdheid van zijn eigen hart, en niets dan deze, sinds Ivonne hem van alle verplichting op dit punt had vrijgemaakt.” Maar Gideon begreep dat anders, hij voelde wel verplichting tegenover haar. Slechts keerde hij langzaam, maar in ’t eind, hij keerde toch!

En zoo zag dan Jacoba hem in het huis van den Kanselier, als den verloofde van eene andere. Zij zag het zonder spijt, zonder ijverzucht, slechts met wat pijnlijke bevreemding, slechts met die naïeve verwondering, die de Fransche dames het »peut-on être Persan?!” in den mond gaf. Zij begreep, hoe men met bewondering kon opzien naar Gideon, als hij sprak; maar ze begreep niet, [ 359 ]hoe men zich dus gemeenzaam aan zijn arm kon hangen, als zij het Ivonnette zag doen. Zij begreep, hoe men zich neer kon zetten aan zijne voeten, om toe te luisteren naar zijn spreken; maar zij begreep niet, hoe men hem uitlokken kon tot schertsen, of kwellen om eene kluchtige vertelling. Zoo haast dit gebeurde, voelde zij zich bedroefd, en zij ging heen. Zij wist, hoe men Gideon’s beeltenis in de ziel konde houden, en die uitdrukken met het penseel, en hoe men zijn hoofd omgeven kon met den straalkrans van een heilige; maar zij begreep niet, dat men spelen kon met die lokken van rood goud. Het had haar reeds moeite gekost, om Gideon te begrijpen, gewoon mensch; maar bovenal begreep zij hem niet, jong mensch; en zag ze met iets als verwijt naar Ivonnette heen, benijding voor ’t minst was er buiten; zij voelde zich noch den lust, noch den moed tot een zulk spel, en zij zou zich niet het recht er toe gewenscht hebben, alleen het griefde haar in Ivonnette, dat die zich dat recht nam, en bovenal, omdat ze het eenmaal had kunnen verwerpen, omdat Gideon daarom van lijden had geklaagd aan haar zelve… Bij hem en bij haar dacht zij aan zich zelve niet, wist voor ’t minst niet dat te doen, want wat Reingoud’s onvoorzichtig woord in haar had opgewekt, had Gideon met zijn wel berekend: »ik ben priester!” plotseling gesmoord, als onder een looden last, en gelukkig! de voormalige kloosterlinge, was te schuchter, en te onnoozel, en te vol geloof aan hem, om een zulken last op te heffen, met de vermetelheid der gedachte. Toch zou het mogelijk zijn, dat zij er onwetend onder gebukt ging. Jacoba begreep Gideon niet, als jong mensch, vertelden wij; en om eerlijk te zijn, moeten wij zeggen, dat Gideon als met verloochening van zijn aard, van zijne levendigheid, van zich zelven, er in dat huis weinig de houding van aannam. Het is zoo; tegenover Ivonnette verzuimde hij niet één dier kleine plichten van galante wellevendheid, die de zeden dier tijden van zijne nieuwe betrekking tot haar vorderden; hij moest »haar courtoise dienaar zijn,” en hij was het; maar hij volbracht dien plicht, als een plicht, als iets ernstigs, iets pijnlijks, iets zwaars, en zonder dien blijden glimlach, die bewijst, dat het een voorrecht is. Met eene oneindige goedheid en met een oneindig geduld leende hij zich tot hare wenschen, tot hare luimen zelfs, en scheen hij, als voorheen, zich te laten beheerschen door haar glinsterend zwart oog. Slechts, [ 360 ]was hij volmaakt goed, hij was ook volkomen kalm, en wie hem zeer scherp had gadegeslagen, zoude gezien hebben, dat hem soms bij haar naderen als eene rilling overviel, en zag men hem gelijkmoedig, vroolijk in waarheid zag men hem niet. Ivonnette daarentegen gaf zich over aan geheel de vroolijke levendigheid harer natuur, zoo haast het woord vergiffenis tusschen haar en Gideon was uitgesproken, of veeleer, zoo haast zij in zijn hernieuwd aanzoek de zekerheid zijner onverlorene liefde had meenen te zien; hoe kon zij denken, dat het medelijden was geweest, en dat Wernerus Helmichius van plicht had gesproken, dat Gideon nog eerder dan deze dat woord tot zich zelven had gezegd, toen hij alles van haar wist? Zoo haast hij weer tot haar gekomen was met zijne vorige zachtheid, die haar smartelijker had moeten zijn, dan het scherpste verwijt, had zij weer geheel haar zelfvertrouwen hernomen, en haar vertrouwen op hem; had ze weer een vroegeren speelmakker in hem gezien, en veel meer gedacht aan hare nieuwe rechten, dan aan haar vroeger verwerpen daarvan. En ondanks haar meerderen ernst, en ondanks haar beter erkennen zijner verdiensten, of liever juist daarom achtte zij zich zijner meer waard, dan voorheen, en sinds haar openlijk toetreden tot 'zijne religie” haar als een zeker verbond was en een vaste borg, voor hetgeen zij nu haar geluk noemde, had zij hare gerustheid hernomen; zij was in ’t eind geen achttien jaar, en geen kind van de levendige Barbara Hase, om, na een korten tijd lijdens, bij zulke vernieuwde waarborgen voor geluk, aan de toekomst te twijfelen, of in het heldere tegenwoordige te gaan turen, of het ook duistere wolken verborg. Eene berekening, die in Martina zoude zijn opgekomen, viel toenmaals niet onder de macht van eene gewone vrouw, van eene Ivonnette, en zij wist zich vroeger door Gideon dús geliefd, zij geloofde zich zóó onmisbaar voor zijn geluk, dat zij naar hare vreugde de zijne had berekend, toen het hatelijk struikelblok (Essex) uit den weg hunner verbintenis was weggenomen; maar, helaas! in Gideon’s oogen was het niet weg geweest en zou het niet zijn weg te nemen. Mensch van fijne beschaving, had hij niet zijn hart verstompt, terwijl hij het hoofd had opgevuld; zijn hoog en innig godsdienstgevoel had hem tegelijk het hart opengehouden voor ieder veredeld en verfijnd gevoel, en zijne teere kieschheid stuitte telkens tegen Essex, zijne levendige verbeelding zag altijd [ 361 ]Essex oprijzende tusschen Ivonnette en hem. Hij had vergeven, o! vergeven met volkomene oprechtheid der ziel; maar hij kon niet vergeten. Hij ook had vroeger geen huiselijk geluk begrepen, waarvan het bevallige, het schalke, het kwelzieke kind was uitgesloten; nu begreep hij, dat hij met haar ongelukkig zou kunnen zijn, en waar dat schalke kind van vroeger nog onverdeeld en onverdrongen de plaats had behouden in zijn hart, daar kon hij de minnares van Essex, die zijne bruid zoude worden, niet die plaats afstaan, zonder pijn.

Zoo dartelde Ivonnette om hem heen, op den dag, waarvan wij spreken; het was een broeiige Septemberdag, en de middagzon schoot lijnrecht hare stralen op de ruiten van het huisvertrek, als wilde zij beproeven, het lood te smelten, waarin ze gevat waren. Gideon zat met den rug naar het licht toegekeerd. Hij staarde in diepen weemoed op een geschreven blad, dat hij in de hand hield, en dat hij bij herhaling overlas.

»Een verzuim!” sprak hij, »en de Heere »alléén weet, welk verzuim! Welk eene kostelijke ziele daar verkwijnende is in onrust! Zoo Hij daarin niet heeft voorzien; toch weet Hij, dat ik hier buiten schuld ben! Waarom ook een zulken boodschapper gebruikt? Wat te verhelpen is, zal ik beproeven… God zij geloofd, dat zoo ernstige plichten mij nog wat afleiding…!”

»Ei zie, Gideon! onder die lecture vergeet ge mij, die sinds een half uur hier was, en niet heb opgehouden, u aan te zien.”

De zilveren stem van het loszinnige kind was het, die hem stoorde.

»Wil vergeven, melieve!” sprak hij, even de lippen drukkende op de kleine hand, die zij hem reikte. Het was goed, dat hij daarbij zich bukte; want zij had zijn verbleeken kunnen zien.

»En waarom dus ernstig?” vroeg zij, nieuwsgierig de oogen werpende op het geschrift, dat hij bleef vasthouden. »Bepeinst gij eene predikatie?”

»Dit is eens anders geheim!” hernam hij, het schielijk toevouwende, en hij wilde opstaan.

De hand drukkende op zijn arm, dwong zij hem te blijven zitten.

»Ach, neen!” riep ze. »Niet nu! Blijf dus, mijn liefste lust! Nu werkelijk maakt de zonne, die er op speelt, uw haar goud!”

Dat de arme het niet voelde, hoe koud zijne hand werd bij dit onbedachte woord! [ 362 ]

»Ik bidde u, laat mij gaan, Ivonne! Het is hier smoorlijk van hitte; het brandt mij op ’t hoofd.”

»Dat ge zooeven niet hebt gevoeld,” hernam zij pruilend, »en nu het mij tot lust is, verveelt het u!”

»Kan u dat tot lust zijn, Ivonne?” hernam hij, met zóó zonderlinge stembuiging, dat het arme kind, dat niet weten kon, welke bittere bijgedachte hem haar woord gaf, wat treurig antwoordde:

»Neen, als gij dát zoo zegt, niet meer; dan liever buiten lucht scheppen, en een ruiker zamelen voor Jacoba. De arme verschuilt zich dezer dagen weer, of ze zich opnieuw non denkt in hare cel!”

»Wat zal die met bloemen van ons?” hernam hij strak.

»Nu! In een grammer luim zag ik u niet, mijn leven lang!” hernam zij, de kleine handen verwonderd samenleggende; en zachter en droever hervatte zij: ’spreek doch, mijn vriend en mijn broeder! Wat brengt zóó zorgelijken trek op uw goedaardig wezen?” en zij verschikte de fijne kronkelende lokken op hare wijze, en drukte hare lippen op zijn voorhoofd, als om het te effenen.

Hij onderging de liefkoozing met eene rilling; maar toen hij haar aanzag, nam zijn oog terstond eene uitdrukking van onuitsprekelijke zachtheid, en ondanks haar dwingen, stond hij nu op.

»Laat mij ernstig, kind! Laat mij ernstig,” sprak hij, »en wees het zelve, want ik heb iets wichtigs met u te bespreken.”

»Iets wichtigs, Gideon?” vroeg zij, »dan zal ik aandachtig zijn! Betreft het de religie?”

»Neen, Ivonne! het belangt alleenlijk ons hijlik!” sprak hij, »maar toch scherts hierbij niet! Veeleer bid God in uw harte, dat Hij u en mij moed en kracht geve, om het kruis, dat ons daarin wachten kan, lijdzaam te dragen; want wij zullen het nu welhaast op ons nemen, als ge mijn verzoek gehoor geeft! Ons spreken zal eene wijle aanhouden,” sprak hij, omziende naar een stoel voor haar; want daar stond er geen dichte bij, dan de hooge zetel van den Kanselier. Half schalk, half pruilend, liet zij zich daarin neervallen en het hoofdje achterover werpende, en de armen fier over elkander gekruist, sprak zij:

»Nu dan, heer doctor! wij hooren.”

Hij moest toch even glimlachen, en dat gaf haar moed, want zij hernam: [ 363 ]

»Fij! Fij toch! Wat gij een sombere bruigom zijn zult, als het eens zoover komt, dat wij ondertrouwd zitten! Hoe gij van minnelijker aard waart, als ik u te Bommel op vaders studeerkamer verraste, en ik, gekomen om u te kwellen; welhaast mij de meest gefoolde klaagde! De wilde knaap is een over erntfeste jonkman geworden.”

»Ivonne! dat ik u bidde, breng ons de zoete spelen van Gelderland niet weer in ’t geheugen! Nooit meer een gedenken aan onze gezamenlijke jeugd, om — het geluk, — dat — ik u wensch aan te brengen, Ivonnette! zij het u — gebeden.”

Maar door dat »gebeden” klonk iets zóó gebiedends heen, dat zij zelve onrustig werd en antwoordde:

»O, zeker, Gideon! het zal daarin zijn, als gij wilt; want ik heb u lief, meer nog dan voor…”

Haastig deed hij haar zwijgen met een:

»Niet van dat!”

Toen weer met zwaarmoedige teerheid op het ranke kind ziende, dat den grooten leunstoel niet ter helfte besloeg:

»Zijt gij nog wèl besloten, Ivonne! zonder omzien, mijne echte vrouw te willen worden? Hebt gij nu geenerlei opzien, dien band voor — het — leven aan te gaan — met mij?”

»Zekerlijk, neen!” hernam zij. »Om met u te blijven, Gideon! zou ik wel getroost zijn, uwe dienstmaagd te wezen, als ’t niet anders zijn kon, zoo zeker hoort mijn harte u!”

»Geene dienstmaagd; mijne echte lief en vrouwe! Slechts,” hernam hij, »moge wat spoed in dezen u niet al te zeer ongevallig zijn!”

»Het zal niet,” hernam zij blozende; »zoo slechts mijn heer vader, en vrouwe Barbara…”

»Van beiden heb ik vrijheid verkregen, om alleen met mijn wille en den uwen te rade te gaan, en zoo wilde ik u voorstellen, om dezen avond te maken tot dien onzer ondertrouw!”

»Hoe?” riep Ivonnette. »Dat is toch zonderlinge zeer gehaast! Nog vóór mijne openlijke belijdenis in de Kerk! Nog vóór mijn eersten Avondmaalsgang!”

»Onze bruiloft zal worden uitgesteld, tot na die plechtige vierdagen; alleen, de ondertrouw, in ’t bijwezen van den eerwaarden leeraar en twee ouderlingen-kerkdienaren, dient dezen avond te geschieden.” [ 364 ]

»En dat zonder vrienden te nooden, en dat in ’t afzijn van mijn heer vader?”

»’t Zou enkel een huiselijk feest zijn,” hernam hij; »de tegenwoordigheid van uws broeders verloofde in dit huis, en de treurige toestand, daarin, buiten haar weten, haar oudvader verkeert, maken de feesten ietwat ongepast, en de Kanselier heeft beloofd, nog heden te komen; ook om hem niet lange op te houden, is die haast noodig.”

»Maar toch, Gideon! waarom zulk haasten? Waarom niet gewacht, tot de veldtocht geëindigd is, en de Kanselier rustig weder met ons zal zijn, en licht Jacoba’s hijlijk doorgegaan…?”

»Omdat dit alles nog zeer onzekere tijdpunten zijn, en omdat ik haast heb, u de vaste verzekering te geven van mijne trouw, en daarna voor eene wijle van u te gaan.”

»Van mij heengaan, en waarom?”

»Ernstelijke plichten roepen mij! Ik trek met uw vader terug naar het leger.”

»Ei, gij zult doch niet den degen trekken?”

»Er zijn ook wonden te heelen bij zoovelen, als er geslagen worden!”

»Maar daar is toch een veldprediker in des Graven leger?”

»Meer dan één, Ivonne! maar het verlangen van één der lijdenden is uitgegaan naar mij. Sir Philip Sidney ligt daar stervende, en heeft mij doen opontbieden. Langer vertoeven dan heden zoude mij schuldig maken.”

»Nu, ga dan heden, en daarna de ondertrouw!”

»Neen, Ivonne! Daar mocht ander, — God weet welk, — bezwaar zich tusschen ons stellen, en mij dient vaste verzekerdheid…”

Zij verschrikte van dat woord.

»Is dat uit mistrouwen tegen mij, Gideon?” sprak zij, met neergeslagen oog.

»Neen, melieve!” hernam hij, met wat heftigheid. »Ik zegge alleen: het is u noodig, en het is mij noodig, dat deze ondertrouw nog te avond geschiede. Morgenochtend moet ik afreizen; ik moet, Ivonnette!”

»Gij laat mij dan voor bruid zitten alleen?”

En haar lief gelaat werd zóó droevig, dat hij ernstig zeide:

»Ivonne! Ivonne! Zoo licht een offer valt u dus zwaar! In [ 365 ]trouwe! Als mijne echtgenoote kunnen er zwaardere van u gevergd worden, om mijn leeraarsplicht, en om den wille van ’t geloof!”

»O, dat is wat anders, Gideon! het geloof!” sprak de jonkvrouw. »Daar weet God de Heer, dat ik voor lijden wil en kan. Ik zeg u, ’t is geene kleine zake, moeders hardheid op dit stuk dus lijdzaam te dragen, als ik doe nu reeds maanden lang! Doch wat men daaraan brengt, ontvangt men terug in Hemelsche vertroostinge; daar hebbe ik ondervinding van!”

»Mijne Ivonne!” sprak Gideon, voor het eerst iets in den toon, dat van het vroegere getuigde. »Nu dan, ’t is ook om een Christenplicht dat ik ga.”

»Ivonne met betraande oogen, en toch Gideon met haar!” dus hoorde men de stem van Conradus, en de knaap trad lachende binnen.

»Gij moogt dat als de eerste bruidstraantjes beschouwen,” sprak Gideon; »want ik heb uwe zuster bewogen, te avond mijne bruid te worden.”

»Dan zal ’t dáárom zijn, dat onze heer vader is thuisgekomen. Ik kwam ulieden dat aandienen.”

»Zoo aanstonds hoop ik den achtbaren doctor mijne eerbiedenis te betuigen. Alleen, Conradus! vergeef. Ik heb nog wat sprekens noodig met Ivonnette!” En zijn oog bad de jonkvrouw, hem te volgen.

»En daarvoor begeeft gij u in den hof!” sprak Conradus lachende. »Naar ’t in één mijner klassieken luidt, moet het minnen zoet zijn in ’t bosschaadje.”

»Neen! niet in den hof!” riep Gideon, met een soort van afschuw; en zonder te zien, hoe ook Ivonne bleek was geworden, nam hij hare hand, en klemde die dus vast in de zijne, en rukte haar zóó driftig met zich voort, dat zij verschrikte van die hevigheid.

Dit laatste tooneel had een toeschouwer gehad; de Kanselier had het vertrek willen binnentreden, maar was op den dorpel blijven staan, had hen gadegeslagen, en trad nu voor hen ter zijde, als met opzet, om hen niet te storen. Het verdere van den dag, — hetzij bij het middagmaal, hetzij waar men zich, als Leoninus het wilde, met vruchten en met rijnwijn ging ververschen in den tuin, — bleef hij de jongelieden gadeslaan met den stillen, [ 366 ]scherpen blik, hem eigen, die zoo fijn zag, en die toch nooit verried, wat hij gezien had, of wat er in het opmerken bij hem omging. En toch had hij kunnen zien, hoe Ivonnette, sinds haar geheim onderhoud met Gideon, tegenover dezen van houding was veranderd; — hoe ze naar hem opzag, met eene angstige, onrustige teederheid; — en hoe ze zich soms aan hem vastklemde, met eene hartstochtelijkheid, die veel had van ijverzuchtige vreeze, en bewees, dat haar geloof aan zich zelve er hare zekerheid van hem veel moest gezonken zijn. Gideon scheen in goedheid en zachtheid voor haar te willen verdubbelen, en toch had hij oogenblikken van ongeduld, die machtiger schenen, dan de inspanning van zijn wil tot zelfbeheersching. De knaap Gonradus, hetzij hij niet begreep, hoezeer hij hinderende derde was, hetzij hij dit begrijpende, toch de ingeving eener kwelzieke luim wilde volgen, voegde zich telkenmale bij het jeugdige paar, en toen men ten laatste den hof verliet, om de vallende schemering en om den avonddamp, ging hij met hen samen het huis binnen, en sprak tot Gideon:

»Luister, zwager! zoo ge voor ’t zusterkijn een bruidsgeschenk zoekt, dat haar welgevallig mag wezen, zie dan om naar geparfumeerde handschoenen! Ik weet, dat de schoone juffer daar vuriglijk naar verlangt!”

In ’t eerst kon Gideon niets antwoorden; slechts liet hij met wat drift Ivonne’s arm los. In de duisternis zag niemand zijn verbleeken, noch haar donkeren blos; maar toen hare hand sidderend de zijne greep, toen hare stem een bevend 'vergiffenis!” fluisterde; toen vermocht hij over zich, om te zeggen:

»Neen, Conradus! Ik weet van uwe zuster, dat zij niet meer vraagt naar zulke ijdelheid, sinds zij het hart op betere dingen heeft gezet; en nu, mijn beste jonge vriend! Laat ons samen!”

Daar hoorde men Barbara’s stem, die haar gezin uitnoodde, om in de ’sale” te gaan, waar zij schikking had gemaakt, om de verloving met wat ’statelijkheid te doen plaats hebben, alschoon gansch onder huisgenooten.”

»Gij gaat van mij, Gideon? Nu, op dezen stond?” riep Ivonne, en met beide handen greep zij de zijne vast.

»Juist op dezen stond, laat mij! Het is de laatste minuut mijner vrijheid, laat mij die, om na te denken!” En hij ging van haar, en stortte het boekvertrek in; hij hoorde dus niet, hoe de Kanselier tot zijne echtgenoote zeide: [ 367 ]

»Ik had u gebeden, Barbara! dezen avond geenszins het aanzien te geven van een festijn!”

»Maar, Elbert! dat kan niet anders bestaan! Hoe het mij tegen is, dat mijn kind zich gevoegd heeft bij de Geuzen-religie, om den wille van Gideon’s leeraarsambt, zoo zal het toch niet gezegd zijn, dat ik een welwaarden heer, als Wernerus Helmichius, en de Gereformeerde ouderlingen, die hem vergezellen, onhoffelijk en onschamel zal ontvangen, in mijn daagsch vertrek te zulker occasie!'

»De predikant Helmichius is een veel te ernsthaftig persoon, om op zulke uiterlijkheden te zien, en wat de andere kerkdienaren betreft…,” hij fluisterde haar iets in; waarna ze zwijgend, kennelijk zeer verrast en wat bewogen zelfs, Ivonne bij de hand vatte, en met deze alléén de ’sale” binnenging.

In het boekvertrek had Gideon zich neergeworpen op den eersten stoel, die hem in ’t oog viel; en de handen voor de oogen gedrukt, zat hij onbewegelijk in een diep, bijna smartelijk nadenken. Eindelijk hief hij het hoofd op, met het woord:

»Hoeveel lijdens in zoo weinige uren! ’t Is mij, als had ik een jaar levens dóórgestaan, en toch slechts één dag!”

»En voor zulke dagen wilt gij u, van nu aan, verbinden voor gansch uw jonge leven?' Het was de Kanselier, die hem dus toesprak, die vóór hem stond; en de armen over elkander geslagen, op hem zag, met een ernstigen, weemoedigen blik.

»Ik sprak onzin in mij zelven!” antwoordde Gideon in verwarring. »Ik bedoelde… Ik meende…”

»Gideon! Gideon!” hervatte Leoninus, met een zacht hoofdschudden. Toen, als sprak hij in zich zelven: »Dit noemen ze Evangelische deugd! Heidensche zelfmarteling zou ik het heeten. Beter te prijzen is dan de wijsheid Epicuri, die nergens gebiedt, de korte dagen des levens, zoo moeielijk reeds uit zich zelve, nog door de folteringen van eigene vinding te verzwaren.”

»De Evangelische deugd, heer! vraagt niet het eerst naar genot, maar denkt eerder op verloochening daarvan, dan op verzadiging.”

»Voorzienige wijsgeeren hebben te allen tijde onnut als onwijs geacht, zwaardere lasten op zich te nemen, dan die van ons worden geëischt; en als ik den geest der Evangelische voorschriften wèl heb gepeild, wordt er nergens geboden, zich be[ 368 ]proevingen op te laden; wel gewaarschuwd tegen roekeloos zich te begeven in verzoekingen!”

»Zoo is het, heer! maar ook leeren ze overal, geene offers te schromen, waar het plichten geldt!” en Gideon stond op, en wilde gaan.

»En meent gij dan, dat ik u het offer zal laten volbrengen?”

»Hier is van geen offer de reden!” sprak Gideon met neergeslagen oogen.

»Gij zoudt niet teruggaan, dat weet ik; maar in trouwe, Gideon! is dat eerlijk, dat gij u verbergt? — dat gij zoo onwaar zijt tegen mij, als gij zooeven oprecht waart jegens u zelven? Maar ik zal het zijn tegen u; en daarom herhaal ik: gij zult niet toegeven aan dat hooggestemd gevoel van plicht, aan die overspanning van een edelmoedigen aard, die, later gansch zinkende, waar ze u nu reeds zóó wankelen steun biedt, u zelven en eene andere rampzalig zoude maken. Aan uwe religieuse consciëntie hebt gij het grootste deel van uwe fortuin ten offer gebracht. Mijn kind heeft u nagevolgd. Ik heb het niet konnen weren, en dat in ’t eind niet gewild, daar het hare gemoedsrust betrof, die gewogen werd tegen stoffelijke belangen; doch nu, — nu gij op ditzelfde beginsel ook uwe laatste kanse van levensgeluk offeren wilt, nu zet ik mijn vaderlijk "veto" er tusschen, sinds dat van den voogd heeft uitgediend. Gideon! toen ik u Ivonnette’s hand opnieuw toezeide, dacht ik haar nog bemind; — zij is het niet meer!”

»Nooit moet zij dit weten, nooit!” riep Gideon. »Ik heb haar slechts gebeden, geduld met mij te hebben, tot ik het verledene vergeten, — gansch vergeten zal hebben.”

»Voor een ander zou ik daar "ja" op zeggen; van u geloof ik niet, dat dit ooit zijn zal! En baat het, zoo gij het haar verheelt, wat in u omgaat, als zij het voelt? Eens op het punt van zelfmistrouwen gebracht, raadt eene vrouw licht; en zult gij u zelven te allen tijde meester zijn? Ik heb u gadegeslagen; reeds heden waart gij het niet. Men verge geen mensch op eene onmenschelijke proef! En gesteld, uwe hooge deugd bereikte dat onbereikbare; gesteld, gij maakt haar gelukkig…”

»Dit belove ik! God weet, hoe ik denke, daartoe mijne uiterste vlijt te doen!”

»Die belofte neme ik niet aan. Ik mag hier niet enkel denken [ 369 ]op haar! — Gideon!” en de Kanselier sloeg den arm om hem. »Ik heb u, den aangenomen zoon mijner keuze, zoo lief, als het eigen geboren kind! Gij vergeet u zelf! Ik moet denken op u.”

»Vader! Vader!” herhaalde de jonge man, en stortte zich aan zijne borst. ’steun toch niet de stem mijner zelfliefde, die alreede zich te luid doet hooren! Gij weet het als ik, het arme kind heeft de toevlucht mijner liefde, de bescherming mijner trouwe noodig!”

»Al ware haar die onmisbaar, ik zal niet toestaan, dat gij die geeft. Zie! Toen gij met Helmichius tot mij kwaamt, en samen mij opening gaaft van hare religie-keuze, en de laatste mij daarna deed inzien, hoe het kind het harte tot u had weergekeerd, en zij zelve het mij beleed, en ten leste gij zelf kwaamt, en opnieuw hare hand vroegt als een gewenscht goed; toen dacht ik uw beider geluk te vestigen, en mijn hart verheugde zich, en ik overzag tot de groote kwestie van het testament. Kon ik denken, dat gij de oprechtheid verzaken zoudt? Staatszaken en afwezendheid verhinderden mij, op u beiden scherp toe te zien. Gij schrijft mij, als gold het werkelijk nu uw zoetsten wensch, om het vaststellen van de gezegde verbinding. Ik geef toe, meenende, dat ik twee gelukkigen maak, en de toekomst mijner dochter eerlijk verzeker. Ik spreek Reingoud; hij leert mij twijfelen.”

»Reingoud is een onbedacht en roekeloos mensch,” viel Gideon in, »die geene redenen heeft voor zulk spreken, die zich moeit met hetgeen hem niet aangaat, en die licht uit eigenbatig inzicht…”

»Dat laatste kan zijn!” hernam de Kanselier; »maar hij ziet zeer goed! Korts, twijfel gevat hebbende, kom ik zelf zien; één dag is mij genoeg om te weten, dat hij gelijk heeft. Eén dag zeg ik; één uur, één enkel samenzijn met u beiden, zou mij overtuigd hebben, schoon ik een dag neem, om die overtuiging te vestigen. Nu weet ik alles: Onoprechtheid heb ik u te verwijten; maar het is wel de nobelste, die er immer gepleegd werd; ook zal zij niet in zich zelve verstrikt worden! Gideon Florensz.! ik neem mijn woord terug. Ivonnette wordt niet uwe bruid!”

»Dat zult ge toch niet meer hinderen, heer! De predikant met de dienaren onzer kerke zijn aangezegd en licht alreede hier; en dit te verklaren, kan niet geschieden zonder groote ergernis, [ 370 ]die in deze dagen, èn over uwer dochters hoofd, èn over het mijne een al te grooten jammer zoude brengen. Ik zeg niet eenmaal, wat onzer beider goede faam betreft voor de wereld, maar voor ons gemoed.”

»En uit opzien tegen ’t bezwaar van ’t huidig oogenblik, zou ik zóó roekeloos beginnen toelaten? Ik zou zien, hoe ge, als met twee stelten onder de voeten, een ronden bal woudt beklimmen, en ik zou ’t niet hinderen?”

»Er zal ergernis uit genomen worden!”

»Dat zal niet zijn, jonge man! Zou ik daarop niet gedacht hebben en daarin niet voorzien? Zij is alreede geweerd, mijn jonge vriend! De welwaarde Helmichius heeft een schrijven ontvangen van mij, dat hem vermaand heeft, de andere heeren niet te waarschuwen, voordat ik mij nader had besproken met hem. En nu is hij hier, hier alléén, om Ivonne mijn besluit mede te deelen en de reden daarvan. Nu moge het blijken, of de religie haar dien troost biedt, dien zij noodig heeft.”

»Die zal haar niet gebreken; God heeft haar de genade verleend van een vurig geloove! Doch gun mij tot haar te gaan! Licht heeft Helmichius nog niet gesproken.”

»Al ware dat, gij zult niet tot haar gaan, Gideon! Zij moet genezing hebben van die wond, en daartoe komt men niet met kleinzeerig aarzelen, maar wel een scherpe kure. Drank van afzijn zal hier gezond maken. Gij ziet elkander niet weder, vóór zij u zien kan als broeder! Betrouw hierin mijne ervarenheid! Dat zal eerder zijn, dan gij meent. Het kind is jong; het kind is van wuften zin; en men heeft haar nu immers den troost der religie in handen gegeven, daarvan ik wete, dat zij sommige gemoederen baat. Gij reist haastelijk naar Arnhem, waar u een ernstige plicht wacht, daarin gij verstrooiing zult vinden, voor wat dit uur schokkends mocht gehad hebben. Ivonne zal welhaast naar Leiden vertrekken; in haars zwagers huis, die van hare religie is, zal ze zich nu rustiger voelen, dan in het onze. Beloof gij mij dit eene! Zoo tijd, of nood het mochten eischen, blijf haar broeder! Een zulken zal zij altijd noodig hebben. En nu, vaarwel! Ik zal mijne vrouw van alles inlichten; zij zal moeten goedkeuren en u geene achting weigeren. Morgen reis ook ik af naar ’t leger; spoedig zien wij elkander dáár. Neen! Geen woord meer; voor ’t minst, zoo het tegenspraak geldt! Zie nog in mij [ 371 ]eene wijle den voogd, — een voogd, die u vrijmaakt van een al te ondragelijk juk!”

Gideon kon niet spreken, noch tot tegenspraak, noch tot dank. Hij wilde het zich zelven niet bekennen, dat werkelijk een juk hem van de schouders was genomen; maar met diepen weemoed dacht hij aan Ivonne, en in zijne ziel bad hij voor haar.